'Vreselijk, dat kabaal. Kom, we gaan snel een stillere plek opzoeken.'
...

'Vreselijk, dat kabaal. Kom, we gaan snel een stillere plek opzoeken.' Werken aan de stad, drilboren en graafmachines slopen de stilte. Ton Lemaire bedekt de oren. De cultuurfilosoof is geboren in 1941, in Rotterdam. 'Ik heb nog heel vroege herinneringen aan de vliegtuigen, de bommen, het vuur en de angst van de volwassenen', zegt hij. 'Ik denk dat die traumatische ervaring nog altijd nawerkt.' We ontmoeten elkaar bij het station van Leuven. Aan de plaatselijke universiteit heeft Lemaire - scherp voorkomen, alerte blik - zojuist een lezing gegeven over het uitsterven van wilde dieren en over vegetarisme. Hij woont al jaren in de Franse Dordognestreek, als in een zelfgekozen ballingschap: midden jaren negentig verliet hij zijn thuisland Nederland, hij was vervreemd van het landschap om zich heen en van de samenleving, die steeds sterker veramerikaniseerde. 'Een ecologische vluchteling', noemt Lemaire zichzelf. Bijna twintig boeken heeft hij op zijn naam; over liefde, vogels, indianen en paddenstoelen onder meer. De rode draad in zijn werk is de schaduwkant van het vooruitgangsdenken. Keer op keer belicht hij de destructieve kant van de consumptiemaatschappij, ontleedt hij sociale en ecologische problemen die het rechtstreekse gevolg zijn van het onophoudelijke streven naar nog meer welvaart, nog meer groei. 'Deze verslaving aan bewegen om te bewegen, groei om de groei is een collectieve obsessie geworden met pathologische trekken', schrijft hij in zijn nieuwe boek Met lichte tred, waarin hij via de kunst van het wandelen 'een diagnose van de moderniteit' stelt. De patiënt is ziek, zoveel wordt de lezer snel duidelijk. We lijden aan het virus van het mobilisme, schrijft Lemaire in het eerste hoofdstuk. 'We zijn een uiterst mobiele samenleving geworden waarin snelheid een heel hoge plaats inneemt in ons waardenscala, terwijl we meer zitten dan ooit tevoren.' 'Ik heb al eerder over wandelen geschreven, maar ik voelde de behoefte om nog eens op het thema terug te komen, voor het laatst', zegt hij. 'In wandelen komen alle problemen van deze tijd samen: de vervreemding van de natuur, de terreur van de auto, de geluidsoverlast, de commercialisering, migratie. En het is natuurlijk ook de neerslag van een leven lang wandelen. Rond mijn veertiende is mijn liefde voor natuur en landschap ontwaakt en ben ik beginnen te wandelen, om vogels en bomen te bewonderen. Ik wandel nog elke dag. Ik zie het als een basisbehoefte, het houdt me jong.' We stappen de Bondgenotenlaan op. Aan weerszijden winkels, in het midden een brede strook asfalt voor bussen, auto's en fietsers, aan de rand een tegelpad voor voetgangers. Zodra een land rijker wordt, zegt Lemaire, gaan mensen meer rijden en minder lopen. Iemand die zich in deze moderne wereld uitsluitend te voet zou verplaatsen, zou een bezienswaardigheid zijn, een anachronisme haast. 'We zijn een rijdende samenleving geworden, een auto-cratie: voor velen is de auto een soort verlengstuk van het lijf geworden.' Alleen in restruimten worden nog afstanden te voet afgelegd. Van de auto naar de winkel, van het bureau naar de koffieautomaat en van de incheckbalie naar het vliegtuig. 'Iemand die in het dagelijks leven te voet gaat, wordt letterlijk en figuurlijk naar de zijkant gedrongen. Daarom moeten we de plaats van wandelen in de maatschappij verdedigen, als tegenwicht tegen het op hol geslagen autoverkeer.' Steeds meer steden maken hun binnenstad autovrij, opper ik. De wandelaar lijkt er opnieuw de maat van alle dingen te worden. 'Zulke processen verlopen altijd heel langzaam en slechts stuksgewijs', reageert Lemaire. 'De dominantie van de auto is dermate groot en er zijn zo veel belangen mee gemoeid, dat ik niet verwacht dat de voetganger de auto helemaal zal terugdringen. Hooguit een klein beetje. Of ken jij een stad die zijn hele binnenstad autovrij heeft gemaakt? Nou ja, Venetië, maar daar hebben ze ondertussen zo veel toeristen aangetrokken dat ze er zelf onder gebukt gaan.' Prikkelend is de gedachte dat in een ver verleden de wereld uitsluitend uit voetpaden bestond. Geen brede, verharde wegen. Geen asfalt of beton, steeds meer de overheersende huid van onze planeet. Geen samenleving waarin, volgens Lemaire, 'een bijna koortsachtige dynamiek heerst, de mensen gewoonlijk haast hebben en het nooit meer stil is'. Zelfs in Leuven, nochtans geen metropool. 'Wat is dit een lange straat', zegt Lemaire lachend. De drukke Bondgenotenlaan uit, een zijstraat in. 'Ik zie de wandelaar als een rebel', zegt Lemaire. 'Door te wandelen bevrijd je jezelf even van de onaangename kanten van het dagelijks leven, beweeg je je in een alternatieve wereld, kom je los van de gevestigde samenleving met haar obsessie met markt, geld en consumptie. Wandelen is een vorm van stilzwijgend protest.' In boekencafé Barbóék kijkt Lemaire met grote belangstelling naar een tafel vol natuur- en wandelboeken. 'Toen ik aan mijn boek begon, had ik niet in de gaten dat er tegenwoordig zo veel over wandelen verschijnt', zegt hij. 'Wandelen is duidelijk opnieuw aan een opmars bezig.' De geschiedenis verloopt in golven, zegt Lemaire, op zoek naar een verklaring. 'We hebben een economische crisis achter de rug, we zitten volop in een ecologische crisis, de dierenproblematiek leeft, de maatschappij versnelt en de invloed van de mens op de planeet wordt almaar groter. Tegelijk zie je een tegenbeweging ontstaan. Steeds meer mensen zoeken een compensatie voor de onaangename kanten van de consumptiemaatschappij en herontdekken de natuur, en tegelijkertijd het wandelen. Zoals vroegere generaties het ons voordeden.' In zijn boek besteedt Lemaire uitgebreid aandacht aan de ontstaansgeschiedenis van het wandelen. Hij begint zijn verhaal in de negentiende eeuw in het woud van Fontainebleau, bij Parijs, waar het wandelen 'als interessante activiteit' is ontstaan. De burgerij kwam er de groeiende stad ontvluchten, het kabaal, de drukte, de ongezonde lucht. Die elementen spelen ook vandaag. Jongeren slaan massaal aan het wandelen, met de stappenteller en soms zelfs de therapeut bij de hand. In Japan is het 'bosbaden' populair, lange wandelingen in het bos om stress en gezondheidsklachten tegen te gaan. Maar het blijft erg dubbel, voegt Lemaire eraan toe, nippend aan een groene thee. 'De mensen die in het weekend in het bos of in de velden gaan wandelen, staan op maandagochtend weer in de file. De wereld van de auto en die van het wandelen blijven strikt gescheiden.' Steeds vaker slaat de liefde voor het wandelen bovendien om in streven naar extreme, sensationele prestaties. Het succes van de Dodentocht lijkt daarin te passen: duizenden mensen die 100 kilometer over verharde wegen stappen, tegen betaling van 50 euro per persoon en vaak slecht voorbereid. 'In mijn ogen gaat het om een tamelijk inauthentieke, ontaarde vorm van wandelen', zegt Lemaire. 'In het algemeen is het leven vrij gemakkelijk geworden, we hoeven de hele dag door alleen maar op knopjes te drukken en op schermen te kijken. Dus zoeken we compensatie in het andere uiterste. Maar fenomenen zoals de Dodentocht bevatten weinig elementen die wandelen voor mij waardevol maken.' In zijn boek schetst Lemaire een ideaaltype van de wandelaar: die wandelt langzaam in zijn of haar eentje in de natuur, zonder gsm, gps of fototoestel. 'Verdwalen moet een reële optie zijn.' Met het wandelen herwinnen ook eeuwenoude pelgrimswegen - naar Lourdes, Fatima of Santiago de Compostela - hun glans. Qua uiterlijk verschillen de pelgrims duidelijk van die van weleer, ziet Lemaire. Alleen al gelet op de sportieve kleding, het stevige schoeisel, de rugzak. 'De middeleeuwse ascese lijkt nogal ver weg.' Rond de paden is een industrie ontstaan, met souvenirwinkels, hotels, restaurants en reisverzekeringen. 'Het moet leuk en gezellig blijven, we reizen nu eenmaal voor plezier en vertier.' Tegenover de toeristen en de sportievelingen staan de vluchtelingen, die reizen uit noodzaak en armoede, ook vaak te voet. 'Ze lijken enigszins op de pelgrims van weleer', schrijft Lemaire. 'Ze ervaren hun tocht als een beproeving op weg naar een betere toekomst, alsof hen de vleespotten van Egypte staan te wachten in het noorden.' De wereldwijde bewegingsvrijheid die we verlenen aan toeristen, de welgestelden, ontzeggen we de meeste vluchtelingen. 'Die dubbele behandeling zal waarschijnlijk alleen maar heftiger en schrijnender worden, omdat zowel het aantal toeristen als het aantal vluchtelingen zal toenemen.' Met lichte tred is opgebouwd rond het leven van inspirerende wandelende figuren. Immanuel Kant, Johann Wolfgang von Goethe, de Japanse dichter Matsuo Basho. Het meest verwant voelt Lemaire zich met Henry David Thoreau en Jean-Jacques Rosseau. Thoreau wandelde naar eigen zeggen vier uur per dag en leefde twee jaar als een kluizenaar aan de oevers van het Amerikaanse Waldenmeer. 'Ik herken me ook in zijn politieke engagement', zegt Lemaire. 'En in zijn idee van vereenvoudiging van het leven, op allerlei gebied.' Rousseau wordt dan weer door velen gezien als 'de eerste moderne mens', onder andere door zijn literaire autobiografie, en als de eerste bewuste wandelaar. Vier jaar lang zwierf hij rond in Zwitserland en Frankrijk, het land was zijn werkkamer. In de Dordogne leeft ook Lemaire met de wolken en de wind. Hij maakt dagelijks een ommetje met zijn hond, en af en toe een langere wandeling. Pen en papier laat hij daarbij telkens thuis. 'Ik ben een buitenmens en een boekenwurm, maar de twee gaan zelden samen', zegt hij. 'Ik lees meestal binnen en als ik tijdens het wandelen inspiratie heb, onthou ik het tot ik aan mijn schrijftafel zit.' We stappen terug naar het station. Opvallend is de afwezigheid van wandelende vrouwen, zeg ik nog. In het boek van Lemaire en in gelijk welke bibliotheek. Lemaire treedt Rebecca Solnit bij: de angst voor verkrachting houdt veel vrouwen binnenshuis, schrijft zij in Wanderlust, dat recent in het Nederlands is uitgebracht. 'In het algemeen bleven vrouwen tot voor kort vaker thuis dan mannen, om voor het huishouden en de kinderen te zorgen', zegt Lemaire. 'Daardoor hebben ze minder deelgenomen aan het buitenleven, ook vanwege het onveilige gevoel ver weg van huis te zijn. Dat is de laatste twintig, dertig jaar gelukkig veranderd, maar die evolutie weerspiegelt zich nog niet in de boekhandel.' Op het einde van zijn boek vraagt Lemaire zich af welke toekomst wandelen nog heeft. Wat denkt de filosoof zelf? 'Het zou mooi zijn als we de ruimte voor de wandelaar verder kunnen uitbouwen', zegt hij. 'Maar ik vrees dat we in een dubbele wereld zullen blijven leven, waarin de auto en de wandelaar naast elkaar bestaan. Tenzij er een verschroeiende crisis komt, economisch of ecologisch, die alles door elkaar schudt.' 'Zelf zal ik in elk geval blijven wandelen, zolang ik kan.'