Het was bijna halfacht 's avonds op 18 juni 1815. De velden van Waterloo lagen bezaaid met lijken, kadavers, stervende soldaten en vreselijk verwonde paarden. De hele dag was er zwaar gevochten, zonder noemenswaardig resultaat. Napoleon zelf realiseerde zich heel goed dat het nu alles of niets zou worden. Zes uur lang had hij tevergeefs geprobeerd een bres te slaan in Wellingtons defensie. Eindelijk liet de keizer acht nog beschikbare bataljons van zijn Garde de aanval inzetten naar Mont-Saint-Jean, de kern van het slagveld, waar nu de Leeuw van Waterloo prijkt. Wat op dat ogenblik telde was niet het getal, en zelfs niet de ervaring, maar de morele kracht. Na een driedaagse veldtocht en acht uur onafgebroken strijd en ellende, zou de slag worden gewonnen door de partij die het morele overwicht had. Wat dat betreft, gokte Napoleon juist. De geallieerde infanterie was zwaar aangeslagen, en minstens even uitgeput als zijn eigen troepen. Kwam daarbij de reputatie van de Garde Impériale, die diep in het bewustzijn van zelfs de laatste militiesoldaat verankerd was. Wat zou er gebeuren als de geallieerden de soldaten van de Garde in het wit van de ogen konden kijken? Het was een vraag die elke Britse en geallieerde officier wakker hield, want ze achtten de kans groot dat hun frontlinie het op een lopen zou zetten als ze de berenmutsen voor zich zag opdoemen. De formaties erachter zouden niet meer durven te vuren en eveneens weglopen. Het leger van Wellington zou oplossen in een oeverloze stroom dolgedraaide vluchtelingen die hun heil in het Zoniënwoud zochten en nooit meer een leger van betekenis konden vormen. Dat was een spookbeeld dat door alle hoofden is gegaan.
...