Ik spreek Vic van de Reijt in hartje Antwerpen, de stad waar Elsschot het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Hij schreef er onder het pseudoniem Willem Elsschot en verdiende zijn geld als reclameman onder zijn eigen naam, Alfons De Ridder, die onder meer kantoor hield op Groenplaats nummer 1.
...

Ik spreek Vic van de Reijt in hartje Antwerpen, de stad waar Elsschot het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Hij schreef er onder het pseudoniem Willem Elsschot en verdiende zijn geld als reclameman onder zijn eigen naam, Alfons De Ridder, die onder meer kantoor hield op Groenplaats nummer 1. In zijn romans duikt hij op als de 'zachte' Frans Laarmans, die in Kaas faliekant mislukt als importeur van Edammer en die in Het Dwaallicht door de straten van de oude stad zwerft met drie Afghaanse matrozen in zijn zog op zoek naar romantiek en Maria Van Dam. Het personage Boorman vertegenwoordigt, onder meer in Lijmen, het andere aspect van Alfons De Ridder: de keiharde en genadeloze zakenman. In 2011 voltooide Vic van de Reijt (68), jarenlang uitgever bij Nijgh & Van Ditmar, zijn biografie met de korte titel Elsschot. Ondertitel: 'Leven en werken van Alfons De Ridder'. 'Toen dacht ik: ik ben klaar', zegt Van de Reijt. 'Ik besefte wel dat ik heel veel van mijn kennis en onderzoek niet in die biografie had kunnen stoppen. Het was een geserreerde biografie, waarin ik niet al te veel op details ben ingegaan en ver weg ben gebleven van de interpretatie van de romans. Een biografie hoort het levensverhaal te vertellen. Ik heb ook de nadruk op de zakenman gelegd, want Elsschot was meer zakenman dan schrijver. Zijn schrijverschap kan niet los gezien worden van zijn zakenleven. Elsschot en De Ridder zijn één. 'Toen ik later in mijn archief keek, bleek tot mijn verbazing dat ik in de loop der jaren zo'n 45 artikelen over Elsschot had geschreven. Ik ben ze toen achter elkaar gaan lezen, met een frisse blik, alsof ik de eerste lezer was. Ik was verrast. Ik ben heel polemisch en kritisch begonnen, voortgestuwd door de uitspraken van Karel van het Reve, die zei dat er nog nooit iets fatsoenlijks over Elsschot was geschreven.' Karel van het Reve, hoogleraar Russische literatuur en broer van Gerard Reve, schreef in 1977 een geruchtmakend artikel over 'de miskenning van Elsschot'. Hij foeterde neerlandici uit omdat ze nog nooit iets hadden geschreven over 'de beste Nederlandse schrijver van de twintigste eeuw'. Vic van de Reijt: 'Zelf zat ik toen als student Nederlands te zwoegen op Adorno, Habermas en Chomsky, alsof er niets anders bestond. Een biografiecultuur bestond evenmin, over Elsschot werd niet gedoceerd. Gelukkig is de neerlandistiek hard veranderd. De voorbije dertig jaar zijn er zo'n honderd biografieën verschenen.' Ook de Elsschotstudie zelf is sindsdien in een stroomversnelling terechtgekomen. Dankzij het pionierswerk van Vic van de Reijt, dat nu dus in De ontdekking van Elsschot gebundeld is, kwam een stroom publicaties over Elsschot op gang in Nederland en in België. Tussen 2001 en 2006 verscheen bovendien de essentiële wetenschappelijke editie van Elsschots gehele oeuvre, 'geannoteerd en opgeschoond'door het Constantijn Huygens Instituut in Den Haag. Ook het bijzonder actieve Willem Elsschot Genootschap WEG publiceert sinds zijn oprichting in 1999 een tijdschrift en studies over Elsschot. Het genootschap gaat er prat op 'de grootste en duurste literaire vereniging van de Lage Landen' te zijn. De zakelijke aanpak en licht ironische toon zijn, hoe kan het ook anders, geïnspireerd door Elsschot zelf. De avond voor ons gesprek had in Antwerpen het jaarlijkse, druk bijgewoonde en intussen legendarische Elsschotdiner van het WEG plaats, waar steevast prominente sprekers uit politiek en zakenleven worden opgevoerd. Vic van de Reijt tekende uiteraard present. Veertig jaar schrijven over Elsschot: wat fascineert u zo in de man? Vic van de Reijt: De kracht van Elsschot zit in de eenvoud. Het is een cliché maar als je Villa des Roses, zijn debuutroman gepubliceerd in 1913, plaatst naast boeken uit diezelfde periode - neem Herakles van Louis Couperus - dan is dat laatste een oud lijkenhuis tegenover een frisse jongedame. Elsschot dringt tot de ziel door: Villa des Roses is een buitengewoon hard en hardvochtig boek, maar door de prachtige literaire stijl en de lichte ironie in elke regel, kan hij de zwaarste onderwerpen aan: zelfmoord, liefdesbedrog, abortus. Alles is bedrog in dat boek, niets is wat het schijnt. Elsschot heeft ooit gezegd dat hijzelf Richard Grünewald was, de onsympathieke hoofdfiguur van Villa des Roses. Van de Reijt: In Grünewald heeft hij al zijn slechte eigenschappen verzameld, het is een naargeestige figuur. Een boek schrijven over een onsympathieke hoofdpersoon is bijzonder moeilijk, maar het is Elsschot gelukt. Toch is hij nog maar 28 als hij zijn debuut schrijft. Van de Reijt: Elsschot is iemand die aan een cafétafeltje onderkoeld zijn verhaal kan vertellen. Maar hij slaagt er ook in dat op papier te zetten: dát is heel moeilijk. Hij maakt geen omtrekkende bewegingen, hij komt meteen ter zake. Dat maakt dat hij tot op de dag van vandaag modern is gebleven. Zijn werk is geschreven uit noodzaak. Hoe ouder ik word, des te meer moeite ik heb om literatuur te lezen. Er is zo veel literatuur waarbij de verzinsels je om de oren vliegen. Elk jaar neem ik de proef op de som: ik sla het Verzameld werk van Elsschot op een willekeurige bladzijde open en ik lees een alinea. Wel, ik ben meteen 'in' het verhaal. Elsschot schrijft ook scenisch: nooit 'en toen, en toen...', wel korte hoofdstukken en elkaar snel opvolgende scènes. Een mooi voorbeeld is het belangrijkste hoofdstuk van Villa des Roses, waarin het kamermeisje Louise wordt voorgesteld. Dat bestaat uit welgeteld drie zinnen. Je krijgt er een droge mond van. Je legt het boek opzij en je ziet Louise zo voor je. Veel auteurs zouden daar pagina's voor nodig hebben. Door zijn beschrijving vóél je de sympathie van de verteller. Nergens wordt gezegd dat het een prachtig meisje is. Hij is altijd impliciet. Show, don't tell: hij laat zien, hij legt niet uit. Hoe verschrikkelijk zijn die boeken toch waar alles uitgelegd wordt. Het is helaas de huidige manier van schrijven, gegangmaakt door de computer. Men vult maar aan. Laten we even terugkeren naar uw boek: wat hebt u in De ontdekking van Elsschot precies gebundeld? Van de Reijt: Nogal wat artikelen waren alleen maar in een tijdschrift gepubliceerd, zoals '"Als je door de muze gebeten wordt, vloeit het zo wel uit de pen." Interviews met Elsschot.' Dat schreef ik in 1983. Zo'n artikel verdient het om in boekvorm te worden vastgelegd. Ik maakte dat stuk op basis van uitspraken van Elsschot. Maar u hebt Elsschot nooit ontmoet? Van de Reijt: Nee. Ik was negen toen hij is gestorven. Maar ik heb wel een fictief interview opgenomen in mijn boek, ' Un stout, un!', geschreven in 1991, opgebouwd uit bestaande interviews met Elsschot en gesitueerd in het Rubenshof, een van zijn Antwerpse stamkroegen. Ik had het nog niet gepubliceerd of ik werd door de radio opgebeld: 'Meneer Van de Reijt, hoe was het bij Elsschot?' (schatert)Waarom bent u begonnen als polemist ? Van de Reijt: Er kwamen toen allerlei boeken over Elsschot uit, zoals Zwijgen kan niet verbeterd worden (met vroege gedichten en ongebundeld werk van Elsschot, in 1979, nvdr). Wel, dat kon absoluut verbeterd worden. (lacht) Dezelfde samenstelster bundelde drie jaar later in Over Elsschot twee interviews met Elsschot. Ik had er al snel twintig gevonden. Ik verweet onderzoekers dat ze hun werk niet goed deden en besloot daarom om het maar zelf te doen. Zo ben ik langzaam veranderd in een bezadigd Elsschotkenner. (lacht) Mijn onderzoek heeft onder meer geresulteerd in de Brieven-editie van 1993. Een enorme arbeid was dat, daar ben ik bijna elf jaar mee bezig geweest. Maar ik denk dat ik op die manier, ook in België, Elsschot weer in de belangstelling heb gebracht. Waarom die brieven? Van de Reijt: Toen ik in augustus 1981 in het Letterenhuis in Antwerpen (toen AMVC, nvdr) vroeg of er misschien correspondentie van Elsschot bestond, nam men gewoon een pak brieven uit de kast. De eerste brief die ik las, was die van Elsschot aan Jan Van Nijlen over Villa des Roses, waarin Elsschot nauwgezet ingaat op de opmerkingen van Jan Van Nijlen over zijn manuscript. Nou, dat is wereldnieuws. Die brief lag daar gewoon te vergelen, daar was nooit iets mee gedaan. Toen kreeg ik een adrenalinestoot. Eigenlijk is die Brieven-editie een autobiografie in brieven. Na veel zoekwerk beschikten we over het literaire archief, maar ik miste iets. Ik vermoedde dat het echte geheim van Elsschot in zijn zakenarchief zou zitten. De zakenman kwam af en toe wel om de hoek gluren in de literaire brieven. Maar als ik de biografie wilde schrijven, had ik dat zakelijk archief ook nodig. Ik was al eens bij Walter (De Ridder, oudste zoon van Elsschot, nvdr.) en Jan Maniewski (oudste kleinzoon van Elsschot, nvdr.) langs geweest. Maar pas in 1998, zes jaar na de dood van Walter, heb ik samen met Wieneke 't Hoen (Elsschotspecialiste, nvdr.) de kelders van Walter mogen betreden. Al die zakendossiers zouden anders weggegooid zijn. We hebben dat vochtige archief laten drogen en overgebracht naar het Torengebouw in Antwerpen. Vanaf 2003 had ik dan de tijd om dat te gaan onderzoeken. Elsschot zat in de reclame, maar wat deed hij precies voor de kost? Van de Reijt: Dankzij het recente en bijzonder belangrijke boek van C.J. Aarts en M.C. van Etten (Van onzen correspondent, nvdr.) Journalistiek werk van Willem Elsschot uit 2017 weten we dat hij veel actiever was als Antwerpse correspondent voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant dan we dachten. Aarts en Van Etten vermoeden dat Elsschot 35 artikelen schreef tussen 1918 en 1922. De NRC stond voor strakke stukken, een correspondent was anoniem en moest zich ook niet qua stijl onderscheiden in de wat saaie zakenkrant voor de Rotterdamse beursmannen. Toch heeft Elsschot zich af en toe laten gaan, zijn pen ging dan op de loop met hem. Vermoedelijk heeft hij daar goed zijn boterham mee verdiend. In 1920 start hij met zijn eigen reclamebureau en mag hij meteen de brochure maken voor de Olympische Spelen in Antwerpen. Daarna krijgt hij de reclameregie voor de adresboeken van Ratinckx, de voorlopers van de telefoongidsen. Elsschot beseft ook dat België het dichtste spoorwegnet ter wereld bezit. Er waren toen 236 stations, van Aalst tot Zwijndrecht, met in elk station een kiosk. Elsschot nam de reclameregie daarvoor op zich. Hij liet reclameborden maken voor de zaken die in die kiosken verkocht werden: chocola, kranten, sigaren enzovoort. Een geniaal idee. Hij liet die emaillen borden zelf maken: daar heb ik nooit facturen van teruggevonden, dat moet dus een zwartgeldcircuit zijn geweest. (lacht)Op het vlak van reclamemaken was hij een pionier. Op een bepaald moment laat hij op zijn briefpapier zetten: Stichtend Lid van de Belgische Syndicale Kamer voor Publiciteit. U zegt: zaken doen en literatuur zijn één bij hem. Waarom? Van de Reijt: In 1930 maakt hij de Livre d'Or du Centenaire de l'Indépendance Belge. Daar komen zinnen in voor die hij zes jaar vroeger in zijn roman Lijmen had gebruikt: dé clichés om bedrijven met feestelijke beschrijvingen in het licht te zetten. Maar geen hond had Lijmen gelezen en niemand zag dat ze bij de neus werden genomen. Dat feestboek werd steeds maar dikker door de reclame. Aan de hand van belangrijke bedrijven lijmde Elsschot er weer nieuwe en overtuigde ze om advertentieruimte te kopen. Die Livre d'Or is het begin van het conflict met zijn zakenpartners. Léonce Leclercq en Lodewijk de Haas vinden het zo'n mooi boek dat ze er een paar honderd van laten bijdrukken. Elsschot vindt dat niet nodig. En ze blijven er ook mee zitten, want wie koopt zo'n veel te duur boek? Zijn eigen luxe-exemplaar geeft hij cadeau aan de baas van de Bond van Kroostrijke Gezinnen, generaal Lemercier. Hij denkt: dan kan die man mij niets weigeren. En Elsschot begint onder de hoge bescherming van Lemercier het jaarboek van de bond te maken, de beroemde Almanak der Kroostrijke Gezinnen. Een reclamefuik, zoals het Wereldtijdschrift in Lijmen? Van de Reijt: Voor de Almanak deed hij inderdaad iets soortgelijks, maar het was een merkelijke verbetering want hij hoefde de distributie niet zelf te verzorgen. Voor de verspreiding zette hij een netwerk van vertegenwoordigers in. Dat komt terug in Kaas. In die roman komt zijn hele biografie samen, de Edammers zijn de Almanakken. Het grote verschil is natuurlijk dat Elsschot het hoofdpersonage Laarmans neerzet als een loser, terwijl in de werkelijkheid Elsschot een buitengewoon succesvol ondernemer was. Heeft hij Kaas in 1933 echt in drie weken geschreven? Van de Reijt: Hij was er al vroeger aan begonnen. Zijn moeder was in 1926 overleden. De scène bij het doodsbed van zijn moeder - in het begin van Kaas - en de tocht op het kerkhof, waar hij het graf van zijn moeder niet kan vinden en met een veel te grote tuil bloemen rondloopt - het slot van de roman - komen allemaal voort uit schaamte. Maar dat is niet genoeg om een boek op te bouwen. Elsschot heeft een rode draad nodig. Die wordt geleverd door zijn toetreden tot de Antwerpse bourgeoisie: de oprichting van zijn eigen zaak in 1931. Nou, die zaak floreert. Als hij Kaas aan het schrijven is, is hij volop bezig met die Almanak voor de Kroostrijke Gezinnen. Maar een roman die goed afloopt, is een ongeschikt thema. Dus die Almanakken worden in de roman kaasbollen die hij niet verkocht krijgt. (grinnikt) Laarmans wil deel uitmaken van de bourgeoisie, maar hij schiet tekort. Laarmans schiet overal tekort, ook bij het sterfbed van zijn moeder. Dat is pijnlijk. De moeder is een prominente figuur in het oeuvre van Elsschot, in tegenstelling tot de vader. Van de Reijt: Ik ben zelf, net zoals Willem Elsschot, de zoon van een bakker. Geleidelijk aan is mijn onderzoek naar Elsschot ook een zelfonderzoek geworden. De vader is afwezig in Elsschots romans en gedichten. Dat was ook bij ons zo: mijn moeder liet het gezin draaien. Door de bestudering van Elsschot ben ik veel over mijn vader te weten gekomen. Het is die ontdekking die ook in dit boek zit. Langzamerhand ben ik erachter gekomen dat ik niet zozeer literair of filologisch onderzoek moest doen. Nee, ik ontdekte dat Elsschot de hele dag met andere dingen bezig was en dat hij in zaken net zo briljant was als in zijn literatuur. 'De ontdekking van Elsschot' is de ontdekking dat achter Elsschot een eminent, intelligent en visionair zakenman schuilging. Je vindt dezelfde sardonische humor waarmee hij zijn zaken bedrijft terug in zijn romans. Eén uur nadenken scheelt een dag werk, zei hij. Het was een man wiens brein nooit stilstond. Toch had hij nog de tijd om een belangrijk literair oeuvre te schrijven. Van de Reijt: Mijn theorie is dat hij een soort boetedoening doet in zijn werk. Hij moet getuigenis afleggen omdat er te emotionele zaken in zijn omgeving en in zijn zaken gebeuren. Daarvoor moet zijn schrijverspen geslepen worden. Het is daarom volkomen onzin om De Ridder en Elsschot te scheiden, wat in de hele literatuurgeschiedenis gebeurd is. Dat literaire werk was troost voor zijn zakenmanschap. Als dat hem te veel werd, kon hij schrijven. Spijt is niet toevallig de titel van een van zijn mooiste moedergedichten. Van de Reijt: Spijt en schuld zijn belangrijke thema's en drijfveren bij Elsschot. Je schrijft alleen maar als er een aanleiding is en je iets te melden hebt, vindt hij. 'Waar zwangerschap bestaat volgt het baren vanzelf, te gepasten tijde.' En: 'Men probeert geen schepping. Men probeert ook niet te baren.' Niet voor niets staan die uitspraken in de inleiding op Kaas. Elsschot had toen tien jaar gezwegen. Maar waarover had hij in die tien jaar moeten schrijven? Hij had in zijn eerste vier boeken al veel van zich afgeschreven. In Villa des Roses gaat het over Louise. Hij zet dwaalsporen uit - Louise komt uit de provincie naar Parijs - maar Louise is natuurlijk Fine, die hij in Antwerpen ongetrouwd achterlaat met hun zoon Walter. Daarover voelt hij zich schuldig. Lijmen zijn zijn memoires over wat er zich in zijn Brusselse jaren heeft afgespeeld: hij biecht zijn zonden op over de Revue Générale, later de Revue Continentale. Volgens zijn vennoot René Leclercq heeft Elsschot zichzelf zwaar gecensureerd, de geschiedenis van hun zwendel in bedrukt papier was blijkbaar veel erger. Helemaal anders van toon is Tsjip. Van de Reijt: In 1933 wordt zijn eerste kleinzoon geboren: Jan Maniewski, de 'Tsjip' uit de titel. En Elsschot smelt weg. Lees de laatste zinnen van Tsjip: dichter kom je niet bij zijn ziel. Daar roept de zakenman op tot revolutie? Van de Reijt: Ja, hij roept op om vorsten en groten tot brij te vertrappen. Elsschot heeft op dat moment intens contact met Jan Greshoff, die hem het duwtje in de rug heeft gegeven om Kaas te schrijven. Greshoff maakt ook zo'n radicale periode door, hij schrijft liedjes tegen de Duitsers. Het is 1933, met de machtsovername van Hitler en de brand van de Rijksdag, waarvoor de nazi's de Nederlandse communist Marinus van der Lubbe verantwoordelijk achten en terechtstellen. Aan Van der Lubbe wijdt Elsschot trouwens een vlammend gedicht. In De ontdekking van Elsschot reconstrueer ik aan de hand van brieven wat er na Tsjip/De leeuwentemmer gebeurt. In de roman en in de werkelijkheid wordt de kleine Tsjip in Polen vastgehouden door zijn vader Bennek. De ouders van Tsjip zijn inmiddels uit elkaar. In een wanhoopspoging trekt moeder Adèle De Ridder, de oudste dochter van Elsschot, naar Polen en ze slaagt erin haar zoontje weer naar Antwerpen te brengen. De regie is helemaal in handen van Elsschot, die de ene brief na de andere schrijft. In Antwerpen is Tsjip nog niet veilig. Hij wordt zo snel mogelijk naar Parijs gestuurd, naar het kinderloze echtpaar tante Ida en John Eastwick - reder, stinkend rijk en de figuur waarop Jacky Peeters in Het Tankschip geïnspireerd is. Instructies van Elsschot: houd de poort gesloten. Hij was als de dood dat Bennek het kind weer zou ontvoeren. Op 1 september 1939 vallen de Duitsers Polen binnen en dan is het gevaar - ironisch genoeg - voor het kind geweken. Bennek kan niet meer weg uit Polen. Voor zijn laatste boek, Het Dwaallicht, krijgt Elsschot in 1948 de Staatsprijs voor Vlaamse Letterkunde. Maar het is vooral de Constantijn Huygens Prijs die hem definitieve roem bezorgt. Van de Reijt: Toen was de Constantijn Huygens Prijs de meest prestigieuze onderscheiding in het taalgebied. Hij krijgt die in 1951 en is aangenaam verrast. Het is iets wat je tot op de dag van vandaag ziet: je kunt als schrijver in Vlaanderen roem vergaren, maar je bent pas echt geslaagd als je in Nederland erkenning krijgt. Tom Lanoye en Herman Brusselmans dachten er in het begin van hun carrière net zo over: publiceren in Nederland. Tom Lanoye is de Elsschot van Sint-Niklaas. Er zit in hem een kleine Boorman. Lanoye maakte al van het begin af aan zijn eigen persteksten en verzorgde zijn pr. Hij kroop ook op het podium. Dat heeft Elsschot nooit gedaan, hij wou niet opvallen. Hij ging altijd keurig gekleed in driedelig maatpak. Maar in 1951 wordt Elsschot door de academische wereld op een voetstuk geplaatst. Al schrijft hij dan niet meer? Van de Reijt: Nee, hij heeft nog wel de aanzet geschreven voor een oorlogsroman, maar die zal hij nooit afwerken. Ook de zaken gaan niet zo goed, hij dreigt zijn monopolie bij de spoorwegen te verliezen, zijn gezondheid gaat achteruit en hij krijgt een huidziekte. Voor het eerst is literatuur echt zijn troost, want hij wordt een erkend schrijver. In 1957 besluit Van Kampen (zijn Amsterdamse uitgever, nvdr) het oeuvre van Elsschot in één deel uit te geven. Vervolgens toert hij door Nederland met Simon Carmiggelt in het voorprogramma. Hij leest onder andere in De Bijenkorf in Rotterdam voor en wordt daarbij tot tranen toe geroerd. Jonge Nederlanders komen op hem af. En voor het eerst zie je echt schrijversgedrag. Zo maakt hij zich druk over de verkoop van zijn werk. Hij vindt dat zijn uitgever een te kleine oplage heeft gemaakt: 4500 exemplaren van de eerste druk. Denkt u zelf inmiddels aan een vermeerderde heruitgave van de Brieven? Van de Reijt: In 1993 heb ik alles afgedrukt wat ik toen gevonden had. Het hele zakelijk archief kan ik nooit integraal uitgeven, dat zouden wel tien delen worden. En niet alle zakenbrieven zijn interessant. Toch moet je er een aantal kunnen opnemen. Wat je zou moeten doen, is het beste nemen uit de editie van 1993 en die brieven toevoegen die Elsschot over Pensioen heeft geschreven, samen met zijn brieven rond De Leeuwentemmer. Eén dik deel in Privé-domein moet mogelijk zijn. Wilt u het zelf doen? Van de Reijt: Dat is een andere vraag. Als je het goed wilt doen, ben je er drie à vier jaar mee bezig. Maar wat ik heel graag zou hebben, is dat een historicus eens door Elsschots zakelijk archief zou gaan. Zeker iemand met een goede kennis van de Tweede Wereldoorlog. Dat archief ligt nu in het Letterenhuis.