Na de radicale aanval van zijn collega-filosofen: is Peter Sloterdijk de ideoloog van populistisch rechts?

Seksisme, racisme, elitisme en boven alles fascisme: Klaus Weber overlaadt Peter Sloterdijk (foto) met alle zonden van deze tijd. © Stephanie von Becker

Moet ‘de samenleving strijdlustiger, mannelijker en trotser’ worden? Is democratie ‘een slappe vorm van moed’? De Duitse filosoof Peter Sloterdijk krijgt het verwijt dat hij de geesten rijp maakt voor een nieuwe vorm van fascisme. Knack legde zijn oeuvre onder het vergrootglas.

De ene vindt hem de belangrijkste Europese denker van het moment, de andere een gangmaker van het nieuwe Duitse fascisme. Het is weinig filosofen gegeven om zulke extreme reacties op te roepen en zo zwaar te wegen op het publieke debat. Het lijkt Peter Sloterdijk (1947) allemaal geen moeite te kosten. Al enkele decennia splijt zijn werk de geesten. Vorig jaar nog ontving hij de ‘Europapreis für politische Kultur’ van de Zwitserse Stiftung Hans Ringier voor zijn kritische dialoog met het westerse verlichtingsdenken. Maar onlangs verscheen een vlijmscherpe publicatie, onder redactie van psychologieprofessor Klaus Weber, waarin Sloterdijk wordt beladen met alle zonden van deze tijd: seksisme, racisme, elitisme en boven alles fascisme. Het boekje zorgt voor commotie in Duitsland, al was het maar omdat de toon een georkestreerde afrekening doet vermoeden.

Wat vooral duidelijk wordt uit de hetze, is hoe diep gepolariseerd Europa is. Je zou haast vergeten dat Sloterdijk intrigerende boeken blijft schrijven.

‘Neoconservatief’

Ja, Peter Sloterdijk is een omstreden filosoof. Controverse zit in het DNA van zijn denken. ‘De filosofen hebben de samenleving slechts verschillend gevleid; het komt erop aan haar te provoceren’, schrijft hij met een knipoog naar Karl Marx. ‘De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt erop aan haar te veranderen.’ En provoceren hééft Sloterdijk gedaan.

De Duitser maakte een spectaculaire entree met zijn Kritiek van de cynische rede (1983), dat een cultboek werd. Meteen vielen zijn eruditie, zijn stilistische kwaliteiten, zijn ironische toon en zijn scherpe observaties op. Vanaf Eurotaoïsme (1989) begon een meer antropologisch project. Vanuit verschillende vertelramen gaat Sloterdijk op zoek naar een andere woordenschat dan de traditioneel sociaal-psychologische om de mens, zijn evolutie en zijn moderne fase te beschrijven. In de Sferen-trilogie (1998, 1999, 2004) stelt hij zich niet langer de vraag ‘wie is de mens?’ maar ‘waar woont de mens?’ Het kristalpaleis: een filosofie van de globalisering (2005) gaat over de verovering en de onderwerping van de wereld door Europa. In Woede en tijd (2006) introduceert hij het thymos-begrip, dat staat voor trots en moed, als correctie op onze overgeërotiseerde samenleving. In Je moet je leven veranderen. Over antropotechniek (2009) beschrijft hij de menselijke evolutie als het gevolg van oefening en disciplinering. De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd (2014) analyseert de moderniteit als een radicale breuk in de genealogie: wij, moderne mensen, zijn allemaal bastaardkinderen, losgescheurd van voorvaderen en tradities.

Sloterdijks tegenstanders doen hem in het beste geval af als ‘een neoconservatief’. Hij wijst het etiket ‘conservatief’ niet af, maar het gaat voor hem breder dan de eng politieke betekenis. Sloterdijk mengt conservatieve, liberale en linkse standpunten. Zijn conservatisme is een reactie tegen de totale mobilisering van de moderne samenleving. Hij gelooft niet in de vooruitgang, de maakbaarheid van mens en samenleving is een naïeve linkse gedachte. Weber en de zijnen wijzen erop dat de afwezigheid van de mens als handelende persoon in zijn denken al zichtbaar wordt in zijn voorkeur voor passiefconstructies en het gebruik van ‘men’. Dat klopt. De actoren en de energiebronnen van de moderniteit – het individu, de natie, de rede, de vooruitgang enzovoort – hebben in de ogen van Sloterdijk net de impasse veroorzaakt waarin we zitten.

De koorts van het denken

Er bestaat volgens Sloterdijk geen punt meer van waaruit wij de wereld kunnen overzien en onze problemen precies kunnen lokaliseren. Wij staan er altijd midden in. Voor hem zit er niets anders op dan ‘het experiment van het bestaan’ aan te gaan. We moeten ons laten intoxiceren door wat er om ons heen gebeurt. Net als Nietzsche zegt hij: ‘Het is niet de opgave van een schrijver om onschadelijk te zijn. Uit onschadelijkheid komt uitsluitend onschadelijkheid voort, maar uit het gevaarlijke ontstaat het denken.’ De confrontatie met het gevaar heeft consequenties voor het denken: ‘De filosofische gedachte is geen zuivere reflectie, noch een expressie, maar een koorts die reageert op een specifieke intoxicatie.’ Het denken als een koorts die reageert op de intoxicaties van zijn tijd? Eigentijdser kan het denken van Sloterdijk moeilijk omschreven worden.

Met een ander beeld zegt hij dat de moderne filosofie moet openstaan ‘voor een stofwisseling met wat geen filosofie is: de sociale strijd, de waanzin, het lijden, de kunst, de politiek, de ongelukken, de ziekenhuizen, de techniek’. Sloterdijks essays zijn een verslag van die stofwisseling en die intoxicaties. Het zijn geen systematisch opgebouwde en hiërarchisch gestructureerde analyses met een strak gedefinieerd begrippenapparaat, maar meanderende en uitdijende teksten die zich met verrassende metaforen, onverwachte associaties en spitse aforismen door de hele Europese cultuurgeschiedenis bewegen, vanaf de Grieks-Romeinse oudheid tot de dag van vandaag.

De breedte van Sloterdijks thema’s is overdonderend, zeg maar: encyclopedisch. Bij hem vervagen de grenzen tussen filosofie en literatuur, tussen ernst en ironie, concept en metafoor, argument en associatie, mythe en politiek. Dat levert ondogmatische en gelaagde teksten op, even uitdagend en onderhoudend als verwarrend en irritant. Door zijn intense aanwezigheid in kranten en op tv (tussen 2002 en 2012 had hij zelfs een eigen filosofische talkshow), en zijn controversiële meningen over maatschappelijke uitdagingen zoals gentechnologie en vluchtelingen is zijn relatie met de (links-liberale) publieke opinie en media explosief. Voor de journalistiek – ‘de leugenether’, zoals hij ze noemt – heeft hij geen goed woord over: het is een ‘opwindingsproduct’ geworden, waarin iedere aanklacht meteen al een veroordeling is.

Klaus Weber (redactie), Sloterdijk - Aristokratisches Mittelmaß & Zynische Dekadenz. Gestalten der Faschisierung 1, Argument Verlag, 175 blz., 11,55 euro.
Klaus Weber (redactie), Sloterdijk – Aristokratisches Mittelmaß & Zynische Dekadenz. Gestalten der Faschisierung 1, Argument Verlag, 175 blz., 11,55 euro.

De ‘affaires’

Er zijn de voorbije decennia verscheidene ‘Sloterdijk-affaires’ geweest, maar de eerste kreeg ongetwijfeld de meeste internationale weerklank. In 1999 gaf Sloterdijk in Beieren een lezing onder de titel Regels voor het mensenpark. In de kern is het een tekst over het einde van het literaire bildungshumanisme: een op het schrift gebaseerde vorming van de mens, waarbij die zich ontwikkelt tot volwassen en verantwoordelijk wezen door zijn contact met de grote literaire, filosofische en wetenschappelijke werken. Het fascisme heeft echter duidelijk gemaakt dat het humanisme niet in staat was de bestialiserende krachten in de mens te beteugelen. Daarnaast hebben de massacommunicatie, het internet en de technologie een definitief einde gemaakt aan de epistolaire dimensie van het humanisme. Sloterdijk stelt zich dan de vraag: ‘Wat is nog in staat de mens te temmen, als het humanisme als “school van het temmen van de mens” faalt?’ In die context maakt hij een aantal opmerkingen over de mogelijkheid dat de mens ook genetisch ten goede kan worden veranderd – al verbergt hij niet zijn twijfels of de mens wel in staat is om dat in goede banen te leiden. Hij roept daarom op om ‘een codex van antropotechnieken’ vast te leggen.

Sloterdijk gaf zijn lezing op een ogenblik dat het menselijk genoom bijna volledig in kaart was gebracht en de gentechnologie een hoge vlucht nam. Discussies over genetische manipulatie liggen, zeker in Duitsland, zeer gevoelig. Termen als ’telen’ en ‘selectie’ herinneren aan de eugenetische politiek van de nazi’s. De verwijzing naar antidemocratische denkers als Nietzsche en Plato gaven zijn uitspraken extra politiek gewicht. Een journalist interpreteerde de lezing als een nauwelijks verholen pleidooi voor het verbeteren van de mensensoort, waarbij een elite de codes moet opstellen voor het gentechnologisch telen van mensen. Het woord ‘fascistisch’ viel, en Sloterdijk zou met zijn uitspraken de Joden hebben beledigd. Het Duitse magazine Der Spiegel had het onomwonden over ‘antidemocratische, antiwesterse, zelfs totalitair-fascistoïde denkbeelden’. Het schandaal was geboren.

De staat: een monster

Ook met zijn artikel De revolutie van de gevende hand (2009) zorgde Sloterdijk voor behoorlijk wat controverse. Hij opent zijn tekst met de uitspraak ‘Eigendom is diefstal’, die door Pierre-Joseph Proudhon in zijn boek Wat is eigendom? (1840) beroemd en berucht werd gemaakt. Sloterdijk beweert dat de hedendaagse welvaartsstaat de grootste ‘fiscale kleptocraat’ is: ‘Binnen een eeuw tijd heeft de moderne staat zich ontwikkeld tot een geld zuigend en geld spuwend monster van ongekende proporties.’ De overheden hebben intussen zulke grote schulden dat de toekomst van de volgende generaties in gevaar komt.

Het is een sterk antilinkse tekst. Sloterdijk verwerpt het idee dat de spanning tussen kapitaal en arbeid de moderne economie bepaalt. Hij vervangt die door ‘de antagonistische liaison tussen schuldeisers en schuldenaars’. Hij komt zelfs tot de conclusie dat we helemaal niet in een kapitalistische samenleving leven: ‘We leven in een orde die gedefinieerd moet worden als een massamediaal geïnspireerde, via de belastingstaat toeslaand semisocialisme, op eigendomseconomische grondslagen. Officieel heet dat schaamteloos “sociale markteconomie”.’

Sloterdijks meest controversiële punt is dat vooral de productieve klasse lijdt onder de ‘nemende hand’ van de overheid. Elk financieel succes wordt door hoge belastingen bestraft en moreel vertaald in een schuldgevoel. Sloterdijk pleit voor een ‘revolutie van de gevende hand’, waarbij de productieve klasse, niet langer gedwongen om belastingen te betalen, uit vrije wil genereus geeft aan de gemeenschap. Het is een provocerende tekst die vreemd genoeg lijkt terug te vallen in een ‘humanisme’ van individuele rijken die hun trots halen uit het genereus wegschenken van geld voor het goed van de samenleving.

Voor de journalistiek – ‘de leugenether’ – heeft Sloterdijk geen goed woord over: het is een ‘opwindingsproduct’ geworden.

Wir schaffen das nicht

In 2015 besloot de Duitse bondskanselier Angela Merkel honderdduizenden vluchtelingen in Duitsland toe te laten. Haar uitspraak ‘ Wir schaffen das‘ werd wereldnieuws. Sloterdijks reactie maakte hem niet populairder in de media. Er bestond volgens hem niet zoiets als ‘een morele plicht tot zelfvernietiging’. Met haar welkomstcultuur getuigde Merkels houding van een ‘abstract universalisme’, terwijl de politiek in termen van jaren en decennia moet denken – al gaf hij toe dat er humanitair gezien wellicht geen andere keuze was. Geconfronteerd met de opmerking dat er blijkbaar een verschil bestond tussen zijn filosofische en zijn politieke opvattingen over gelijkheid, antwoordde hij dat hij er als burger meer conservatieve standpunten op na hield dan als filosoof.

In 2016 verscheen zijn roman Het Schellingproject, een e-mailroman waarin vijf wetenschappers (drie mannen en twee vrouwen) een onderzoeksproject indienen met als onderwerp: de evolutionaire ontwikkeling van het vrouwelijke orgasme. Om indruk te maken op de onderzoekscommissie verzinnen ze een verband met de metafysica van de idealistische filosoof Friedrich Wilhelm Schlegel. De hoax wordt doorzien en de financiering gaat niet door. De objectieve en wetenschappelijke interesse in het vrouwelijke genot verschuift langzaam naar e-mails vol ontremde seksuele fantasieën van de vijf onderzoekers. Sommigen zagen in de satirische erotisch-filosofische roman een antifeministisch pamflet en een aanval op het genderdebat.

‘Fascisering’

In de publicatie van Weber en co. passeren al die affaires opnieuw de revue. De toon is bepaald agressief. Het boekje is het eerste in een reeks die ‘Gestalten der Faschisierung’ heet. Klaus Weber is als hoogleraar psychologie verbonden aan de Hogeschool van München. Al twintig jaar houdt hij zich bezig met ‘Faschisierung’, een begrip dat niet verwijst naar het kopiëren van het fascisme van het Derde Rijk, maar naar het voorbereiden van de geesten voor een rechts-populistische samenleving met elementen uit het traditionele fascisme.

Het is geen toeval dat Weber begint met een verwijzing naar Martin Heidegger. Heidegger, door velen beschouwd als een van de belangrijkste filosofen van de twintigste eeuw, was lid van de nazipartij NSDAP en zag zichzelf een tijdlang als een mogelijke filosofische gids voor het nieuwe Duitsland. In 1934 trok hij zich ontgoocheld terug uit het praktisch-politieke, en ook zijn filosofisch denken ging een andere richting uit. Toch blijkt uit zijn dagboeken dat hij tot in de jaren 1940 lid is gebleven van de NSDAP en met de nationaalsocialistische ideologie in dialoog is gebleven – al deed hij dat alleen in zijn dagboeken, niet in zijn colleges en publicaties. Maar de cruciale vraag blijft: heeft zijn engagement met het nazisme zijn hele filosofie geïnfecteerd (of erger nog: heeft zijn filosofie het nationaalsocialisme helpen voorbereiden?) of blijft het wezen van zijn werk ervan gevrijwaard? Voor Weber is het een uitgemaakte zaak, en hij verwijt Sloterdijk niet in te gaan op Heideggers nationaal- socialistische engagement.

De bijdragen van Weber zijn virulent. Hij zwaait kwistig met termen als fascist, racist en seksist. Hij kruipt zelfs in de huid van Sloterdijk die zich naar aanleiding van zijn erotische roman Het Schellingproject in een brief aan Bhagwan richt. Sloterdijk bezocht Bhagwan in het begin van de jaren 1980 in India, en onderging ook zijn invloed – al blijft Sloterdijk daar erg discreet over. Weber noemt Sloterdijk ‘een salonfascist’ en wijst erop dat Marc Jongen, een voormalige assistent van Sloterdijk die bij hem promoveerde, intussen voor de rechts-populistische Alternative für Deutschland (AfD) in de Bondsdag zit. Sloterdijk heeft expliciet afstand genomen van Jongen, maar toch is het voor Weber het zoveelste bewijs dat Sloterdijk een ideoloog van populistisch rechts is.

Peter Sloterdijk, Theopoëzie. De hemel tot spreken brengen, Boom, 320 blz., 29,90 euro.
Peter Sloterdijk, Theopoëzie. De hemel tot spreken brengen, Boom, 320 blz., 29,90 euro.

Ook Jongen maakt gebruikt van het begrip ’thymos’ – moed en trots. Door de overerotisering van de moderne mens, waarin de psychoanalyse een cruciale rol heeft gespeeld, is het thymotische affect in de verdrukking geraakt. Sloterdijk pleit voor een herthymotisering van de samenleving en een meer uitgebalanceerd mensbeeld. Weber interpreteert dat op z’n smalst, en kan er alleen maar een oproep tot een traditionele mannelijkheid in zien en een legitimatie van het expliciet en gewelddadig uiten van opgekropte woede en frustraties. Voor Weber is Sloterdijk de eerste ‘gestalte van de fascisering’, en hij maakt van hem loslopend wild. Hij roept op tot een heksenjacht: ‘Met mijn boek wil ik voornamelijk activisten uit de antiracistische, feministische en natuurbewegingen bereiken. Zij hebben Sloterdijk nog niet in het vizier, maar ik hoop dat dit snel verandert.’

De meest leesbare en beargumenteerde bijdrage van het boekje is die van Jan Rehman en Thomas Wagner, die dieper ingaat op de ideologische en politieke positie van Sloterdijk. Maar wat vooral duidelijk wordt uit deze hetze, is hoe diep gepolariseerd politiek Europa op dit ogenblik is. Je zou haast vergeten dat Sloterdijk intrigerende boeken blijft schrijven.

Schandaleuze nutteloosheid

Het recentste in het Nederlands vertaalde werk van Sloterdijk is Theopoëzie. De hemel tot spreken brengen (2020) . Het is niet de eerste keer dat hij zich over religie buigt. Het is een terugkerend thema in zijn filosofische antropologie, dat hem de mogelijkheid geeft om voortdurend tweeënhalf millennium te overschouwen – van de Griekse mythen en de vroegste Bijbelboeken tot het islamisme en de Afrikaanse evangelische kerken – en daarin grote ontwikkelingen te onderkennen. In Woede en tijd (2006), een reflectie op het internationale terrorisme na de aanslagen van 11 september 2001, behandelt hij godsdienst als een verzamelbekken voor woede en als een wraakbank. Het heilig vuur (2007) gaat over het conflict tussen de drie monotheïstische godsdiensten – jodendom, christendom en islam – en over de noodzaak om hun universalistische pretenties op te geven en te komen tot een vreedzame co-existentie. In Je moet je leven veranderen (2009) wordt religie begrepen als een ‘antropotechniek’: een reeks oefeningen die de mens gebruikt om zijn leven te veranderen en te herscheppen, om beter te worden en boven zichzelf uit te stijgen, om zichzelf te beschermen en te immuniseren. In Theopoëzie (2020) ten slotte concentreert Sloterdijk zich minder op de politieke dan op de poëtische dimensie van de religie. De titel – het neologisme komt van hem – suggereert dat religie fundamenteel gekenmerkt wordt door een bepaalde vorm van poëtisch taalgebruik, waarmee een verhaal verteld wordt dat de mens in tijd en ruimte situeert en zijn bestaan betekenis geeft. In krachtige en beeldrijke lijnen schetst Sloterdijk de geschiedenis van de religie. Hij beschrijft hoe de godsdienst langzaam terrein verliest, aan de wetenschappen voor de technische verklaring van de wereld en aan de politiek voor de organisatie van het samenleven. Onder de titel ‘Godsdienstvrijheid’ concludeert Sloterdijk dat nu de godsdienst eigenlijk geen maatschappelijke functie meer heeft, ze haar wezen en vrijheid heeft gevonden in ‘een schandaleuze nutteloosheid’. Ze is even overbodig als de muziek. Maar, zoals Nietzsche al zei: ‘Zonder muziek zou het leven een vergissing zijn.’

Partner Content