Lofrede voor Wouter Dehairs, winnaar van de Hercule Poirotprijs 2021

Wouter Dehairs © Belga

Roularta mag zich gelukkig prijzen. Andermaal een veelbelovende laureaat van de Poirotprijs. Wouter Dehairs past helemaal in het plaatje van schrijvers die zichzelf ontstijgen, maar tegelijk ook niet bevreesd zijn om het matrijs te gebruiken van een populair genre, de thriller.

Roularta mag zich dubbel gelukkig prijzen. Voor het eerst in 24 edities schoof de zeskoppige jury zes genomineerden naar voren. Dat zegt veel over de spannende besluitvorming: drie aanstormende talenten, drie vorige winnaars, en we raakten er pas na ampel debat helemaal uit. Even leek de prijs ex-aequo naar de zes auteurs te gaan. Het gezond verstand zegevierde, en dat bespaarde Roularta meteen onvoorziene kosten in deze kroonpandemische tijden: niet alleen 5.000 euro maal zes, maar ook zes kroonpennen van Montblanc – nomen est omen.

Dat Dehairs uiteindelijk unaniem werd gekozen had nochtans niets te maken met zijn tekst Witte Steden, waarmee hij al in 2009 de eerste prijs won van de schrijfwedstrijd die HetManuskript had uitgeschreven. Nee, zijn verkiezing had voor alles te maken met de spektakulaire vooruitgang die zijn werk toont van Lockdown uit 2017 over De Graffitimoorden in 2019 – die dat jaar op een haar de nominatie miste voor de Poirotprijs – tot dit wonderlijk erudiete en getrimde grootstaddrama, Nachtstad.

De keuze van de jury had alles vandoen met zijn volmaakte beheersing van een vernuftig plot, de symbiose van Grootstadroman en thriller, de psychologische en existentiële ontrafeling van tragische personages, de naadloze vervlechting van politieke en misdadige belangen, en het bijna nihilistische mensbeeld dat uit jeugdtrauma’s en zelfhaat voortkomt. Homo homini lupus, het is geen fraai thema, maar wel uitermate dienstig in een spannend boek.

Het siert een belangrijke, West-Vlaamse, internationaal gerichte uitgeverij als Lannoo dat het niet laatdunkend neerkijkt op een genre mineur, en dan nog van eigen bodem. Je merkt het aan vormgeving, degelijke inbinding en voorbeeldige redactie van het boek (ik heb hooguit drie zetfouten ontdekt, ik weet wel zeker dat op bladzijde 297 het interventieteam binnen viel ‘in de garage in de garage’.

Maar ook de inbreng van kleinere uitgeverijen loont, al bezondigen die zich maar al te vaak aan slordigheden en goedkope omslagen. Het heeft de jury niet tegengehouden om 4Bar van voormalig speurder Stef Peeters met Zuid-Amerikaanse ervaring de Fred Braeckmandebuutprijs toe te kennen, een razend spannend rechttoe rechtaan avonturenverhaal over internationale drugssmokkel, mét oog voor sociale misstanden. Zijn uitgeverij AquaZZ is een kleine speler voor meestal kleinere schrijvers, heeft nood aan professionalisering en meer zorg, maar brengt ook kwaliteit, net zoals de voorbije jaren Hamley Books in de prijzen viel.

Dan heeft vaste waarde Toni Coppers het iets makkelijker bij Manteau: hij blijft bevestigen op een hoog peil, en heeft ook nu weer moeiteloos poëtische bespiegelingen met innerlijke onrust en bijna emblematische moordafwikkeling verknoopt in De Dood van Arno Linter – ongetwijfeld nog verzacht door de inbreng van zijn vrouw Annick Lambert. Het publiek waardeert dat, en geeft hem zijn prijs. Voor de 5e keer al, Jo Claes geklopt. Mag ik nog een applaus voor beide laureaten?

Dan kan ik met een gerust geweten terugkeren naar Wouter Dehairs, de winnaar van de grote prijs Hercule Poirot. De échte hoofdfiguur in Nachtstad is de stad, wat blijkt uit de tentoonstelling Second Street van de Lemonnierstraat waarmee fotografe Maria Marinova Brussel vastlegde. Volgens een geijkt procedé dat ook in een aflevering van Midsomer Murders wordt gebruikt: elke dag op hetzelfde uur met eenzelfde invalshoek de straat fotograferen.

Privédetective Keller Brik, oud-flik, zoon van een flik, ‘had geen verschil gezien tussen de blik uit zijn raam van elke ochtend en de foto’s die hier zogezegd kunst moesten voorstellen’. Pas later ziet hij de subtiele veranderingen, een dichtgetrokken gordijn, een verlicht raam, mensen die een identiteit krijgen. Met name de verdwenen vrouw van de Brusselse minister-president Deman. Die foto wordt de sleutel van een onderzoek naar jeugdprostitutie, corruptie, afpersing, Bulgaarse knokploegen, moord en wraak. De huizen gaan ademen op het ritme van hoe de mens zich gedraagt. De ruis van de onderbuik van de stad is de slechte adem van de mens.

.
.© Belga

De toon is meteen gezet van bij de opening: een klein meisje dat in 1997 haar beide ouders vermoord vindt, en in 2020 Briks assistente is in zijn speurdersbureau; een pleegdochter die verdwenen is, de ouders vrezen het ergste bij een foto in de krant waarin ze halfnaakt en geboeid om hulp smeekt; en ook de vrouw van Deman is verdwenen, al leidde het koppel een liederlijk, vrijgevochten, gescheiden leven. Twee opdrachten tegelijk voor Brik, én Gwen die haar eigen onderzoek wil leiden naar de vermiste dochter, het zijn de vonken die alles zullen ontregelen.

Opvallend is hoe het tweespan Brik en Gwen en Brussel het spiegelbeeld vormt van Mickey Spillanes Mike Hammer en zijn secretaresse Velda tegen de nachtelijke decors van beregend asfalt waarin neonlicht glimt en Hammer als troost grijpt naar ‘four fingers of rye’. Bij Dehairs gaat het steevast om Jack Daniels, en in zijn dorstige momenten om het vrij zeldzame Thorberg bier. Maar ook in Brussel miezert het voortdurend, de melancholie druipt uit elk glas.

Zwartgalligheid die van binnenuit komt: Brik noch Gwen kunnen hun gevoelens uiten of plaatsen, l’enfer c’est les autres – het is niet toevallig dat Dehairs meermaals naar Sartre verwijst en zijn studie L’Être et le Néant. Hij koketteert daar niet mee, maar past die zinloze innerlijke blokkering, dat gebrek aan empatie, de onmogelijkheid zich bloot te geven ongenadig toe op elk personage, Marinova uitgezonderd. Het bestaan gaat voor op het wezen van de mens. Erst kommt das Fressen, dann die Moral.

Oorzaak daarvan is, in de ogen van Dehairs, frustratie. De onmogelijkheid om ideaalbeelden te behouden. Terwijl zijn bewonderde vader vrijwel plantaardig ligt te sterven, kan Brik zich niet uiten, hij is vervreemd van zichzelf, vlucht de herinneringen die hem uiteraard zullen inhalen en elk droombeeld aan stukken slaan. De mens is een zombie, die vader en moeder en echtgenote miskent – de eerste omdat hij zich net zo corrupt heeft gedragen als zijn collega Franckx van wie Brik alle hulp mocht verwachten en zelfs krijgt; de tweede omdat ze in haar hoofd al elders leeft, terug in haar geboorteland Oostenrijk, en hem terecht verwijt amper zes keer in twee volle jaren het ziekbed van haar man bezocht te hebben; de laatste omdat zijn levensritme niet in staat is de nodige rust en zelftucht te bewaren. Of zoals de Brusselse bard Hugo Raspoet ooit zong dat hij zijn best had gedaan: ‘Om jou tegemoet te komen./Het heeft wel niet erg lang geduurd/De dromen die ik had weggestuurd/hebben me weer meegenomen’. Die dromen zijn nachtmerries van gedrevenheid, de onmogelijke beheersing van teleurstellingen en nooit meer goed te maken schuldgevoelens. Alle personages van Dehairs komen zo uit Heinrich von Kleist, die nauwelijks bedekt autobiografisch de zelfpijniging en de onmacht tot warmte zo verwoordde: ‘Warum bin Ich, wie Tankred, dazu verdammt alles was Ich Liebe mit jeder Handlung zu verletzen?’

Nachtstad is eigenlijk een rapsodie van de dood, ‘alles wat hij kon doen was de confrontatie aangaan met die duisternis’. Het schip zinkt onverbiddelijk, maar hozen stelt de ondergang uit. ‘Dat kon hij niet laten gebeuren, niet in zijn stad. Niet in Brussel’. Brussels by night, alleen schaarse lichtjes. Dehairs gebruikt, zoals het orkest op de Titanic, de popmuziek van zijn tijd als leidmotief. Hij somt de belangrijkste songs op aan het einde van het boek. Dominant is het smachtende ‘I wanna hold your hand’ van The Beatles, het lijflied van Brik, over dat indringende verlangen om vast te houden en vastgehouden te worden. Maar meer nog het radeloze ‘Atmosphere’ van Joy Division: ‘Walk in silence,/don’t turn away, in silence./Your confusion,/my illusion,/worn like a mask of self-hate,/confronts and then dies./Don’t walk away’.

Contactarmoede. Huidhonger. Zucht naar pijnloosheid in drugs of drank. Het is de wereld van Philip K. Dick, een open gevangenis zonder kans op ontsnapping. Dehairs schrijft het evangelie van onontkoombaarheid en bedrieglijke moraal. Zij verkruimelen elke overtuiging, elke belofte, elk engagement, elke goedheid. En wie dacht dat alleen de stad een poel van verderf is, komt bedrogen uit: zijn beschrijving van Hoeilaart liegt er niet om, waar nijdige Franstaligen zich verschuilen achter gordijntjes, en hun hebzucht botvieren, en waar fanatiek-traditionele katolieken in domein Sint-Paulus perversiteiten aanmoedigen. Daar bedisselen de leden van Vrijheid & Vaderland, een zootje rechtse, amorele Reuzegommers, wat hun ondeugden ze ingeven, drank, meisjes, bendecontakten. Sint-Paulus zou van zijn paard gebliksemd zijn als hij dat geweten had. Zolang het maar niet in Sint-Lutgardis gebeurt.

Nu verdenk ik Dehairs er wel van dat hij een stuk opgeruimder is dan Brik. De schrijver is niet het personage, en dat heeft hij subtiel opgelost door hyperbolische, bewust ‘originele’ vergelijkingen te maken. Enkele citaten: ‘De cafeïne deed zijn hart uit het niets soms galopperen als een losgeslagen mustang’ (68); ‘Alexandra was een getroebleerde jonge vrouw geweest die complexen verzamelde zoals Brik vroeger Paninikaarten van elk WK’ (70); Briks vader zit in een rolstoel ‘met een blik die even leeg was als Briks banktrekening’ (108); ‘de dag brak aan met de levenslust van een comapatiënt’ (182) – geforceerd, maar het laat wel stoom af, de ontspanning van de schrijver.

Tijd om af te ronden. In 2011 schreef Dehairs op zijn blogspot een wijze leraarsraad: ‘Literatuuronderwijs via literaire stromingen maakt kunst en literatuur begrijpelijk en overzichtelijk, maar ook ongevaarlijk, huiselijk, braafjes’. Daar is maar één remedie tegen: lezen. Dat voor hem gelijkstaat met ‘pornografie van de geest’. Want ‘het lezen van fictie is als kijken naar porno. De lezer penetreert personages, leest voorbij vlees en bloed, dringt door tot in de ziel van zowel personage als schrijver’. Het resultaat is allesbehalve troostend. Want hij haalt er een citaat bij van Thoreau, de auteur van de utopie Walden: ‘The mass of men lead lives of quiet desperation’. Zolang het bij die ‘quiet’ blijft is nog niet alles verloren. Tenzij hij in het derde Brik-boek zijn hoofdfiguur zelfmoord laat plegen. Hij heeft nu in elk geval een kroonpen om dat mogelijk te maken. Met de enthousiaste felicitaties van de jury.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content