Het is bijna elf uur in de avond op de klok van mijn gastenkamer in het kapucijnenklooster van Oswiecim. Aan de overkant van de Kolbegostraat staat een donker, houten gebouw in het fletse licht van de straatlantaarns. Het is al jaren verlaten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het gebouwd als feestzaal van de SS. Het Dresdner Sinfonieorchest bracht er de soldaten in vervoering. Het Wiener Burgtheater kwam er kluchten spelen tijdens dolle soirees. De volgende ochtend ging het moorden verder. Op nauwelijks een paar vierkante kilometer rond deze plek werden meer dan een miljoen Joden, Polen en zigeuners vergast.
...

Het is bijna elf uur in de avond op de klok van mijn gastenkamer in het kapucijnenklooster van Oswiecim. Aan de overkant van de Kolbegostraat staat een donker, houten gebouw in het fletse licht van de straatlantaarns. Het is al jaren verlaten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het gebouwd als feestzaal van de SS. Het Dresdner Sinfonieorchest bracht er de soldaten in vervoering. Het Wiener Burgtheater kwam er kluchten spelen tijdens dolle soirees. De volgende ochtend ging het moorden verder. Op nauwelijks een paar vierkante kilometer rond deze plek werden meer dan een miljoen Joden, Polen en zigeuners vergast. Toen we een paar weken geleden in Warschau aan deze reis begonnen, kon ik niet vermoeden dat we ooit op deze plek zouden belanden. In geschiedenislessen wordt Auschwitz onveranderlijk beschreven als de lusthof van de duivel, het eindstation van de westerse beschaving. Wat had deze stad te maken met de Red Star Line, een verhaal van hoop, verwachting en wenkende horizonten? Het was me opgevallen dat het station van Oswiecim meermaals vermeld werd als opstapplaats voor landverhuizers in de lokale politiearchieven. Er was ook sprake van een populair reisbureau dat in de stad tickets verkocht voor de Red Star Line. En dan was er die vondst van een onderzoekster verbonden aan het museum van de Kazerne Dossin in Mechelen. In dossiers van gedeporteerden naar Auschwitz had ze Red Star Line-papieren aangetroffen. Om onbekende redenen waren de ongelukkigen niet naar Amerika gemigreerd, maar in Antwerpen blijven hangen. Waren ze voor de afvaart medisch of hygiënisch afgekeurd? Raakten ze niet door de controle op Ellis Island en werden ze terug-gestuurd? Had een liefde hen in de stad gehouden? Een liefde die achteraf dodelijk bleek? Of was het Antwerpen zélf dat hen verleid had om te blijven, de stad als femme fatale? Het is een ironie van de geschiedenis waar je als reporter bij toeval tegenaan botst en die je vervolgens duizelig achterlaat. Precies hier in Auschwitz-Birkenau, op de plaats waar zo veel Oost-Europese Joden via Antwerpen naar Amerika vertrokken, arriveerden later de transporten met Antwerpse gedeporteerden. De poort naar het paradijs, was evenzeer de poort naar de hel. Een draaideur. Voor we zouden doorreizen naar Antwerpen, wilde ik meer weten over de onbekende geschiedenis van Auschwitz, transitstad en terminus. Over de plek leek alles al gezegd en geschreven, maar voor het eerst drong het tot me door dat Auschwitz ook voor en na de Holocaust een geschiedenis had. En wat wist ik over de kampen? Weinig, als ik erover nadacht. Uit mijn geheugen kon ik niet veel meer dan een paar iconische foto's opdiepen. Uitgemergelde gevangenen in gestreepte pakken achter prikkeldraad. De Arbeit macht frei-poort. Bergen schoenen, haar en brillen. Een vlakte met kamppalen die als verbrande luciferkopjes gekromd in rijen staan. Beelden in zwart-wit. Ze zijn zo krachtig dat ik al de hele dag verbaasd ben Auschwitz in kleur te zien. Vanochtend trokken we op verkenning in de buurt van Oswiecim Centralna. Het station was aanvankelijk de afstapplaats voor de concen-tratiekampen, voor Bahnhof West gebouwd werd in 1942 en nog later perron Birkenau in gebruik genomen werd. Herman had vooral belangstelling voor een rij stalletjes die fastfood en drank verkochten. Ze stonden naast het station en waren betimmerd met uitbundige reclameborden in alle maten en kleuren. We waren die fascinerende nederzettingen met hun microkosmos van rondhangers en pendelaars ook al in Myslowice en Czestochowa tegengekomen. Er doemde een inzicht op. Vlamingen en Polen hebben iets gemeen: ze vrezen God en wantrouwen de overheid, maar in koterij tonen ze hun ware aard: de vrijgevochten ziel van de bricoleur. Het oude Oswiecim Centralna was verbouwd naar communistische smaak. De rustieke raambogen waren strakgetrokken, de muren in de hal waren met beige, marmeren platen bedekt. Een congresgebouw leek het wel. Achter het glas van de gesloten loketten hingen de uurregelingen en een kalender van 2010. Alleen in een hoek van de wachtzaal was nog wat leven. Een horlogewinkeltje zonder klandizie stond er dapper te vechten tegen de tijd. Boven de deur hing een elektrisch bord met de vertrekkende treinen. Ik telde nog drie bestemmingen: Katowice, Czechowice en Wieliczka. Voor de Eerste Wereldoorlog werd Oswiecim Centralna een belangrijk station dicht bij de internationale landverhuizerslijn Katowice, Breslau, Berlijn en de havens. In 1912 werden in Oswiecim 117 illegale reisagenten opgepakt die zich bezighielden met illegale emigratie en oplichting van emigranten. Ook in de lente van 1914 werden meerdere agenten aangehouden. Bij de namen van de reisbureaus waarvoor ze werkten, worden P. Canon en M.G. Freudberg in Antwerpen vermeld. Via de stationshal liep ik door naar de perrons. Op een braakliggend terrein, honderd meter verderop, stond het voormalige goederenstation van Oswiecim. Er leek al lang geen trein meer te stoppen. Misschien hadden de loodsen nog dienstgedaan als onderkomen voor de landverhuizers die in de stationsbuurt rondzwierven. Niet iedereen had geld voor een hotel of kon een beddenbak bemachtigen in de emigrantenbarakken. Vanochtend liepen er alleen twee straathonden rond. De loskade van het goederenstation was een klein stort. Tegen de gevel lagen uitgebroken plastic ramen en rioolbuizen. Maar tot mijn verbazing waren twee opslagplaatsen van het station nog in gebruik. In de ene zat een bouwmarkt, in de andere, jawel, een schoonheidssalon. Lena heette het. Rond de openstaande deur was de gevel felblauw geschilderd met een motief van bloemen en ballonnen. Een filmdecor, leek het. Het verbaasde me niet dat Herman deze onwaarschijnlijke, poëtische plek al ontdekt had. In een gangetje stond hij te overleggen met een paar bleke, spichtige meisjes om een foto te maken. Wat verder raapte een oud vrouwtje langs het treinspoor brokken steenkool tussen de bielsen. Het tafereel deed me denken aan 'Les hièrcheuses' van Willy Kessels: een foto van een kolenraapster op een terril in de Borinage, jaren dertig. Na een glasaan een van de drankstalletjesgingen we in de wijde omgeving van het station op zoek naar het pand waar het reisbureau van Zofia Biesiadecka gevestigd was. Het werkte voor de Red Star Line en was een draaischijf van de migratie naar Amerika. Mijn enige aanknopingspunt was één oude foto van het bureau: een royaal, burgerlijk pand in Oostenrijks-Hongaarse stijl dat zou kunnen doorgaan voor een Galicisch stadhuis. Op de voorgrond stond een groep van twintig mannen en vrouwen, wellicht bureaupersoneel en klanten. Bij navraag op straat bleek niemand het bureau te kennen. Een paar keer werden we routineus naar Museum Auschwitz doorverwezen, vanuit het idee dat een buitenlander in deze stad alleen in de Holocaust geïnteresseerd kan zijn. Toen we onze queeste bijna opgegeven hadden, liepen we er domweg tegenaan. Het stond op een hoek in de Dworcowastraat, op tweehonderd meter van het station, recht tegenover nachtcafé Hot Jack. Op het eerste gezicht leek het nog bewoond en goed onderhouden. Toen ik aanbelde, deed een zestiger open. Niemand had hem ooit naar de geschiedenis van het huis gevraagd, vertelde hij. Hij wist er ook niet veel over te melden, behalve dat zijn moeder het kort na de Tweede Wereldoorlog, wellicht in 1947, gekocht had van 'mevrouw Zofia' zelf. Het benieuwde me of hij ergens in het huis nog spullen of documenten teruggevonden had uit de tijd van het reisbureau. De naam van uitbaatster Zofia Biesiadecka klonk als een klok in Galicië en Russisch Polen. In politie-archieven zit een schat aan brievenmateriaal over haar bureau. Gestrande emigranten vroegen haar advies hoe ze alsnog in Oswiecim konden raken om door te reizen naar Amerika. Zo liet een radeloze Poolse boer uit het district Opatow haar weten dat hij met een groep van liefst vijftig Amerikagangers teruggestuurd was door de politie. Het zijn soms schrijnende brieven van mensen zonder perspectieven die hun laatste hoop op een betere toekomst in rook zagen opgaan. Adolf Ban, een bestuurder van Biesiadecka's reisbureau, was zelf een tipgever van de overheid. Zo signaleerde hij dat dienstplichtigen die zijn bureau geweigerd had door 'een hele bende geheime wervers die hier voortdurend bij het bureau rondhangen' geholpen werden. Maar Zofia Biesiadecka zelf werd ook beschuldigd. Dat blijkt onder meer uit een verklikkersbrief uit 1913 van een Pruisisch ambtenaar aan het politiebestuur in Wenen: 'Dit bureau is buitengewoon schadelijk voor Galicië omdat het duizenden dienstplichtigen onder verscheidene voorwendselen en dekmantels naar Amerika en Canada smokkelt.' Deze geschiedenissen waren de eigenaar niet bekend. 'Je bent de eerste die mij die dingen komt zeggen. Ik kan je alleen meedelen dat dit huis een lopende rekening is. Het ziet er prachtig uit, maar de onderhoudskosten zijn enorm.' Hij liep me voor naar de achterkant van het gebouw en wees met een vermoeid gebaar naar de afbladderende achtergevel. Tussen de stukken loshangende pleister en verf was duidelijk het bouwjaar 1904 te lezen. Zofia Biesiadecka kreeg haar concessie voor het reisbureau in 1901. Wellicht boerde ze zo goed dat ze al na een paar jaar naar dit riante adres kon verhuizen. Rond de eeuwwisseling en zeker in de jaren voor de Eerste Wereld-oorlog was de migrantenbusiness een goudmijn. Op het middaguur trokken we naar Scorpion, een restaurant tegenover Oswiecim Centralna. In de hal hing een uitvergrote gravure van het gebouw in 1905. Hotel Zator stond op de voorgevel geschilderd. De bouwstijl was traditioneel, landelijk Oostenrijks. Het oude gebouw was nog nauwelijks te herkennen in Scorpion. Onder communistisch bewind werd ook dit Hotel Zator verbouwd tot een anonieme blokkendoos. In de eetzaal waren alle tafels op één na bezet door een groep Aziatische Holocausttoeristen. Ze kwamen een hap eten in de pauze van hun bezoek aan Kamp Auschwitz en Kamp Birkenau. Een melodieus gebabbel vulde de gelagzaal. Digitale camera's gingen van hand tot hand en de oogst foto's werd besproken. Tot een Poolse begeleider het gezelschap even om aandacht vroeg en meldde dat ze zo meteen weer de bus opgingen. Terwijl Herman de tafeltaferelen vastlegde, arriveerde onze gast op de afspraak: Rotterdammer Hans Citroen, kunstenaar en Auschwitz-auteur. Ik wilde hem ontmoeten in de hoop het onvatbare Oswiecim beter te begrijpen. Hans heeft een dubbele, intieme band met deze stad. Zijn Joodse grootvader werd vanuit het Nederlandse kamp Westerbork gedeporteerd naar Auschwitz-Birkenau waar hij dwangarbeid verrichtte in de wasserij. En begin jaren negentig ontmoette Hans zijn latere vrouw Barbara Starzynska, toevallig geboren en getogen in Oswiecim. Samen schreven ze Auschwitz/Oswiecim, het verhaal van hun persoonlijke obsessie met de verborgen geschiedenissen van de stad. Sinds ik het boek een paar maanden geleden ontdekte, liet het me niet meer los. Hans had een verrassing meegebracht. Op de restauranttafel klapte hij z'n notebook open en klikte de bouwtekening van het hotel op het scherm. 'Zator was een bekend hotel voor landverhuizers die in Oswiecim op de trein wachtten naar een van de havens met een verbinding naar Amerika', wist hij. 'Veel migranten met een ticket voor Antwerpen brachten onder dit dak de nacht door. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het een sociëteit van de Waffen-SS, het Führerheim. Heinrich Himmler is hier twee keer over de vloer geweest. Er bestond zelfs een plan om een kamer voor hem in te richten. Ik heb een kopie van de ontwerptekening. Himmler was de baas van de SS, de enige naast Adolf Hitler die zich ook Führer mocht noemen.' Hans vroeg de ober naar de geschiedenis van het hotel. De jongeman trok grote ogen en beende weg om te informeren bij de rest van het zaalpersoneel. Met verontschuldigende gebaren stond hij even later weer aan onze tafel. Niemand wist iets. De landverhuizers, de SS-sociëteit? Nooit over gehoord. 'Dat antwoord had ik verwacht', zei Hans. 'De mensen hier zijn niet nieuwsgierig naar het verleden. Of preciezer: ze kijken ervan weg en zwijgen erover. De bevolking van Oswiecim bestaat voor 95 procent uit inwijkelingen die zich na de Tweede Wereldoorlog kwamen vestigen. Dat verklaart voor een deel die onwetendheid. Maar het is méér. Ze willen geen gezeur over het verleden en de oorlog, zeker niet als een buitenlander zich ermee komt bemoeien.' We rekenden af en besloten een ritje te maken. Oswiecim kwam over als een verbrokkelde, onsamenhangende stad. De wijken zaten niet alleen vol gaten en braaklanden, ze leken ook nog eens willekeurig bij elkaar geharkt. Voorbij het stationskwartier reden we een drukke weg op die in al zijn wilde anarchie alweer zeer Belgisch oogde. Ik waande me ergens tussen Kortrijk en Kuurne. Aan beide zijden stonden garages, bouwmarkten en winkels die elkaar overschreeuwden met reclameslogans. Hoewel niets erop wees, reden we dwars door een industriegebied dat de SS had gebouwd. 'Zie je die discount voor sanitair?' vroeg Hans. 'Op die plek was de fabriek van kamppalen gebouwd. Ongeveer 25.000 zijn er in deze stad neergezet.' Aan de overkant lagen een metaalsloopbedrijf en een houtopslag. 'Tijdens de oorlog was er de zogenaamde Kanada gevestigd. Daar werd de bagage van de gedeporteerden gesorteerd. Kampgevangenen die daar werkten hadden geluk. Ze hadden een dak boven hun hoofd en vonden in de bagage worst en potten jam die ze konden opeten. Daardoor verdikten ze als enigen, wat bij de andere gevangenen wantrouwen opwekte.' Kanada. Toevallig een bestemming van de Red Star Line. Op deze plaats klinkt de naam onwezenlijk. Hans herinnerde zich iets. 'Achter de Kanada stonden voor de oorlog houten barakken van landverhuizers die vanuit Oswiecim vertrokken naar de Duitse havens en Antwerpen. De SS liet ze afbreken door kampgevangenen om er de Deutsche Ausrüstungswerke te bouwen, fabrieken voor granaathulzen en betonijzer. In de buurt stonden ook de Krupp-fabrieken.' Verderop bij Bahnhof West liepen spoorrails tussen opgeschoten onkruid, vlier en bramen. Aan de rand van de site lag een smalle, lange wal van kiezels. Er groeiden kleine, gele winterbloemen tussen de steentjes. Het waren de eerste levende bloemen die ik dit jaar zag. 'Daaronder zat de Judenrampe, een houten perron van vijfhonderd meter lang met aan elke kant één spoor', vertelde Hans. 'Blijft niets van over. En in geschiedenisboeken vind je er weinig of niets over terug. Nochtans is dit de aankomstplaats van vrijwel alle Europese Joden, dus ook de Antwerpse, met bestemming Auschwitz. Tot mei 1944 kwamen de gedeporteerden voor kamp Birkenau hier aan.' Tweehonderd meter voorbij de Judenrampe lag een omgeploegdterrein met diepe voren en putten. Overal slingerden achtergelaten plastic emmers en schopjes rond. Er leek niemand aanwezig, tot er ineens een mauve puntmuts uit een put te voorschijn kwam. Ze behoorde toe aan een haveloze, verwilderde man van in de vijftig met een verweerde, donkere huid. Met een stuk verroeste spade zat hij in de grond te wroeten. Zijn oogst lag in een lege verf-emmer. Wat ijzerdraad, een verroeste moer, een metalen plaatje. 'Het is een goudzoeker,' zei Hans. 'Dit is een van de plekken waar de as van de crematoria uitgestort werd. Daar zaten vaak nog ringen en andere sieraden tussen. Overal in Auschwitz bots je tegen verborgen geschiedenissen aan.' Tranzyt Antwerpia. Reis in het spoor van de Red Star Line verschijnt volgende week bij De Bezige Bij Antwerpen. Pascal VerbekenHad een liefde hen in de stad gehouden? Of was het Antwerpen zelf dat hen verleid had om te blijven?