Opinie

Sarah Schoenmaekers

‘Hoger onderwijs enkel in het Nederlands?  Yes sir! (Zolang er maar uitzonderingen zijn)’

Sarah Schoenmaekers Hoofddocent Europees recht aan de Universiteit Maastricht

Sarah Schoenmaekers staat stil bij een recent arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de onderwijstaal in het hoger onderwijs.

Uit een recent rapport van het Vlaamse Talenplatform blijkt dat het slecht gesteld is met het taalniveau van de leerlingen in het secundair onderwijs. Ervaren leerkrachten vinden in grote mate dat de kwaliteit van de uitstroom van taalopleidingen in het hoger onderwijs bewaakt moet worden om de kwaliteit van het taalonderwijs in secundaire scholen te bevorderen.

Ook bij ‘niet-taalopleidingen’ in het hoger onderwijs speelt taal een grote rol. Het gaat dan niet enkel om studies zoals rechten, logopedie of journalistiek maar net zozeer om hotelmanagement, tandheelkunde of geneeskunde. Wanneer een arts in Vlaanderen de Nederlandse taal niet voldoende machtig is om te begrijpen voor welk ongemak een patiënt naar de raadpleging komt, is het risico op verkeerde behandeling groter dan normaal. Dat taal een belangrijke rol speelt in vrijwel elke opleiding van het hoger onderwijs is dan ook een feit.

De aanbieding van opleidingsonderdelen in (vrijwel enkel) de Nederlandse taal is voor universiteiten en hogescholen van de Vlaamse Gemeenschap een basisregel die voortvloeit uit de Codex Hoger Onderwijs. Nochtans leidt dit ertoe dat het voor studenten uit andere lidstaten van de Europese Unie minder gemakkelijk is om een opleiding in Vlaanderen te volgen. Ook is het minder evident voor buitenlandse hogeronderwijsinstellingen om een vestiging in Vlaanderen op te richten.

Terwijl men hier voor- of tegenstander van kan zijn, kan het niet worden ontkend dat dit lijnrecht indruist tegen de Europese beginselen van vrij verkeer. Die beginselen, die door de lidstaten moeten worden gerespecteerd, geven o.a. aan personen uit de Europese Unie het recht om zich binnen de EU te verplaatsen zonder enige hinder te ervaren. De Codex Hoger Onderwijs lijkt dan ook op wankele benen te staan… Of niet?

Op 7 september werd er door het Hof van Justitie van de Europese Unie een arrest uitgesproken in de Letse zaak Cilevičs. In deze zaak had het Grondwettelijk Hof van Letland een prejudiciële vraag gesteld naar aanleiding van een procedure die gevoerd werd omwille van een wijziging van de Letse Wet op de Hogeronderwijsinstellingen.

Door deze wetswijzing mag het hoger onderwijs in Letland in principe enkel in het Lets worden aangeboden. Het Letse Grondwettelijk Hof wenste daarom van het Luxemburgse Hof te vernemen of het vrij verkeer in de weg staat aan de nationale regeling. Het Hof van Justitie is formeel: Hoewel onderwijs geen Europese bevoegdheid is maar een bevoegdheid van de lidstaten, zijn de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid verplicht om het vrij verkeer te waarborgen. Opleidingsprogramma’s die enkel in de officiële taal van een lidstaat worden aangeboden beperken aldus het vrij verkeer.

In haar arrest vervolgt het Hof echter dat een beperking toch toelaatbaar kan zijn in geval van  een ‘dwingende reden van algemeen belang’. Er dient aldus een gegronde reden te zijn die een beperking rechtvaardigt. In dit kader stelde de Letse wetgever dat de wetgeving tot doel heeft het gebruik van de Letse taal te verdedigen en te bevorderen. Het Hof van Justitie volgt dit standpunt en oordeelt dat het Europese recht niet in de weg staat aan het voeren van een beleid tot bescherming en bevordering van een officiële taal. Het specifieke belang van de onderwijssector voor de verwezenlijking van dit beleid kan uiteraard niet worden ontkend.

De bescherming van de nationale taal vormt aldus een nobel doel dat een beperking op het vrij verkeer kan rechtvaardigen. Dit is echter enkel het geval wanneer de beperking, nl. het (in beginsel) uitsluitend aanbieden van onderwijs in de nationale taal, ook effectief ‘geschikt’ is om dat doel te verwezenlijken. Hoewel het aan het Letse Grondwettelijk Hof toekomt om hierover te oordelen, geeft het Hof van Justitie enkele ‘aanwijzingen’ die nuttig kunnen zijn bij de beoordeling. Zo stelt het Hof dat aangezien er slechts enkele uitzonderingen bestaan op de taalverplichting (zoals voor studieprogramma’s die worden aangeboden in het kader van internationale overeenkomsten en programma’ s die worden gevolgd door buitenlandse studenten), er volgens haar geen zorg kan zijn dat de verwezenlijking van het doel in de weg komt te staan of dat de regeling onsamenhangend zou worden. Zeer opmerkelijk is dat het Hof door deze ‘aanwijzing’ in principe geen enkele ruimte laat aan het Grondwettelijk Hof. Tenslotte, om helemaal vrijgeleide te krijgen dient de beperking in de Letse wetgeving ook noodzakelijk te zijn en mag zij niet verder gaan dan nodig is om het doel te bereiken (evenredigheid).

Ook op dat vlak geeft het Europese Hof een ‘aanwijzingen’: wanneer een nationale regeling zonder enige uitzondering oplegt dat hogeronderwijsprogramma’s in de officiële taal worden aangeboden, gaat deze regelgeving voorbij aan wat noodzakelijk en evenredig is om het doel te bereiken. Het gebruik van een andere taal zou ten minste mogelijk moeten zijn voor opleidingen op het gebied van andere talen en culturen en voor opleidingen die worden aangeboden in het kader van een Europese of internationale samenwerking.

Onderwijs in een andere taal doet zich in velen landen echter ook voor bij opleidingen op het gebied van economie, biofysica of internationale bedrijfskunde. Studenten zullen na afloop van zo een studie immers vaak terecht komen in beroepen waarin vooral de Engelse taal wordt gebezigd. Ook in Vlaanderen is het op basis van de Codex Hoger Onderwijs voor hogescholen of universiteiten mogelijk om onder bepaalde voorwaarden een initiële bachelor- of masteropleiding in een andere taal dan het Nederlands te doceren. Zo kan er aan de Vrije Universiteit Brussel de academische bachelor Business Economics worden gevolgd, aan de KU Leuven de bachelor Engineering Technology, aan de Universiteit van Gent de bachelor of Science in Political Science en aan de Antwerp Martime Academy de Franstalige bacheloropleiding Mécanique Navale.

Hoewel het arrest van het Hof in eerste instantie niet direct tot verbazing leidt, geeft het aan de nationale wetgever eens te meer de bevestiging dat in tijden van globalisering aandacht voor de nationale taal geheel gerechtvaardigd is, tenminste uit een oogpunt van vrij verkeer. Het staat aan de Vlaamse Regering dus vrij om te bepalen in welke mate er strikt wordt vastgehouden aan het Nederlands of om te beslissen dat opleidingen in een andere taal, zoals bijvoorbeeld het Engels, eerder aan de noden van de markt voldoen. Hoe ver men wil gaan met het aanbieden van onderwijs in een andere taal, dient dus naar eigen inzicht te worden geregeld. Gaat de regering niet ver genoeg en wordt er dus niet voorzien in uitzonderingen op het gebruik van de eigen taal, dan zal het evenredigheidsbeginsel worden geschonden. Gaat men  te ver en laat men toe dat vele opleidingen uitsluitend in een andere taal worden aangeboden, dan kunnen studenten uit Vlaanderen die de andere taal niet voldoende machtig zijn worden uitgesloten van het recht op onderwijs. Hier gaat het Hof niet op in, hetgeen wellicht te maken heeft met het feit dat omgekeerde discriminatie door het EU-recht niet wordt verboden en ook niet veelvuldig voorkomt.

In ieder geval lijkt het erop dat zolang er maar ‘uitzonderingen’ bestaan op de regel die het gebruik van de officiële taal verplicht stelt, er vanuit EU-perspectief geen wolkje aan de lucht is. De toekomst zal moeten uitwijzen of dit niet een al te simplistische redenering is aangezien lidstaten de beginselen van het vrij verkeer naast zich neer lijken te kunnen leggen zodra zij blijk geven van een enkele uitzondering.  

De Letse regelgeving kent overigens meerdere uitzonderingen: niet enkel voor taal- en cultuurstudies maar ook voor studieprogramma’s die worden gevolgd door buitenlandse studenten en programma’s die worden georganiseerd in het kader van de internationale overeenkomsten. Deze mogen worden georganiseerd in een andere officiële taal ‘van de Unie’. Dit maakt het echter onmogelijk voor onderwijsinstellingen om te doceren in het Russisch, de taal van de Russische minderheid in Letland. Hoewel er aan het Hof -wellicht bewust- geen prejudiciële vraag werd gesteld over de status van minderheidstalen nu dit duidelijk een politiek gevoelig onderwerp is, kan toch worden vermeld dat een schending van het verbod om nationale minderheden te discrimineren evenzeer kan worden gerechtvaardigd door een doelstelling van algemeen belang als ook het evenredigheidsbeginsel wordt nageleefd. Het blijft raden hoe het Hof een concrete evaluatie hiervan precies vorm zou geven.

Hoger onderwijs in Vlaanderen in het Nederlands … het is dus geen probleem. Zolang er maar uitzonderingen bestaan op het gebruik van het Nederlands zullen ze er in Luxemburg in ieder geval niet wakker van liggen. In Vlaanderen uiteraard ook niet. De Codex Hoger Onderwijs kent tal van mogelijkheden om opleidingen of opleidingsonderdelen in een andere taal aan te bieden.  Of men ter bevordering van de Nederlandse taal en cultuur strikter zou moeten zijn, lijkt niet het geval. Laten we eerst maar eens zien wat er gebeuren gaat met de aanbevelingen uit het rapport van het Vlaamse Talenplatform ten aanzien van het secundair onderwijs. Daar lijken de noden erg hoog en staan er vele uitdagingen te wachten. Maar zoals bij elke stap naar verbetering geldt: No pain, no gain!

Sarah Schoenmaekers is universitair hoofddocent Europees recht aan de Universiteit Maastricht en bijzonder hoogleraar Europees recht, meer specifiek op het gebied van de ‘cultureel gecorrigeerde markteconomie’, aan de Open Universiteit. Zij is de directeur van de masteropleidingen van de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Universiteit Maastricht.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content