De schansspringers zijn dit jaar nog niet al te veel aan het feest geweest. De traditionele opener van het seizoen in het Finse Kuopio kon wel doorgaan, maar daarna moesten zes van de negen wedstrijden worden afgelast wegens te weinig sneeuw. De springers moesten naar het hoge noorden vliegen om daar, in het Zweedse Gällivare, de conditie vast te houden.
...

De schansspringers zijn dit jaar nog niet al te veel aan het feest geweest. De traditionele opener van het seizoen in het Finse Kuopio kon wel doorgaan, maar daarna moesten zes van de negen wedstrijden worden afgelast wegens te weinig sneeuw. De springers moesten naar het hoge noorden vliegen om daar, in het Zweedse Gällivare, de conditie vast te houden.Ook de organisatoren van het vierschansentornooi zaten tot voor kort met de handen in het haar, want de winter bleef weg. Voor de openingswedstrijd vorige week in het Duitse Oberstdorf moesten 160 vrachtwagens sneeuw en 60 ladingen ijs uit de nabije Oostenrijkse dalen gehaald worden. Garmisch-Partenkirchen kon het op nieuwjaarsdag ook niet redden zonder extra hulp en 150 vrachtwagens aangebrachte sneeuw. In Innsbruck zal de sneeuw op de Bergiselschanze uit het even verderop gelegen Schirmtal komen. Alleen voor de slotmanche in Bischofshofen is de sneeuw op natuurlijke wijze voorhanden. Skispringen is al twee eeuwen oud. Noorse boeren uit de provincie Telemark wipten over kleine heuveltjes en maakten dito sprongen. Noorse studenten, op wintersportvakantie in Chamonix gebruikten tijdens hun afdalingen de daken van de chalets en houtopslagplaatsen als springschans. De eerste officieel gemeten sprong van een kunstmatig aangelegde heuvel dateert van 1808 en was negen en een halve meter lang. Nog voor de bouw van de eerste echte schans in Noorwegen, in 1879 in Kristiania (nu Oslo), werden al recordboeken bijgehouden. De Noren, de geestelijke vaders van de skisport, kwamen als eersten op de tabellen. Sondre Norheim sprong in 1860 dertig en een halve meter ver, een record dat 33 jaar zou standhouden. Norheim was een avonturier die geld rook in de Nieuwe Wereld. Hij trok naar Amerika en kon als artiest aan het werk bij het bekende circus van Barnum & Bailey. Het is ook niet verwonderlijk dat in Amerika de eerste echt grote schansen gebouwd werden. De Amerikanen wilden vooral verre sprongen met de bijbehorende valpartijen zien. Schansspringen werd beetje bij beetje populair en de Internationale Skifederatie ging zich met de zaken bemoeien. De bouw van de schansen werd gereglementeerd en er werden competities uitgeschreven. De eerste wedstrijden waren een combinatie van springen en langlaufen. De atleten klauterden verschillende keren naar boven. Ze werden beoordeeld op sprongen met een stop naar links en rechts, moesten ook sprongen combineren met een parcours langs, onder en door poortjes of met een heuse langlauf over vier kilometer. Door de jaren heen werden de wedstrijden afgeslankt en bleef alleen het skispringen over.V-STIJL EN TELEMARKHOUDINGUiteraard zijn stijl en techniek fel geëvolueerd. Aanvankelijk stonden de springers na de afsprong zo goed als recht op hun latten, in een tweede fase gingen ze zo horizontaal mogelijk liggen met de ski's parallel onder het lichaam, de armen bleven langs het lichaam zweven of werden schuin naar voren gestoken. Sinds 1987 gebruiken alle atleten de V-stijl, waarbij de ski's tijdens de vlucht een V vormen. In de glijfase proberen de springers zoveel mogelijk snelheid te maken (zo'n 100 km per uur). Kort voor de afsprong, waar de schans weer lichtjes omhoog buigt, wordt de sprong voorbereid. De cruciale fase duurt fracties van een seconde. Tijdens de afsprong moeten de atleten tegelijkertijd een voor- en opwaartse beweging maken en hun lichaam als springveer gebruiken. Springen ze te vroeg, dan wijzen de ski's omlaag waardoor de luchtweerstand vergroot en de sprong kort zal uitvallen. Springen ze te laat, dan wijzen de ski's omhoog waardoor de controle erg moeilijk wordt. Met de V-stijl vergroten de springers de oppervlakte onder het lichaam waardoor ze beter kunnen sturen, langer in de lucht blijven en dus verder springen. De landing gebeurt meestal in de telemarkhouding, waarbij één knie gebogen is. Al jaren maken schansspringers gebruik van spitstechnologie voor ski's en pakken. Onderaan de in windtunnels geteste latten zitten bijvoorbeeld groeven om de grip op de lucht te verbeteren, de schuimrubberen pakken werden tot dit jaar zo groot mogelijk gemaakt om zo veel mogelijk wind te vangen en dus goed te kunnen drijven. Toch zien we nog geregeld een schansspringer vallen, maar van echt hoog vallen ze niet: de gemiddelde vluchthoogte is vier meter. Plotse turbulentie of windstoten zijn meestal de oorzaak. Dit seizoen moeten de gedragen pakken overigens weer nauw om het lichaam sluiten. Tegenwoordig is de competitie opgesplitst in vier onderdelen. Je hebt de normale en de grote schansen van 90 en 120 meter, het skivliegen - waar afstanden tot 200 meter bereikt worden - en de landenwedstrijden. Het wereldje van de schansspringers is behoorlijk klein, een beetje te vergelijken met dat van de alpineskiërs. Het vierschansentornooi bestaat al sinds 1953 en springers uit amper acht landen staan vermeld als eindwinnaar (dit jaar nemen atleten uit 20 landen deel). De Duitsers geven de toon aan met 15 eindzeges, de Finnen, de Noren en de Oostenrijkers komen nog redelijk goed mee. De Russen, Slovenen, Japanners en Tsjechen zijn één keer vermeld. Opvallend is dat de Amerikanen, Zwitsers, Spanjaarden en Fransen al jaren veroordeeld zijn tot een figurantenrol.HEROïSCHE DUELSVedetten heeft het schansspringen pas de voorbije decennia gekregen. De Noor Björn Wirkola, toch drie keer op rij winnaar van het vierschansentornooi in de tweede helft van de jaren '60, is alleen in het kleine kringetje nog een beetje bekend. De eerste echte schansheld was de Duitser Jens Weissflog. Hoewel DDR-atleet Weissflog zeker voor de Muur viel niet graag gezien werd door zijn medeburgers. Weissflog werd mouwvegerij verweten, voor velen was hij een verwende profiteur van het staatssocialisme, voor anderen een activist die nauwe banden onderhield met de Stasi, de geheime politie van het voormalige Oost-Duitsland. Pas na de Wende kreeg Weissflog beetje bij beetje krediet. Z'n lovende commentaren op het vorige regime liet de drager van de Vaterländischen Verdienstordens gaandeweg achterwege. De 'vlo' - omdat ie net als de andere schansspringers vederlicht was - won in z'n carrière bijna alles wat er te winnen viel. Een wereldtitel, drie olympische titels en de ongeëvenaarde vier overwinningen in het vierschansentornooi, de laatste tijdens zijn afscheidstournee in 1996. Weissflog vocht heroïsche duels uit met de Fin Matti Nykänen, de eerste rebel van het schansencircuit en tegelijkertijd de beste springer in de jaren '80, volgens sommigen zelfs de beste springer ooit. 'De vliegende Fin' zweefde op z'n veertiende al 100 meter ver en behoorde op z'n zestiende bij de wereldtop. Nykänen won vier keer de wereldbeker en behaalde vijf keer olympisch goud. In '88 in Calgary won hij de drie te winnen gouden medailles, wat bij de collega's het commentaar ontlokte dat 'Nykänen van een andere wereld was'. Naast de schans was Nykänen van jongs af een buitenbeentje. Hij werd een paar keer betrapt toen ie sigaretten en drank stal. Hij werd van school gestuurd en vloog ook twee keer uit de Finse selectie wegens brutaal gedrag en overmatig drinken. Dankzij z'n sterke prestaties zag het Finse publiek Nykänens fouten door de vingers en kreeg hij de status van nationale held. Jarenlang overvleugelde Nykänen z'n concurrenten. De verhalen doen de ronde dat hij juryleden provoceerde door te zeggen dat hij zodanig sterk was dat, als de starthoogte niet verlaagd zou worden, hij in het publiek terecht zou komen. Op het einde van de jaren '80, toen hij meer en meer wedstrijden verloor, begon Nykänen zwaar te drinken. Collega-springers zagen hem met de fles in de hand op de bus naar de competities rijden. Zelfs net voor de sprongen nam Nykänen nog een slok, gewoon om de angst te overwinnen. In '94 probeerde hij nog een comeback, maar dat mislukte. Weissflog en Nykänen waren de top, de Engelsman Eddie ' the eagle' Edwards was de kluns, maar meer dan de Duitser en de Fin dé lieveling van het publiek. Op een blauwe maandag had Edwards als eerste en overigens enige Brit ooit ergens in Australië het internationaal olympisch minimum gesprongen voor de winterspelen van '88. Edwards was de amateur pur sang die al vlug gesponsord werd door een kleine luchtvaartmaatschappij zodat hij meer kon trainen. Hij eindigde steevast laatst in de wedstrijden, maar kon altijd rekenen op grote belangstelling, wegens z'n stuntelige stijl, maar ook door z'n voorkomen met z'n grote bril met dikke glazen en zijn allesbehalve sportieve uiterlijk. De Brit woog zo'n dertig kilogram meer dan de doorsnee springer. Hij zat ook niet verlegen om een sterke of jolige uitspraak zo nu en dan. De andere atleten noemde hij saai, onmondig en jaloers. Na een mislukte poging om zich te kwalificeren voor de Spelen van Nagano in 1996 hield Edwards het voor bekeken. De adelaar verdiende daarna een paar jaar z'n brood door als stuntspringer over bussen en auto's te vliegen op markten en braderijen. Z'n droom, stuntman worden in Hollywood, heeft ie niet kunnen verwezenlijken. BIG BUSINESSDe voorbije twee seizoenen werd het wereldbekercircuit gedomineerd door de Duitsers Schmitt en Hannawald, de Fin Ahonen en de Oostenrijkers Wildhölzl en Goldberger. De Japanners, nog bij de top op de vorige Winterspelen in Nagano, zijn wat weggezakt. Sinds Schmitt stormenderhand naar de top is doorgestoten, is schansspringen vooral in Duitsland de eerste wintersport en big business geworden. Martin Schmitt won de voorbije twee jaar de wereldbeker met één keer tien en één keer elf zeges. Nooit eerder gezien en dus kwamen al snel de bijnamen. Schmitt is 'de engel van de schans, de vliegende god'. Schmitt is pas eenentwintig jaar en moet alleen nog het vierschansentornooi winnen en olympisch goud behalen om een compleet palmares te hebben. Insiders zeggen dat Schmitt de enige is die de erelijsten van Weissflog en Nykänen kan overtreffen. Vorig jaar werd hij sportman van het jaar in Duitsland. In een populariteitspoll scoorde hij hoger dan Jan Ullrich en Bayern München en was hij de evenknie van Michael Schumacher. Alleen al in 2000 verdiende hij zo'n 80 miljoen frank met publicitaire contracten. Voor een uurtje handtekeningen zetten vangt hij één miljoen. Inpikkend op de enorme populariteit van Schmitt tekende de commerciële zender RTL een contract met de Duitse federatie voor een bedrag van 960 miljoen voor drie jaar. RTL zendt zo ongeveer elke sprong van wereldbeker, WK en vierschansentornooi live uit. Want als Schmitt het laat afweten, is Sven Hannawald wel daar. Hannawald werd vorig jaar wereldkampioen, was ook de beste in het skivliegen en won dit seizoen al twee van de drie wereldbekerwedstrijden. Maar Hannawald is ook het levende voorbeeld dat niet alles rozengeur en maneschijn is in het skispringen. Hannawald is de magerste van alle springers. Toen hij merkte dat hij met 70 kilogram voor 1,84 meter niet in aanmerking kwam voor het podium vermagerde hij drastisch, tot onder de 60 kilogram. Toen foto's van een uitgemergelde Hannawald, op vakantie in Egypte, in gespecialiseerde bladen de wereld rondgingen besefte men pas dat de man, net als andere springers wellicht, aanvallen had van anorexia en anderzijds boulimie. Hannawald spreekt dat tegen, maar geeft wel toe dat hij te drastisch op dieet is gegaan, gewoon omdat hij anders de voeling met de top zou hebben verloren : 'Ik heb mezelf geweld aangedaan. Ik werd de voorbije twee seizoenen geleefd. Ik ben blij dat we de boom van het skispringen mogen beleven, maar besef ook dat ik door alle verplichtingen, de enorme mediabelangstelling, de druk van de supporters en sponsors eronderdoor ben gegaan. Trainingen waren voor mij een hel, ik sliep 's nachts niet meer, ik voelde me net vijftig jaar. Ik weet dat er springers zijn die tegenwoordig niet meer naar boven vertrekken zonder hun mentale begeleider. Dat mocht bij mij niet gebeuren. Ik heb ingegrepen en ben weer fris in het hoofd. Ik weeg nu opnieuw 65 kilogram en blijkbaar kan ik ook daarmee nog wedstrijden winnen.'Dirk Gerlo