In de Middeleeuwen vochten edelen onderling en soms tegen vreemde indringers. Vanaf het midden van de 14de eeuw veranderde het krijgsgeweld sterk. Tijdens de Gelderse oorlogen bemoeiden regelmatig ook buitenlandse partijen (zoals Engeland en Frankrijk) zich met de strijd. Omstreeks 1540 voerde Maarten van Rossum in opdracht van de hertog van Gelre strafexpedities annex plundertochten uit. Weldra merkten de Brabanders echter dat de strooptochten van 'Zwarte Maarten' nog maar kinderspel waren bij wat hun na het begin van de Opstand te wachten stond. Toen was er méér aan de hand dan af en toe wat overlast van muitende troepen, plunderingen en verkrachtingen. De Amsterdamse onderzoeker Leo Adriaenssen (1945-2012) toonde na minutieuze bestudering van primaire bronnen overtuigend aan dat deze excessen geen uitzonderingen waren. Ze vormden structureel onderdeel van de militaire strategie, waarvoor de Oranjes persoonlijk verantwoordelijkheid droegen, de 'Vader des Vaderlands' voorop. Vanaf 1579, zo betoogt Adriaenssen, lanceerden de Staatse troepen systematisch verschroeide-aardecampagnes. 'De uitvalswegen naar 's-Hertogenbosch en de Maas werden geblokkeerd, voedselvoorraden vernietigd en tientallen dorpen platgebrand. Soldaten lieten hun paarden grazen in het opkomende graan, oogsten werden in beslag genomen of ter plaatse vernietigd. Het gevolg was massale hongersnood en daardoor een vergrote vatbaarheid voor ziektes.' Tussen 1580 en 1605 nam de bevolking van de Meierij van 's-Hertogenbosch met niet minder dan 68,5 procent af.

Het bombardement van Bergen op Zoom door de Fransen op 1 augustus 1747. Prent van Simon Fokke (naar een tekening van Cornelis Pronk). (Rijksmuseum, Amsterdam)

De ommelanden raken betrokken

Een belangrijke reden waarom dit gewest voortdurend strijdtoneel was, is de ligging: de aan de noordrand van Brabant gelegen vestingsteden speelden een sleutelrol bij de verdediging van het kerngewest Holland. Dit waren niet alleen de grote steden als Bergen op Zoom, Breda en 's-Hertogenbosch ('de Moerasdraak'), maar ook Willemstad, Heusden, Megen, Ravenstein en Grave. Deze vestingsteden moesten het een vijandelijk leger onmogelijk maken om, komende vanuit het zuiden, de grote rivieren over te steken.

Toen de strijd tussen de protestantse Staatse legers en de katholieke Spaanse troepen in alle hevigheid losbarstte, breidden de vestingen zich steeds verder uit. Door de toename van de vuurkracht en de precisie van de kanonnen boden de middeleeuwse muren van baksteen niet langer soelaas. Aarden wallen met bastions, ravelijnen, hoornwerken, tenailles en halve manen zorgden ervoor dat de vijand zijn kampement op grotere afstand van de vestingstad moest opslaan. Daardoor raakten ook de ommelanden steeds vaker bij de defensie betrokken.

De rol die de ommelanden kregen toebedeeld, zou voor de komende eeuwen de kern vormen van de defensie van de Republiek (en later van het Koninkrijk der Nederlanden): inundatiegebied. Dit zijn veelal laaggelegen gronden die onder water gezet kunnen worden. Terwijl bij de strijd tegen de Spanjaarden al eerder af en toe geïnundeerd werd (Alkmaar in 1573, een jaar later bij het Ontzet van Leiden), ontstond in 1583 bij Bergen op Zoom de eerste echte waterlinie in de Nederlanden. Nadat Parma een jaar eerder de vestingstad Steenbergen had ingenomen, werden polders preventief geinundeerd om zo een aanval op Zeeland vanaf Brabantse bodem te bemoeilijken.

Het water: vriend én vijand

Maar het waren niet alleen de Staatsen die de kracht en de macht van het water bij de belegering en de verdediging van een vestingstad erkenden. Ook de Spanjaarden maakten er gebruik van. Het bekendste voorbeeld daarvan is het beleg van Den Bosch, een stad die lange tijd als onneembaar te boek stond. In het voorjaar van 1629 probeerde de Staatse legeraanvoerder prins Frederik Hendrik ('de Stededwinger') deze belangrijke stad in te nemen. De Spanjaarden hadden echter met het water uit de Dommel en de Aa de moerassige omgeving van de ommuurde stad onder water gezet. Zo zouden ze, zo was tenminste de verwachting van gouverneur Van Grobbendonck, het maanden kunnen uithouden en zouden de belegeraars - als de voorraden uitgeput en de geldkist met de soldij leeg was - hun drieste voornemen opgeven zonder dat er één schot gelost was. Maar de Bosschenaren hadden buiten de waard gerekend. In opdracht van de Oranjestadhouder werden duizenden boeren uit de omgeving opgetrommeld die - weliswaar met gepaste tegenzin - een vijftig kilometer lange dijk om de stad opwierpen. Met ter plaatse gebouwde en door paarden aangedreven molens werd vervolgens het geïnundeerde gebied drooggemalen. Daarna werd de stad vanuit zuidwestelijke richting benaderd. Amper vier maanden na het begin van de belegering slaagde een mineur erin een bom onder het Vughterbolwerk tot ontploffing te brengen. Na het zien van de enorme bres in de muur zag de gouverneur in dat behoud van de stad niet langer mogelijk was en gaf zich over.

Brabant als bufferzone

Toen bijna twintig jaar later de Vrede van Münster getekend werd, kreeg Staats-Brabant (zoals dit deel van Brabant voortaan genoemd werd) de status van 'Generaliteitsland': direct onder gezag van de Staten-Generaal, bestuurd door de Raad van State. Kort door de bocht geformuleerd: Brabant werd als 'een interne kolonie' vanuit Den Haag bestuurd. Omdat het - mede door de langdurige blootstelling aan plunderingen en brandschattingen - verarmd was, was het voor de economie van de Republiek geen kerngebied en behield het vooral de functie van bufferzone.

Want in 1648 brak géén langdurige periode van vrede aan. Integendeel, in de 17de eeuw was de Republiek gedurende maar liefst 73 jaren in oorlog, op land vooral met de legers van Lodewijk XIV. Berucht is het Rampjaar 1672, toen 120.000 Franse soldaten er niet in slaagden om tot in het gewest Holland door te dringen. Door het gebied tussen Gorinchem en Muiden onder water te laten lopen, bleef de Franse troepenmacht in de Utrechtse modder steken. De Hollandse regenten en kooplieden kwamen met de schrik vrij. Daarom kreeg de vermaarde vestingbouwer Menno van Coehoorn de opdracht om een plan uit te werken waardoor een herhaling van deze bijna-catastrofe onmogelijk zou zijn. Hij pakte het groots aan. Van Coehoorn ontwikkelde een samenhangende verdedigingslinie, van het Zwin aan de Zeeuwse Noordzeekust tot aan Nieuweschans in Groningen. Alle bestaande vestingsteden, de verspreid liggende fortificaties en de inundatievlakken moesten met elkaar verbonden worden zodat een effectieve defensiegordel ontstond. Door optimaal gebruik te maken van de terreinomstandigheden ontstond in het oosten van de Republiek een noord-zuid georiënteerde waterlinie ('het Oosterfrontier') en in het zuiden een oost-west lopende waterlinie ('het Zuiderfrontier'). Het gebied tussen Grave en Nijmegen vormde het scharnierpunt.

Een kaart met de elf vestingen, de 77 andere verdedigingswerken en de inundatievlakken die samen deel uitmaken van de Zuiderwaterlinie.

De werken verliepen traag. Wapengekletter was soms nodig om de autoriteiten weer wakker te schudden (zoals tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog, toen Franse troepen in 1747 zowel Maastricht als Bergen op Zoom veroverden). Kort na het midden van de 18de eeuw was het Zuiderfrontier gereed: de langste aaneengeschakelde linie van vestingsteden, forten en inundatiegebieden die Nederland ooit heeft gekend, was klaar voor gebruik.

Zwakke schakel: strenge vorst

De ultieme test naar de effectiviteit kwam een kleine halve eeuw later. Toen de Franse revolutionairen in 1793 hun belangrijkste exportproduct ('vrijheid, gelijkheid, broederschap') in de Republiek wilden afleveren, slaagden ze er in om andermaal Bergen op Zoom in te nemen. Maar een doorbraak door de inundatiegebieden bij Steenbergen mislukte. De Franse terugtocht was echter maar tijdelijk. Een jaar later maakten ze optimaal gebruik van de achilleshiel van een waterlinie: vorst. In de winter van 1794/95 vroren zelfs de grote rivieren dicht. Aangevoerd door generaal Pichegru staken de Franse troepen probleemloos te voet de Maas over. Op 19 januari 1795 trokken ze Amsterdam binnen en namen de macht in het stadhuis over. Een dag eerder had stadhouder Willem V, als een dief in de nacht, een veilig heenkomen in Engeland gezocht.

Sebastian Vrancx, De plundering van Wommelgem. De Antwerpse schilder Sebastian Vrancx beeldde slagveldscènes nauwgezet uit waardoor we weten welke kleren en wapens soldaten droegen en hoe ze moordend en plunderend het platteland teisterden. (Museum Kunstpalast, Düsseldorf)

Het behoeft weinig toelichting dat aan het Zuiderfrontier tijdens de Bataafse en Franse Tijd een lage prioriteit werd toegekend. Ook tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) lag het zwaartepunt van de defensie elders, bij de zuidgrens van het huidige België. Maar na de definitieve erkenning van de onafhankelijkheid van België in 1839 werd het Noord-Brabantse deel van het Zuiderfrontier (dat vanaf dat moment de Noord-Brabantse Waterlinie genoemd werd) nieuw leven ingeblazen. De bestaande werken werden gemoderniseerd, nieuwe versterkingen gebouwd. Koning Willem II liet merken dat het hem menens was. Hij financierde uit eigen zak een belangrijk deel van de Stelling Vught (bij 's-Hertogenbosch). Dit was een van de redenen waarom hij bij zijn overlijden in 1849 bijna bankroet was.

Nog meer ten dienste van de Vesting Holland

Na 1870/71 veranderden de internationale verhoudingen in Europa ingrijpend. Na de Frans-Duitse oorlog was duidelijk dat Frankrijk op het Europese continent naar het tweede plan was verwezen. Voortaan moest niet alleen met een mogelijke aanval uit het zuiden rekening gehouden worden, maar ook met een inval vanuit het nieuw gevormde Duitse Keizerrijk. De Haagse politici kwamen al in 1874 met een antwoord: in de nieuwe Vestingwet werd nog nadrukkelijker herhaald dat de nadruk lag op de verdediging van 'de Vesting Holland'. Om dit kerngebied tegen een mogelijke aanval uit het oosten te beschermen, werd de Nieuwe Hollandse Waterlinie ontworpen. De andere bestaande verdedigingslinies behielden hun functie van inundatiegebied.

's-Hertogenbosch belegerd door Frederik Hendrik, de Stededwinger, in 1629. Schoolplaat door W.C. Staring.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleven in de vestingwerken van de Zuider Waterlinie (zoals het verdedigingsstelsel toen genoemd en gespeld werd) veel extra manschappen. Maar zij mochten hun dagen 'in waakzame ledigheid' doorbrengen. Met het oplopen van de spanning aan het eind van de jaren dertig werden er opnieuw veel gemobiliseerde soldaten in de forten en bunkers en bij de inundatiestations ingekwartierd. Terwijl de manschappen in de winter van 1939/40 bij temperaturen van tussen de min tien en twintig graden kou leden bij het ijsvrij houden van de cruciale punten voor de waterinlaten, liet de legerleiding in het voorjaar de oren hangen naar de boeren die klaagden over de te hoge waterstand die nadelig was voor de akkerbouw. Het is tekenend voor het strategisch en politiek inzicht van de Nederlandse legerleiding dat zij op 2 mei 1940 toestemming gaf om de waterpeilen aanzienlijk te verlagen.

Het 'terreplein' is een plein of ruimte binnen een bastion of klein zelfstandig vestingwerk. Het terreplein op Fort Sabina (bij Willemstad) is tegenwoordig een goedlopend terras. (Foto Lieske Meima)

Dat er een week later te weinig water was voor inundatie, was maar één reden voor het fiasco van de meidagen van 1940. Tegen de Luftwaffe en de Blitzkrieg was geen waterlinie bestand. Na de Tweede Wereldoorlog werd het concept losgelaten en in 1952 verloren de laatste onderdelen van de Zuider Waterlinie officieel hun militaire functie.

Met dank aan Hadrianus

De laatste jaren staat de Zuiderwaterlinie (zoals het Zuiderfrontier nu wordt genoemd) volop in de belangstelling. Niet alleen ecologen en natuurliefhebbers koesteren de door de natuur in bezit genomen forten, ook vrijetijdsondernemers zien er het belang van in en hebben relicten van de waterlinie omgebouwd tot onderkomens voor toeristen of tot congresruimte. Onder aanvoering van de provinciale overheid werken maar liefst 25 partners samen om gestalte te geven aan een grootse ambitie. 'Zo', aldus gedeputeerde Swinkels, 'kan het landschap nog aantrekkelijker worden als we onze geschiedenis er weer uit kunnen aflezen, kan een toeristische bestemming van formaat ontstaan en een nog meer inspirerende plek voor toeristische en andere bedrijven. Het gaat kortom om het beter benutten van het cultuurhistorische, sociaaleconomische en ruimtelijke potentieel van de Zuiderwaterlinie.' In zijn dromen ziet hij ongetwijfeld de Zuiderwaterlinie voor zich als de Nederlandse evenknie van de wereldberoemde publiekstrekker op de grens van Engeland met Schotland.

MEER WETEN?

L. Adriaenssen, Staatsvormend geweld. Overleven aan de frontlinies in de meierij van Den Bosch, 1572-1629. Tilburg, 2007

R. Kwant, e.a., (red.), Zuiderwaterlinie - Noord-Brabant. Een open boek. 's-Hertogenbosch, 2018