Een ijsje, frisdrank of cocktail... Wat koele verfrissing hoort vast en zeker bij deze warme zomer. Maar niet iedereen kan zonder zorgen genieten.

Eén op de elf volwassenen wereldwijd en 6,1 procent van de Belgen heeft diabetes of suikerziekte. Uit cijfers van de gezondheidsenquête blijkt dat het aantal gediagnosticeerde diabetici tussen 2006 en 2013 met 25 procent is toegenomen. Prognoses voorspellen een verdere stijging naar bijna 7% van de bevolking in de volgende decennia. Bovendien weten heel wat diabetici, namelijk 36%, gewoonweg niet dat ze diabetes hebben. Onbehandeld zijn de gevolgen - en de bijhorende kosten - groot. Hoe sneller je diabetes detecteert, hoe beter want hoe sneller je kan behandelen en hoe meer je schade voorkomt.

Om diabetes aan te pakken, moeten de gemeenschappen ten volle het gezondheidsbeleid bepalen.

Suikerziekte zorgt immers voor een verhoogd suikergehalte in het bloed. Een langdurig hoog glucosegehalte in het bloed is erg schadelijk voor de gezondheid en kan onder meer leiden tot een beschadiging van de hart- en bloedvaten, de nieren, de ogen en het zenuwstelsel.

Diabetes is in veel westerse landen de voornaamste oorzaak van cardiovasculaire aandoeningen, blindheid, nierfalen en amputaties.

Preventie

Voorkomen is beter dan genezen. Daarom moet Vlaanderen volop inzetten op detectie en preventie. Dat gebeurt al wel, denken we maar aan Vlaamse of lokale initiatieven zoals HALT2Diabetes, Zoet Zwanger of Bewegen op Verwijzing.

Het proefproject HALT2Diabetes kwam tot stand door een samenwerking van de Diabetes Liga met de Vlaamse overheid. De resultaten van het proefproject waren positief. In 2018 is gestart met de bredere invoering van die methodiek. De doelstelling van Zoet Zwanger bestaat erin de follow-up na zwangerschapsdiabetes te stimuleren. Het project Bewegen op Verwijzing helpt mensen die een gezondheidsrisico lopen door onvoldoende lichaamsbeweging of sedentair gedrag, om actiever en gezonder te leven.

Vlaanderen moet verder inzetten op preventie ook al doen we het beter dan in Wallonië: terwijl in Vlaanderen 53,93 per 1000 inwoners aan diabetes lijden, telt Wallonië 72,64 diabetespatiënten per 1000 inwoners. Het percentage vrouwen dat gediagnosticeerd wordt met zwangerschapsdiabetes, bedraagt in Wallonië 7,5 procent, ten opzichte van 3,7 procent in Vlaanderen.

Er gebeurt dus al veel, maar het gebeurt niet altijd gecoördineerd. Vlaanderen zou deze projecten daarom structureel moeten ondersteunen en uitrollen over heel Vlaanderen. We hebben nood aan een geïntegreerde langetermijnstrategie voor diabetespreventie en vroegdetectie.

Weg met de versnippering

Daarvoor is wel nood aan homogene bevoegdheden, waarbij de gemeenschappen ten volle het gezondheidsbeleid bepalen. Dat klinkt Wetstratees en abstract, maar is het niet. Zo behoort het preventieve gezondheidsbeleid, waar bijvoorbeeld screeningscampagnes onder vallen, tot de bevoegdheid van de gemeenschappen. De genezing en verzorging van mensen bij wie diabetes is vastgesteld, is dan weer een federale bevoegdheid. Dat gebrek aan homogeniteit is overduidelijk bij zwangerschapsdiabetes: tijdens de zwangerschap is het beleid federaal, maar het aangehaalde project Zoet Zwanger, dat de follow-up na de zwangerschap regelt, valt onder preventie en is dan weer een Vlaamse bevoegdheid. Eén probleem, één beleid dat de verantwoordelijkheid opneemt. Zo moeilijk kan het toch niet zijn?

Voor een langetermijnstrategie moeten we natuurlijk goed weten wat werkt, want momenteel wordt de effectiviteit van het beleid slechts gefragmenteerd opgevolgd op elk van de verschillende beleidsniveaus. De gegevens die Vlaanderen daarvoor nodig heeft, worden - helaas - voornamelijk op federaal niveau bijgehouden, bijvoorbeeld in het patiëntendossier.

Meten is weten

Ik pleit daarom voor duidelijke indicatoren, die bruikbaar zijn voor de verschillende beleidsniveaus. Pas op die manier weten we wat de effecten op de Vlaamse bevolking en de (kosten)efficiëntie zijn van ons beleid, met name van onze (vroeg)detectie en preventie.

De gemeenschappen moeten dan ook gemakkelijker toegang krijgen tot die federale gegevens zodat Vlaanderen sneller en accurater zijn beleid kan opvolgen en evalueren.

Een betere ontsluiting van deze gegevens is ook beter voor de patiënt: als hij aan het stuur van zijn zorg wil staan, moet hij zelf ook zijn traject kunnen opvolgen.

Lees ook een interview met Danielle Godderis-T'Jonck: '1 diabeticus op de 3 weet niet dat hij ziek is'

Een ijsje, frisdrank of cocktail... Wat koele verfrissing hoort vast en zeker bij deze warme zomer. Maar niet iedereen kan zonder zorgen genieten. Eén op de elf volwassenen wereldwijd en 6,1 procent van de Belgen heeft diabetes of suikerziekte. Uit cijfers van de gezondheidsenquête blijkt dat het aantal gediagnosticeerde diabetici tussen 2006 en 2013 met 25 procent is toegenomen. Prognoses voorspellen een verdere stijging naar bijna 7% van de bevolking in de volgende decennia. Bovendien weten heel wat diabetici, namelijk 36%, gewoonweg niet dat ze diabetes hebben. Onbehandeld zijn de gevolgen - en de bijhorende kosten - groot. Hoe sneller je diabetes detecteert, hoe beter want hoe sneller je kan behandelen en hoe meer je schade voorkomt.Suikerziekte zorgt immers voor een verhoogd suikergehalte in het bloed. Een langdurig hoog glucosegehalte in het bloed is erg schadelijk voor de gezondheid en kan onder meer leiden tot een beschadiging van de hart- en bloedvaten, de nieren, de ogen en het zenuwstelsel.Diabetes is in veel westerse landen de voornaamste oorzaak van cardiovasculaire aandoeningen, blindheid, nierfalen en amputaties.Voorkomen is beter dan genezen. Daarom moet Vlaanderen volop inzetten op detectie en preventie. Dat gebeurt al wel, denken we maar aan Vlaamse of lokale initiatieven zoals HALT2Diabetes, Zoet Zwanger of Bewegen op Verwijzing.Het proefproject HALT2Diabetes kwam tot stand door een samenwerking van de Diabetes Liga met de Vlaamse overheid. De resultaten van het proefproject waren positief. In 2018 is gestart met de bredere invoering van die methodiek. De doelstelling van Zoet Zwanger bestaat erin de follow-up na zwangerschapsdiabetes te stimuleren. Het project Bewegen op Verwijzing helpt mensen die een gezondheidsrisico lopen door onvoldoende lichaamsbeweging of sedentair gedrag, om actiever en gezonder te leven.Vlaanderen moet verder inzetten op preventie ook al doen we het beter dan in Wallonië: terwijl in Vlaanderen 53,93 per 1000 inwoners aan diabetes lijden, telt Wallonië 72,64 diabetespatiënten per 1000 inwoners. Het percentage vrouwen dat gediagnosticeerd wordt met zwangerschapsdiabetes, bedraagt in Wallonië 7,5 procent, ten opzichte van 3,7 procent in Vlaanderen.Er gebeurt dus al veel, maar het gebeurt niet altijd gecoördineerd. Vlaanderen zou deze projecten daarom structureel moeten ondersteunen en uitrollen over heel Vlaanderen. We hebben nood aan een geïntegreerde langetermijnstrategie voor diabetespreventie en vroegdetectie.Daarvoor is wel nood aan homogene bevoegdheden, waarbij de gemeenschappen ten volle het gezondheidsbeleid bepalen. Dat klinkt Wetstratees en abstract, maar is het niet. Zo behoort het preventieve gezondheidsbeleid, waar bijvoorbeeld screeningscampagnes onder vallen, tot de bevoegdheid van de gemeenschappen. De genezing en verzorging van mensen bij wie diabetes is vastgesteld, is dan weer een federale bevoegdheid. Dat gebrek aan homogeniteit is overduidelijk bij zwangerschapsdiabetes: tijdens de zwangerschap is het beleid federaal, maar het aangehaalde project Zoet Zwanger, dat de follow-up na de zwangerschap regelt, valt onder preventie en is dan weer een Vlaamse bevoegdheid. Eén probleem, één beleid dat de verantwoordelijkheid opneemt. Zo moeilijk kan het toch niet zijn? Voor een langetermijnstrategie moeten we natuurlijk goed weten wat werkt, want momenteel wordt de effectiviteit van het beleid slechts gefragmenteerd opgevolgd op elk van de verschillende beleidsniveaus. De gegevens die Vlaanderen daarvoor nodig heeft, worden - helaas - voornamelijk op federaal niveau bijgehouden, bijvoorbeeld in het patiëntendossier. Ik pleit daarom voor duidelijke indicatoren, die bruikbaar zijn voor de verschillende beleidsniveaus. Pas op die manier weten we wat de effecten op de Vlaamse bevolking en de (kosten)efficiëntie zijn van ons beleid, met name van onze (vroeg)detectie en preventie.De gemeenschappen moeten dan ook gemakkelijker toegang krijgen tot die federale gegevens zodat Vlaanderen sneller en accurater zijn beleid kan opvolgen en evalueren. Een betere ontsluiting van deze gegevens is ook beter voor de patiënt: als hij aan het stuur van zijn zorg wil staan, moet hij zelf ook zijn traject kunnen opvolgen.