Op Erasmus Darwin, A Life of Unequalled Achievement van Desmond King-Hele (Giles de la Mare Publishers, 1999) staat een olieverfportret van het onderwerp afgebeeld: de wat pafferige, blozende kop torst een pruik, en voor de zoveelste keer vraag ik me af wat verlichte lieden toch in die bepoederde verstandswarmer zagen. In elk geval is het 1792, de Rede raast door Frankrijk en de zestigjarige houdt een ganzenveer vast. Een uur geleden mocht ik in het geboortehuis van Doctor Johnson, in het kader van mijn interactieve relatie met de achttiende eeuw, een ganzenveer in een inktpot dopen, wat me een vlek op mijn hemd kostte.
...

Op Erasmus Darwin, A Life of Unequalled Achievement van Desmond King-Hele (Giles de la Mare Publishers, 1999) staat een olieverfportret van het onderwerp afgebeeld: de wat pafferige, blozende kop torst een pruik, en voor de zoveelste keer vraag ik me af wat verlichte lieden toch in die bepoederde verstandswarmer zagen. In elk geval is het 1792, de Rede raast door Frankrijk en de zestigjarige houdt een ganzenveer vast. Een uur geleden mocht ik in het geboortehuis van Doctor Johnson, in het kader van mijn interactieve relatie met de achttiende eeuw, een ganzenveer in een inktpot dopen, wat me een vlek op mijn hemd kostte. Erasmus Darwin woonde van 1758 tot 1781 in Lichfield, een paar honderd meter verderop, in een middeleeuws huis, recht tegenover de kathedraal. Via de winterse kruidentuin, nog altijd zijn tuin, waar hysop, rozemarijn, salie en valeriaan staan te slapen, beschut door kromgegroeide sprookjesarchitectuur, bereik ik dat huis, dat hij in de stijl van zijn tijd heeft laten verbouwen, met de Georgian gevel afgewend van de cathedral close. Een van die tot goede werken geschapen Engelse vrouwen, die nooit zijn geboren maar zo in hun japon naar de aarde afgedaald, vertelt me dat Darwin veertien kinderen had, bij twee vrouwen en een maîtresse; die engel bloost zowaar als ik opmerk dat hij nu eenmaal in de voortplanting geïnteresseerd was, in het bijzonder bij planten overigens. Ze geeft me een rondleiding, maar het interieur is niet erg interessant, behalve zijn bureau - dat Georgian is, Verlicht, uitgerust met een sluw systeem van verborgen veren die geheime laatjes openen, als codes hun computers. De Leonardo-achtige bewoner van dit huis was arts, botanist, wetenschapper, uitvinder. Hij beschreef als eerste hoe het proces van de fotosynthese verliep. Hij bouwde een spraakmachine, waartoe hij zich in de fonetica verdiepte: het was een houten mond met lippen van zacht leer, die aangesloten op een pianoforte zou moeten kunnen zingen en ook in onvoltooide toestand een sensatie was - de contraptie is helaas door de tijd verzwolgen. In vergelijking met de zoete waanzin van dat apparaat was de bigrapher in se erg praktisch, een kopieermachine die bestond uit twee door een as met elkaar verbonden ganzenveren. Het waren louter profetische uitvindingen: geen enkele machine van Darwin is ooit op de markt gebracht, al ontwierp hij wel een stuursysteem waarvan het basisprincipe nog altijd in auto's wordt toegepast. Intussen omringde hij zich met fonkelende geesten, die samen bekend zijn geraakt als 'The Lunar Society of Birmingham', de absolute denktank van de industriële revolutie. Franklin en Watt waren onder hen. In 1769 ontvouwde zich in zijn denken datgene wat wij 'de evolutieleer' zijn gaan noemen, waartoe hij door een vondst van fossiele beenderen werd geïnspireerd. Omdat hij een deïst was, een grote-horlogemaker-gelovige, beschouwde hij de moleculen als georganiseerd door God, die zich er verder niet meer mee bemoeide. Over deze ontdekking zweeg hij, maar aan zijn familiewapen, dat uit drie schelpen bestond, voegde hij de woorden E conchis omnia toe: 'alles (komt voort) uit schelpen'. Dat liet hij op zijn koets schilderen. Het kwam hem op een spotdicht van een bevriende kanunnik te staan en de vernederde Darwin liet het wapen overschilderen. Daarna zweeg hij vijfentwintig jaar over de evolutie, wat in het licht van dat onderwerp niet erg lang was. Het verbaast me dat bijna niemand dit stralende genie schijnt te kennen. Maar wat me nog meer verbaast, is de ontdekking dat Erasmus Darwin aan het einde van zijn leven als een vooraanstaand dichter gold. Als zodanig is hij nog veel meer vergeten dan als bioloog, en ten onrechte, meen ik. Ik vind het onbegrijpelijk dat we zo nonchalant omspringen met iemand die de evolutie van de soorten ontdekt en dat beschrijft in een gedicht, meer bepaald een lang leerdicht, The Temple of Nature. Het verscheen in 1803, een jaar na zijn dood. Oorspronkelijk zou het The Origin of Society heten - let op dat Origin - maar de uitgever meende dat de lezers het niet zo fijn zouden vinden als de klassenmaatschappij aan aminozuren was ontsproten. Dit zijn vijfvoeters van Erasmus Darwin: Hence without parent by spontaneous birth Rise the first specks of animated earth; From Nature's womb the plant or insect swims, And buds or breathes, with microscopic limbs. Hij had grote invloed op de romantici. Keats weidde in hetzelfde semantische veld: het wemelt bij hem van de darwiniaanse woorden als crystal en beauty. In Making the earth a slaughter-house van Shelley gaat And one great slaughter-house the warring world van Darwin schuil. De empirie streek langs het gevoel, de ratio joeg de brand in de verbeelding, dit alles in plaats van hoofden af te hakken - de Engelse verhouding tussen verlichting en romantiek lijkt me uniek Engels. In de bundel die hem enige tijd aardse roem bezorgde, The Botanic Garden (1789/92), bezingt hij de stoomboot, de auto, het vliegtuig: Soon shall thy arm UNCONQUERED STEAM! afar Drag the slow barge, or drive the rapid car; Or on wide-waving wings expanded bear The flying-chariot through the fields of air. Verbluffend, nietwaar? Zeventig jaar later zou zijn kleinzoon Charles On the Origin of Species publiceren. Benno Barnard