Hij is de eerste Nederlander die erin slaagt om een topfunctie in de Belgisch museumwereld in de wacht te slepen. En dan nog in Brugge, waar tot voor kort lui van buiten de stadsmuren als pottenkijkers werden bekeken. Maar toen nepotisme en non-beleid zelfs de bedaarde stadsvaderen te veel werden, was het aanwerven van een buitenstaander plots een zegen. In de jury, die de geboren Nijmegenaar Manfred Sellink (39) in open examens uitverkoos tot hoofdconservator van de Brugse stedelijke musea, zat niemand uit de politiek. Uiteraard was het wél de politiek die de contouren van de opdracht vastlegde: een modern museumbeleid uitwerken, het conglomeraat van twaalf stadsmusea reorganiseren, en ze meer binnen de Vlaamse en internationale museumwereld plaatsen en activeren.
...

Hij is de eerste Nederlander die erin slaagt om een topfunctie in de Belgisch museumwereld in de wacht te slepen. En dan nog in Brugge, waar tot voor kort lui van buiten de stadsmuren als pottenkijkers werden bekeken. Maar toen nepotisme en non-beleid zelfs de bedaarde stadsvaderen te veel werden, was het aanwerven van een buitenstaander plots een zegen. In de jury, die de geboren Nijmegenaar Manfred Sellink (39) in open examens uitverkoos tot hoofdconservator van de Brugse stedelijke musea, zat niemand uit de politiek. Uiteraard was het wél de politiek die de contouren van de opdracht vastlegde: een modern museumbeleid uitwerken, het conglomeraat van twaalf stadsmusea reorganiseren, en ze meer binnen de Vlaamse en internationale museumwereld plaatsen en activeren.Sellink, die van januari 1991 tot februari 2001 het prenten- en tekeningenkabinet van het Rotterdamse Boijmans Van Beuningenmuseum leidde, weet overigens best hoe een stedelijk museum met de politiek moet omgaan: 'Hoe actiever je bent als museum, hoe meer je jezelf laat gelden en zelf met planningen komt, hoe minder de politiek geneigd is om iets op te dringen. De politiek grijpt in wanneer er geen ideeën in de musea zijn.' Naar analogie met wat in de theaterwereld gebruikelijk is, wordt het 'hoofdconservatorschap' bijna een duobaan. Sellink krijgt naast zich een zakelijk directeur in de persoon van Walter Rycquart, ex-kabinetschef van Antwerpens schepen van Cultuur Eric Antonis. Beiden zijn vast van plan om zich intens met elkaars zaken te gaan bemoeien. Die zaken zijn sowieso met elkaar verweven. 'We kunnen wel een heel mooi inhoudelijk project maken, maar je zit daar met zoveel financiële, organisatorische, personele aspecten, dat je dat niet kunt scheiden. We hebben natuurlijk wel afzonderlijke aandachtsvelden, maar we zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het beleid', zegt hij. Management is zijn kernwoord. Wat dat betekent, drukt de tekeningenspecialist in sporttermen uit: iemand die de krijtlijnen van het speelveld trekt, de discussie aanzwengelt en de verschillende conservatoren 'faciliteert' in plaats van betuttelt. Met andere woorden, Sellink is niet van plan om in hun plaats te denken en plannen te maken. Hij verwacht een erg actieve inbreng. Tegelijk zal hij het kader veranderen waarin ze werken. De twaalf afzonderlijke musea worden tot drie, hooguit vier 'museale groepen' herleid. Die moeten naar een punt worden gebracht, waarin ze een zelfstandig beleid kunnen gaan voeren. 'Ik zie mezelf niet als een klassiek directeur die zegt: jij doet dit, jij maakt die tentoonstelling. Nee, zij moeten vooral doen waar ze goed in zijn.'VLAAMSE PRIMITIEVENSinds 1 februari heeft hij zijn intrek genomen in een alsnog erg kaal bureau op de eerste verdieping van het zeventiende-eeuwse gebouwtje in de tuin van het Groeningemuseum. Maar zijn relatie met Brugge dateert niet van gisteren. In 1978 zat hij in het voorlaatste jaar van het gymnasium toen hij met de klas een culturele reis maakte naar de Vlaamse historische steden Gent, Antwerpen en Brugge. Het bleek een beslissende trip voor zijn verdere leven. In plaats van geschiedenis of klassieke talen te gaan studeren zoals hij van plan was, koos hij voor kunstgeschiedenis. De liefde voor de Vlaamse Primitieven zat daar voor iets tussen. Hij studeerde aan de universiteit van Utrecht, specialiseerde zich in grafiek en tekenkunst tijdens de zestiende eeuw in de Nederlanden en maakte in 1997 zijn doctoraalscriptie over het atelier van de Antwerpse graveur en uitgever Philips Galle. Zo leerde hij zijdelings al Pieter Bruegel de Oude kennen, van wie Galle verschillende prenten graveerde en uitgaf. Toen Sellink, na een functie als medewerker aan de universiteit van Utrecht te hebben bekleed, in het prentenkabinet van het museum Boijmans Van Beuningen belandde, kon hij zich pas volop aan Bruegel wijden. Want hij trof er diens bijna complete gegraveerde oeuvre en zeven originele tekeningen aan. Dat was de basis waarmee hij de grote tentoonstelling Pieter Bruegel de Oude / Meestertekenaar zou opzetten (van 23 mei tot 5 augustus 2001), al had hij niet voorzien dat het zijn afscheid van Boijmans zou worden. Manfred Sellink liet zich nooit voor één gat vangen. Zijn specialiteit mag dan oude tekeningen zijn, voor manifestaties met hedendaagse grafiek haalde hij zijn neus niet op. De tentoonstelling, gewijd aan de tekeningen van David Hockney, was bepaald een hoogtepunt. Ook toen al liet hij zich niet in de wetenschappelijke kanten van de job opsluiten. De beleidsmatige kant prikkelde hem minstens evenzeer. Zozeer zelfs, dat hij almaar meer zin kreeg om zelf vorm te geven aan het beleid. Of ze het in Brugge geweten hebben of niet, de zo zacht- en gelijkmoedig overkomende Sellink ging samen met enkele andere Boijmansconservatoren een krachtmeting aan met de Vlaamse directeur Chris Dercon. Ze brachten het conflict ook naar buiten, in de pers. De discussie ging over management én over inhoudelijke zaken, meer bepaald de vraag: hoe ga je met kunst om? 'Mijn gevoel is dat voor Chris Dercon kunst een illustratie is van een ideologisch verhaal dat hij wil vertellen. Dat is gerechtvaardigd. Maar dat is niet wat ik wil. Ik zie kunst daarom niet als iets wat zuiver autonoom is maar wel als iets wat je respecteert en waar je naar mijn gevoel kunsthistorisch en historisch integer mee moet omgaan.' Niettemin kreeg Sellink voldoende speelruimte om bijvoorbeeld de Bruegeltentoonstelling volgens eigen inzichten in te richten. En wat hij niet kreeg, nam hij gewoon, want 'zo gemakkelijk laat ik mij ook niet afstoppen...'. Nog voor hij zelf tot hoofdconservator in Brugge werd benoemd, had hij dus al ruim de tijd om te reflecteren over de limieten van het directeurschap. Dat een directeur van bij zijn aantreden meteen vorm kan geven aan zijn idealen, is een illusie. Slechts langzaam trekt hij de krijtlijnen, hij is en blijft afhankelijk van de individuele spelopvattingen en de kwaliteiten van zijn spelers. Zo kan het een tijd duren eer zijn ideeën ook werkelijk gestalte krijgen. Was het alleen liefde voor de Vlaamse Primitieven geweest die hem naar de job lokte, hij zou er vast een kater aan overhouden. Maar Sellink houdt ook van 'complexe situaties'. Bijvoorbeeld collecties van hoog niveau die te weinig benut zijn, waar te weinig communicatie en educatie aan te pas gekomen zijn. Aan de kwantiteit van het museumbezoek in Brugge (800.000 bezoekers per jaar) moet er weinig gebeuren, de kwaliteit laat echter te wensen over. Kunstwerken exposeren, is mooi, maar een context aangeven, is even noodzakelijk. Wat was Brugge in de vijftiende eeuw? Wat is het Vlaams expressionisme? Sellink staat de creatie van een historisch museum van de stad voor ogen, niet aan één plaats gebonden, maar als een aaneenschakeling van facetten, netjes over verschillende plekken gespreid en ingebed in een doorlopend verhaal. Manfred Sellink neemt zijn tijd. Pas in 2003 zullen de eerste manifestaties in de nieuwe stijl in Brugge te zien zijn. Dit jaar wordt gewerkt aan de reorganisatie van de musea en aan de voorbereiding van de al langer geplande evenementen in het kader van Brugge Culturele Hoofdstad 2002. Met name een Jan Van Eyck-tentoonstelling organiseren (in Groeningemuseum) is vast geen lachertje. De expertise, de nuchterheid en de rust van Manfred Sellink zullen Brugge daarbij al van pas komen. Jan Braet