Opinie

Michel Gevers

‘De boycot van Zuid-Afrika: welke lessen voor de strijd tegen de apartheid in Israël?’

Michel Gevers Professor emeritus UCLouvain

‘De geschiedenis leert ons dat de strijd tegen de apartheid in Israël in de eerste plaats door het volk zal worden gevoerd’, schrijft Michel Gevers (UCLouvain) naar aanleiding van een recent rapport van Amnesty International over de situatie in Israël en Palestina.

Het recente rapport van Amnesty International (AI), dat Israël ervan beschuldigt apartheid toe te passen, heeft in heel de wereld bij de publieke opinie een gevoelige snaar geraakt. De organisatie, die 10 miljoen leden telt, staat immers bekend om haar ernst en voorzichtigheid, en het verslag is dan ook het resultaat van vier jaar onderzoek. Naast AI hebben al veel andere organisaties de apartheid en de vervolging van de Palestijnse bevolking door de Staat Israël aan de kaak gesteld. Daarbij onder meer Human Rights Watch, de Israëlische organisaties B’Tselem en Yesh Din, en de speciale rapporteur van de Verenigde Naties Michael Lynk, om nog te zwijgen van tal van Israëlische persoonlijkheden, waaronder twee voormalige Israëlische ambassadeurs in Zuid-Afrika: die verklaarden in juni 2021 dat de invoering van de apartheid in Israël geïnspireerd was op die van Zuid-Afrika, na een bezoek van Ariël Sharon aan dat land in de jaren 1980.

Op zichzelf is apartheid al een misdaad tegen de menselijkheid, maar het is ook het instrument van overheersing dat de Staat Israël gebruikt om andere misdaden tegen de Palestijnse bevolking te begaan. Hier zijn een paar feiten: in 2021, een rustig jaar, doodde het Israëlische leger volgens de Israëlische krant Haaretz 319 Palestijnen, terwijl in diezelfde periode 11 Israëlische soldaten werden gedood. Sinds begin 2022 heeft het Israëlische leger al 8 kinderen gedood. En in de afgelopen 20 jaar heeft Israël in de bezette Palestijnse gebieden tienduizenden woningen gebouwd die uitsluitend voor Joden bestemd zijn, terwijl het duizenden Palestijnse huizen heeft gesloopt[5].

In Israël is apartheid een realiteit

De Staat Israël oefent controle uit over een gebied dat zich uitstrekt van de Jordaan tot aan de Middellandse Zee, en dat het eigenlijke grondgebied van Israël zelf omvat, evenals de bezette Palestijnse gebieden (de Westelijke Jordaanoever, met inbegrip van Oost-Jeruzalem, en Gaza). In dat gebied wonen ongeveer 6,5 miljoen Joden en evenveel Palestijnen, waarvan 2,3 miljoen in Gaza. Hoewel de Israëlische administratie er niet zelf aanwezig is, leven de inwoners van de Gazastrook onder de blokkade van de Israëlische staat, die hen belet het gebied te verlaten en die de invoer van goederen en materialen controleert.

Zoals blijkt uit de hierboven vermelde verslagen hoeft niet meer aangetoond te worden dat apartheid in Israël en de bezette gebieden een wettelijk verankerde realiteit is. Voor Lev Grinberg, voorzitter van de Israeli Sociological Association, is het systeem in de praktijk nog erger dan de apartheid in Zuid-Afrika. Discriminatie tussen Joden en Palestijnen komt op alle niveaus voor.

Zo werden er in de door Israël bezette gebieden meer dan 160 Palestijnse enclaves gecreëerd, die van elkaar geïsoleerd zijn door territoriale versnippering (zie de kaart). Om van de ene naar de andere enclave te gaan moeten Palestijnen meerdere Israëlische legercontroles ondergaan, waarbij zij vaak lange tijd worden opgehouden (de beruchte “checkpoints”), terwijl Joden zich daar ongehinderd kunnen verplaatsen. Palestijnse boeren moeten soms lange omwegen maken en die “checkpoints” passeren om bij het veld te komen dat naast hun huis ligt. Terwijl voor de joodse kolonisten in bezet Palestina de civiele wetgeving van de Staat Israël geldt, zijn de Palestijnen onderworpen aan militaire verordeningen en zijn zij regelmatig slachtoffer van de beruchte “administratieve aanhoudingen” door het leger, waarbij zij maandenlang zonder aanklacht kunnen worden opgesloten. Het gaat zelfs zo ver dat vanaf mei 2022 het Israëlische leger bevoegd wordt om controle uit te oefenen op een aantal beslissingen van de academische autoriteiten aan de Palestijnse universiteiten.

Zuid-Afrika en Israël: de geopolitiek van apartheid

Het is dan ook nuttig even in herinnering te brengen wat de drijvende krachten waren achter de strijd die geleid heeft tot het einde van de apartheid in Zuid-Afrika. Net als nu met Israël zijn de machthebbers in de westerse wereld de witte regering van Zuid-Afrika lang blijven steunen, ondanks haar misdaden, voornamelijk om de volgende twee redenen. Ten eerste werd Zuid-Afrika beschouwd als een geopolitieke bondgenoot en een bolwerk tegen de onafhankelijkheidsbewegingen die in verschillende Afrikaanse landen opgang maakten. De tweede reden is dat grote Britse en Amerikaanse mijnbouwbedrijven aanzienlijke belangen hadden in Zuid-Afrika. En die twee elementen zijn ook aanwezig in de steun van de westerse regeringen aan Israël. Daar bovenop komt het Europese schuldgevoel voor de Holocaust. De westerse machthebbers en de reguliere media hebben lang de mythe gevoed dat Israël een eiland van democratie is in een zee van autoritaire regimes, en daarom een natuurlijke bondgenoot. Israël probeert die mythe in stand te houden, ook al begint zij af te brokkelen. Bovendien is de Europese Unie de grootste handelspartner van Israël, gevolgd door de Verenigde Staten.

Aangezien onze regeringen de ogen sluiten voor de misdaden die Israël pleegt, zoals het vernietigen van scholen of ziekenhuizen, kan de strijd tegen de apartheid alleen worden gevoerd door burgerbewegingen, zoals ook voor Zuid-Afrika het geval was.

De strijd tegen apartheid in Zuid-Afrika

Die strijd begon in 1959 in Londen met een oproep van Zuid-Afrikaanse ballingen, gesteund door vakbonden, studentenbewegingen, feministen, de Engelse Labour Party en Liberal Party. De beweging noemde zichzelf Anti-Apartheid Movement (AAM). Een eerste overwinning was dat dankzij de AAM Zuid-Afrika in 1961 uit het Commonwealth werd gesloten.

Na haar oprichting in Engeland werd de AAM door burgerbewegingen voortgestuwd, en dit wereldwijd en onder verschillende gedaantes: vakbondsacties om te weigeren Zuid-Afrikaanse schepen te lossen, academische boycots van Zuid-Afrikaanse universiteiten, weigering van Zuid-Afrikaanse teams bij sportcompetities. In 1970 werd Zuid-Afrika uitgesloten van de Olympische Spelen. In 1977 keurde de VN-Veiligheidsraad een embargo goed op de export van wapens naar Zuid-Afrika. In 1986 keurden het Amerikaanse Huis en de Senaat onder toenemende publieke druk en ondanks het veto van president Reagan de Comprehensive Anti-Apartheid Act goed.

De pioniersrol van Zweden en Australië

In Europa was Zweden, onder impuls van premier Olof Palme en van een aantal burgerbewegingen, de koploper van de AAM. Vanaf 1982 organiseerde Palme in het geheim de financiering van Zuid-Afrikaanse verzetsorganisaties met ongeveer 400 miljoen euro. Dat geld kwam hoofdzakelijk van honderden Zweedse burgerverenigingen.

Aan de andere kant van de wereld speelde Australië, het grootste witte land van het zuidelijk halfrond, een belangrijke rol. In 1960, bij het begin van de anti-apartheidsstrijd, had Australië een bevolking van 10 miljoen mensen, wat vergelijkbaar was met België. Daarom ook is het interessant na te gaan hoe dit middelgrote land meewerkte aan de boycot van Zuid-Afrika, en daaruit lessen te trekken voor de strijd tegen de apartheid in Israël.

In Australië kwam de strijd tegen de apartheid aanvankelijk uit de civiele maatschappij: vakbonden, de academische wereld, feministen, kerken, maar ook de sportwereld. De komst in 1971 van het volledig uit witten bestaande Zuid-Afrikaanse rugbyteam was de aanleiding. Australische spelers verzetten zich tegen de tournee; Australische luchtvaartbonden weigerden het team te vervoeren en de liberale premier Malcolm Fraser moest een militair vliegtuig sturen om hen op te halen; het personeel van de hotels waar de Zuid-Afrikaanse-spelers verbleven, weigerde hen te bedienen. In elke stad waar de Zuid-Afrikaanse spelers optraden, braken protesten uit. Het verzet van het maatschappelijk middenveld tegen de tournee maakte het Australische volk bewust van de realiteit van de apartheid en leidde tot een verbod op deelname van Zuid-Afrika aan het cricketkampioenschap van 1972 in Australië.

In 1983 wordt Bob Hawke, lid van Labour en voorzitter van de ACTU, tot premier gekozen en komt de strijd tegen apartheid in een stroomversnelling. De havenarbeidersbonden weigeren schepen uit Zuid-Afrika te lossen, de handel tussen beide landen stort in elkaar als gevolg van de boycot van Zuid-Afrikaanse-producten door de bevolking. Canberra sluit het Zuid-Afrikaanse toerismebureau. Wanneer Nelson Mandela in 1990 na 27 jaar uit de gevangenis wordt vrijgelaten, brengt hij een bezoek aan Australië en brengt hij daar een levendig eerbetoon aan de bevolking, en in het bijzonder aan de vakbonden.

Het einde van de apartheid

Tegen het einde van de jaren 1980 hadden 25 landen, waaronder de VS en Groot-Brittannië, economische sancties tegen Zuid-Afrika ingesteld, en dat aantal nam nog toe. Die sancties, en met name het verbod op de uitvoer van olie naar Zuid-Afrika, de boycot van Zuid-Afrikaanse producten en de desinvestering door internationale bedrijven, hebben er in grote mate toe bijgedragen dat de Zuid-Afrikaanse regering in 1990 Nelson Mandela vrijliet en een jaar later formeel een einde maakte aan de apartheid.

Wat kunnen Belgische en Europese burgers vandaag doen?

De geschiedenis leert ons dat de strijd tegen de apartheid in Israël in de eerste plaats door het volk zal worden gevoerd. En de wapens daarvoor zijn talrijk. In de eerste plaats is er het feit dat apartheid een misdaad tegen de menselijkheid is en dat Israël het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie van 1965 geratificeerd heeft. Dat Verdrag  verplicht staten er toe om elke vorm van apartheid of rassenscheiding in de gebieden onder hun controle uit te bannen. Bovendien heeft het Internationaal Strafhof jurisdictie over de bezette gebieden. De Belgische en Franse banken die investeren in bedrijven die actief zijn in de nederzettingen zijn medeplichtig aan deze bezetting. BNP Paribas, met als grootste aandeelhouder de Belgische staat, is voor bijna 17 miljard euro betrokken bij bedrijven die actief zijn in Israëlische nederzettingen die illegaal in bezet Palestina zijn gevestigd. Ook  andere Belgische banken zijn er aanwezig. Het is dan ook aan de burgers om druk te zetten op hun banken om hun steun aan de apartheid te beëindigen door zich uit die bedrijven terug te trekken.

Om te helpen een einde te stellen aan de misdaad die apartheid is, moet de academische wereld haar institutionele samenwerking met de Israëlische universiteiten stopzetten. Honderden Belgische academici hebben zich, op initiatief van de vereniging BACBI  , daartoe verbonden. In een flagrante negatie van de apartheidssituatie heeft de Europese Commissie in december 2021 de deelname hernieuwd van Israël aan Europese onderzoeksprogramma’s, waarbij Israël dezelfde rechten geniet als de EU-landen. Aangezien de leiders aan de apartheid medeplichtig zijn, is het eens te meer aan het middenveld en de wetenschappelijke onderzoekers om hen op hun verantwoordelijkheden te wijzen.

Ook consumenten kunnen hun steentje bijdragen door producten van bedrijven die illegaal in de nederzettingen actief zijn, te boycotten. Tot dusver hebben de Europese leiders geweigerd om regels vast te stellen om de invoer van deze producten te verbieden; het burgerinitiatief dat recentelijk op 21 februari 2022 werd gelanceerd kan hen wellicht daartoe dwingen.

Ook de sport- en cultuurwereld moeten hun rol spelen, net zoals zij dat hebben gedaan tijdens de apartheid in Zuid-Afrika. Zo verschrompelde in januari 2022 het programma van het Sydney Festival drastisch toen zo’n 20 internationale artiesten weigerden deel te nemen omdat het festival financiële steun had gekregen van de Israëlische ambassade. En onlangs was er ook in België een soortgelijk initiatief, toen in een open brief werd geprotesteerd tegen de steun van de Israëlische ambassade voor de organisatie van het Brussels Short Film Festival.

En tot slot: ook de media hebben een overweldigende verantwoordelijkheid. Door hun woordgebruik spelen de reguliere media een sleutelrol bij de acceptatie van apartheid en de illegale bezetting van de Palestijnse gebieden. Zij maken ons eraan gewend dat Palestijnen die in opstand komen en stenen naar de bezetter gooien “terroristen” worden genoemd, en zij leggen uit dat de Israëlische “ordehandhavers” wel moesten ingrijpen. Kunnen wij ons ook maar één seconde voorstellen dat Oekraïense verzetsstrijders “terroristen” zouden worden genoemd wanneer zij tegen de Russische bezetter vechten, en dat de Russische soldaten dan de “ordehandhavers” zouden zijn?

Michel Gevers is is professor emeritus aan de UCLouvain. Hij maakt deel uit van het collectief Carta Academica.


Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content