Tabula rasa in het echt: de gevolgen van een hersenletsel op het jonge brein

An Swerts Journaliste BodyTalk magazine

Wat als je al op jonge leeftijd een niet-aangeboren hersenletsel oploopt? Vooral de gevolgen op de lange termijn zijn niet eenvoudig te voorspellen.

Niet-aangeboren hersenletsels (NAH) bij kinderen en jongeren zijn meestal het gevolg van verkeers- of andere ongevallen. In medische termen spreekt men van traumatische hersenletsels. Precieze Belgische cijfers zijn er niet, maar volgens een Nederlandse studie (*) lopen jaarlijks zo’n 113 op de 100.000 personen jonger dan 24 jaar een hersenletsel van die aard op. Verder kunnen niet-aangeboren hersenletsels ook bijvoorbeeld het gevolg zijn van een bloeding, ontsteking of tumor in de hersenen, of van een ernstige epileptische aanval.

De impact van een NAH hangt af van vele factoren: welke hersenzone precies is aangedaan, hoe uitgebreid het letsel is, de leeftijd bij het voorval, enzovoort. Bij jonge kinderen wordt meer hersenplasticiteit verwacht (het vermogen van de hersenen om zich aan te passen). Anderzijds hebben zij nog maar weinig vaardigheden ontwikkeld waarop ze kunnen terugvallen. Vooral de gevolgen op de lange termijn zijn, zeker bij kinderen en jongeren, niet eenvoudig te voorspellen.

Beni Kerkhofs, orthopedagoog en directeur zorg in Pulderbos (revalidatiecentrum voor kinderen en jongeren), illustreert dat met een voorbeeld. ‘Als een kind van 5 een hersenletsel oploopt, worden eventuele motorische of taalproblemen snel duidelijk. Maar of het letsel bijvoorbeeld ook problemen met plannen en organiseren veroorzaakt, zullen we pas veel later weten. Dat zijn vaardigheden die je normaal gezien pas op de leeftijd van 15 à 16 jaar goed onder de knie krijgt.’

Late sporen

In elke volgende ontwikkelingsfase kunnen er dus nieuwe problemen opduiken. Of die nog het gevolg zijn van het NAH, is vaak niet eenvoudig uit te maken. Denk bijvoorbeeld aan aandachts- en concentratieproblemen, die ook gewoon leeftijdsgebonden kunnen zijn. ‘Toch is het belangrijk de precieze oorzaak te achterhalen, want die bepaalt hoe je er het beste mee omgaat’, benadrukt Kerkhofs. ‘Aarzel als ouder dus niet om bij nieuwe problemen opnieuw gespecialiseerde hulpverleners in een revalidatiecentrum of daarbuiten te raadplegen.’

‘Soms kunnen we de problemen eenvoudig duiden en tips aanreiken om er beter mee om te gaan’, zegt Kerkhofs. ‘In andere gevallen stellen we misschien nog eens een kortdurend neurologisch of neuropsychologisch onderzoek voor – als het heel moeilijk loopt op school, bijvoorbeeld. Door onze bevindingen met die van de school samen te leggen, kunnen we de capaciteiten van het kind goed proberen in te schatten. Ouders hebben weleens de neiging die te overschatten, met de beste bedoelingen uiteraard. Maar om frustraties bij hun kind te voorkomen en erop toe te zien dat het zijn weg weer vindt, is het erg belangrijk dat het voldoende succeservaringen beleeft. Een vorm van onderwijs op zijn maat vinden is dus cruciaal.’

Zakcomputer

De diagnose van NAH geeft niet automatisch recht op bijzondere ondersteunende maatregelen in het onderwijs, zoals dat bijvoorbeeld wel geldt voor de diagnose van ADHD of autisme. ‘Toch hebben zeker niet alle maar wel een aanzienlijk deel van de kinderen en jongeren met een NAH baat bij bijzondere maatregelen’, merkt Kerkhofs op. ‘Of zij die vandaag ook krijgen, hangt sterk samen met hun individuele situatie. Ouders vertellen ons dat het al een heus verschil kan betekenen als gespecialiseerde hulpverleners de school briefen op scharniermomenten: wanneer het kind voor het eerst teruggaat of van het lager naar het middelbaar onderwijs overgaat, bijvoorbeeld. Als leerkrachten de mogelijke gevolgen van een NAH kennen, zullen ze sneller problemen opmerken en tijdig doorverwijzen voor gespecialiseerde hulp. Goed geïnformeerd zijn ze ook meer bereid om zo nodig technische hulpmiddelen toe te staan. Zoals een zakcomputer die bij geheugenproblemen herinnert aan werkopdrachten en afspraken.’

Rare vogel

Voor motorische beperkingen of lichamelijke klachten zoals hoofdpijn na een NAH toont de omgeving meestal spontaan veel begrip. Maar voor eventuele problemen met gedrag of gevoelens ligt dat weleens moeilijker. Dat ook problemen van die aard een rechtstreeks gevolg van een NAH kunnen zijn, is veel minder breed bekend.

Voor motorische beperkingen of lichamelijke klachten zoals hoofdpijn na een NAH toont de omgeving meestal spontaan veel begrip. Maar voor eventuele problemen met gedrag of gevoelens ligt dat weleens moeilijker.

‘Sommige kinderen of jongeren reageren bijvoorbeeld impulsiever na een NAH’, illustreert Kerkhofs. ‘Of ze zijn prikkelbaarder. Of verglijden snel van de ene in de andere gemoedstoestand. Andere kinderen lijken een verminderd invoelingsvermogen te hebben, of nemen nog weinig initiatief om dingen te zeggen of te doen. Sommigen krijgen het moeilijk met het begrijpen van gelaatsuitdrukkingen en non-verbale communicatie in het algemeen. Of ze weten niet meer hoe ze zich ‘sociaal aanvaard’ moeten gedragen. Ze maken bijvoorbeeld geen onderscheid meer tussen leerkrachten en leeftijdgenoten. Daar komt nog bij dat ze vaak van zichzelf niet vinden dat ze veranderd zijn. Het verwondert dus niet dat ze het vaak moeilijk krijgen om sociale contacten te onderhouden, terwijl ze er doorgaans wel veel nood aan hebben. Contact met lotgenoten kan dan heel belangrijk zijn, maar ook een aangepaste vrijetijdsbesteding, zoals in sportclubs die rekening houden met hun beperkingen.’

‘Zeker niet alle kinderen of jongeren met een NAH houden er dit soort problemen aan over’, besluit Kerkhofs. ‘We mogen ook niet vergeten dat een NAH altijd een soort van verlieservaring is. De verwerking op zich kan al met moeilijke gevoelens gepaard gaan, dus ook met moeilijk gedrag. Vooral adolescenten, die uit zichzelf heel zoekend zijn, blijven ondanks hun nieuwe beperkingen vaak nog lang streven naar hun vroegere leefwereld. Om zich in hun nieuwe leven weer goed te voelen, kunnen ze weleens psychologische steun gebruiken. Dat geldt overigens ook voor de ouders, want de impact op ouders en het hele gezin is uiteraard groot.’

(*) E. D. Van Pelt et al., ‘The incidence of traumatic brain injury in young people in the catchment area of the University Hospital Rotterdam, The Netherlands’, European Journal of Pediatric Neurology (2011).

www.NAHliga.be.

Partner Content