In de Middeleeuwen vochten edelen onderling en soms tegen vreemde indringers. Vanaf het midden van de 14de eeuw veranderde het krijgsgeweld sterk. Tijdens de Gelderse oorlogen bemoeiden regelmatig ook buitenlandse partijen (zoals Engeland en Frankrijk) zich met de strijd. Omstreeks 1540 voerde Maarten van Rossum in opdracht van de hertog van Gelre strafexpedities annex plundertochten uit. Weldra merkten de Brabanders echter dat de strooptochten van 'Zwarte Maarten' nog maar kinderspel waren bij wat hun na het begin van de Opstand te wachten stond. Toen was er méér aan de hand dan af en toe wat overlast van muitende troepen, plunderingen en verkrachtingen. De Amsterdamse onderzoeker Leo Adriaenssen (1945-2012) toonde na minutieuze bestudering van primaire bronnen overtuigend aan dat deze excessen geen uitzonderingen waren. Ze vormden structureel onderdeel van de militaire strategie, waarvoor de Oranjes persoonlijk verantwoordelijkheid droegen, de 'Vader des Vaderlands' voorop. Vanaf 1579, zo betoogt Adriaenssen, lanceerden de Staatse troepen systematisch verschroeide-aardecampagnes. 'De uitvalswegen naar 's-Hertogenbosch en de Maas werden geblokkeerd, voedselvoorraden vernietigd en tientallen dorpen platgebrand. Soldaten lieten hun paarden grazen in het opkomende graan, oogsten werden in beslag genomen of ter plaatse vernietigd. Het gevolg was massale hongersnood en daardoor een vergrote vatbaarheid voor ziektes.' Tussen 1580 en 1605 nam de bevolking van de Meierij van 's-Hertogenbosch met niet minder dan 68,5 procent af.
...