Feestrede Lukas De Vos over Hercule Poirot prijs-winnaar: ‘Op zijn 61e heeft Jos Pierreux zichzelf en de jury gevonden’

© BELGA
Lukas De Vos
Lukas De Vos Europakenner

Jos Pierreux heeft met zijn thriller ‘Niets erger dan spijt’ de Hercule Poirot-prijs gewonnen. Jurylid Lukas De Vos sprak een feestrede voor de winnaar uit de op Boekenbeurs.

(Dames en Heren … Jan van der Cruysse)

Geduld is een schone deugd. Vooral toch als ze door anderen wordt beoefend. Bij de uitreiking van de 21e Knack Hercule Poirotprijs geldt deze zinspreuk dubbel: voor de schrijver, en voor de hoofdpersoon in Niets Erger dan Spijt, in de veertiende saga van Luk Borré, de aangespoelde inspecteur in hellhole Knokke, de ‘niet altijd even sympathieke speurder’ – zeg maar: de verwaande klootzak voor wie de wet een zelfbedieningszaak is.

Het is raar, maar Borré lijkt steeds meer op de kat met negen levens. Soms blijkt hij letterkundig uitgeput, als in Het Viervijfde Principe uit 2007 of in Graaiers en Snaaiers uit 2013. En toch slaagt Jos Pierreux erin om zijn veelgeplaagde speurder als een feniks uit zijn asse te doen herrijzen. Hij doet dat door verstandige personageverschuivingen. De oorspronkelijke Borré, de oplichter-misdaadonderzoeker die van beide walletjes at in De Dode die met zijn Tweeën Was uit 2004, kreeg een eerste gedaanteverwisseling in La Réserve en de Vloek van het Zesde Gebod (2008) en Crisis in Lippensville (2010). Toen kreeg Pierreux meer oog voor de onvolmaaktheid als schaamteloze kwetsbaarheid van Borré. Het branie maakte plaats voor het besef van betrekkelijkheid, in zijn grofheid, in zijn liederlijkheid, in zijn middelmaat – want, besefte Pierreux toen: ‘Alles van waarde balanceert op de rand van de kitsch’. Wie dat blijft doordrijven valt over die rand heen en verdrinkt in het larmoyante, het meelijwekkende.

En dus heeft Pierreux zijn hoofdpersoon opnieuw heruitgevonden: nu als een wat tragische Einzelgänger met eelt op de ziel maar tranen in de ogen. Broosheid is het nieuwe adagium. Borré staat écht alleen, geliefd maar vervreemd door Rena, omringd maar losgelaten door zijn collega’s, vereenzaamd tussen de holle vaten die zijn bestaan en zijn functie bepalen: graaf-burgemeester Lippens van Knokke, de steeds ergere karikatuur die zijn baas Theofiel Mangels is geworden – zonder dat Pierreux in de geforceerde pastiche en de flauwe humor van weleer vervalt.

Om een échte ronde, genuanceerde hoofdfiguur uit te werken heeft Pierreux ze vijftien jaar minutieus bijgevijld. Om de Poirotprijs te krijgen moest hij even lang wachten, ondanks drie eerdere nominaties: bij zijn debuut in 2004, met de opvolger De Overvallers die met zijn Drieën Waren (2005) en van Avenue des Doods in 2014. Pierreux is nu thuisgekomen. Geduldig hérdenken en herdénken heeft geloond. Nú maakt de man uit Pepingen brokken in Knokke.

Het is een uitzonderlijk goed jaar geweest. Op mijn leeslijst stonden 66 thrillers, een record. Ruim vijftig werden tijdig ingestuurd door de uitgevers. Het is een uitzonderlijk vruchtbaar jaar geweest, steeds meer uitgevers wagen zich aan het genre. Het is een uitzonderlijk kwalitatief hoogstaand jaar geweest. De jury heeft ongenadig over het hart moeten strijken om de vijf genomineerden te kiezen. Met pijn hebben we andere volwaardige kandidaten laten gaan: Patrick Conrad met Diep in December. Jo Claes met Want Alles Gaat voorbij Maar Niets Gaat Over. Paul Jacobs met Drie Maal Moordwaarde. Geert Erauw met De Grap. Nog moeizamer was de eliminatie van vier genomineerden. Gelukkig was de wijn goed en de sfeer warm.

Het hielp de jury om unaniem overtuigd te geraken. Ondanks de zware concurrentie van drie al bekroonde laureaten. Jan van de Cruysse, die met derde deel van zijn Bling Bling trilogie een hoogwaardig epos over een diamantroof heeft afgewerkt op hetzelfde hoogstaande niveau als waarop hij eraan begon. Bling Bling is sterker, minder didactisch, omvattender en even politiek radicaal als de Stockholm-trilogie van Jens Lapidus of de Millennium-trilogie van Stieg Larsson.

Toni Coppers, die met een zeldzame gevoeligheid de weerslag van de kindermoorden door Dutroux van zich afschrijft in De Jongen in het Graf. Een mijlpaal in het doorgronden van de psyche bij daders, slachtoffers en nabestaanden.

Bob Van Laerhoven, winnaar in 2007, met een nieuw geschiedkundig mysteriespel Dossier Feuerhand, met Paul Van Ostaijen in de hoofdrol als dief van een spionagedossier ten tijde van de Weimarrepubliek en de opkomst van het nazisme. Zijn negentiende-eeuws misdaaddrama De Wraak van Baudelaire waardig.

En ten slotte de rijzende ster, Kevin Valgaeren, de jongeman die met Blackwell de gothic novel en zijn beklemmende raadsels opnieuw uitvond en op de drempel staat van een verrassende carrière na een eerste bekroning in 2011 met de Schaduwprijs voor het Beste Debuut van het Spannende Boek voor De Ziener, en na zijn duistere opvolgers, Bloedlijn en Seance.

Dat de jury alsnog voor Pierreux koos heeft doorslaande redenen. Eerst en vooral de bijna foutloze, ingenieuze uitbouw van een plot, dat even vernuftig als kunstzinnig verweven wordt uit twee verhaallijnen: een mislukte aanslag op Borré, en de lijdensweg van zijn zelfbewuste moeder die op hoge leeftijd euthanasie wil krijgen. In beide onderdelen is niets wat het lijkt, de kloof tussen wet en waarde is peilloos diep. Want wat heeft een misser door een scherpschutter – was het wel een misser? – te maken met de verkrachting van twee jonge meiden – was het wel een verkrachting? En wie werkt zijn moeder tegen die nochtans bij volle bewustzijn een correcte aanvraag tot levensbeëindiging heeft ingediend? En welk geheim verbergt ze voor haar zoon: wat heeft Borrés moeder ooit mispeuterd en wie was zijn vader?

De tweede reden is de strak volgehouden aanklacht tegen het establishment. Het gaat om patiëntenrechten en enge vooroordelen. Pierreux van wie ik vroeger al schreef dat hij ‘de boeteprofeet is van de ontkerstening’, baalt van de denkbeeldige scheiding tussen kerk en staat, van de bestraffende ontkenning van het zelfbeslissingsrecht. De pijnlijkste confrontatie vindt plaats in een discussie tussen de koppige moeder en de zalvende pastoor, die zichzelf voor modern en open houdt. ‘Godsdienst was niet het meest vernederende en afschuwelijke dat mij was overkomen’, bedenkt ze. ‘Dat was met voorsprong Het Gebeuren. Maar mijn jeugd was van de rooms-katholieke frustratiesaus overgoten en, geloof me, nu kwam erger opzetten’ (252).

Wat Het Gebeuren is moet u zelf ontdekken. Maar in deze scene put de priester zich uit in algemeenheden om haar af te remmen – ‘Zie je er tegenop om het een tijdje in een instelling aan te kijken? (…) Je genezingsproces verloopt vlot en je ziet er nog zo goed uit’. Ergens in de verte kraait een haan, voegt Pierreux er Bijbelvast aan toe. En de afgeleefde moeder beseft maar al te goed dat ze uitgebuit wordt door kapitaal en kerk: het rekken van een onnodige aanwezigheid als ze maar geld opbrengt. ‘Ik zit hier te wachten op Godot’.

Wat de pastoor is voor Borrés moeder is Mangels voor hem. Een oerconservatief, allicht een aanhanger van Monseigneur Lefèbvre of van Opus Dei, maar onmachtig om zijn eigen nakende scheiding onder ogen te zien. ‘Zelfmoord is haar schuld (…) God heeft de touwtjes in handen’. Waarop Borré denkt: ‘Geloven was dat een afwijking? Zoiets als wijwater in de hersenen?’ En eerder al: ‘Godsdienst was als syfilis. Dat genas niet, dat rotte’.

De derde doorslaggevende motivering is de opmerkelijke stijlbeheersing. De gedurfde expressionistische opbouw van de proloog. De gebalde opening, met lettergrepen opgetast. De aanzet. Met sprekend gemak verandert Pierreux van perspectief, de innerlijke monoloog neemt het zonder haperen over van een ander gezichtspunt. Dat maakt van Niets Erger dan Spijt ongetwijfeld de minst toegankelijke aflevering van de Borré-cyclus.

Maar tegelijk ook de meest lonende, de meest diepgravende, de meest literaire, en vooral de hardnekkigste commentaar op het illusieloze tijdperk waarin wij leven. Het radeloze cynisme dat Pierreux deelt met Henning Mankell en diens Wallander is nu gerationaliseerd, maar niet minder heftig.

En vooral: bij Pierreux staat geen enkele paragraaf te blinken door zijn overbodigheid, als je zijn verontwaardiging volgt. Zelfs de motto’s vooraan hebben hun volle betekenis. Met een sombere kwinkslag past Pierreux de hele opdracht van Confucius aan: ‘De hele kunst van de kunst is: begrepen te worden’. Confucius schreef ‘de kunst van het spreken is begrepen te worden’. Enige aanmatiging is Pierreux dus niet vreemd. En dat siert hem. Hij beseft waarmee hij bezig is. En dat motto geldt voor zijn personages en hun inhibities. Dat geldt voor de schrijver en zijn woede. Dat geldt voor de lezer die zich op glad ijs begeeft.

Op zijn 61e heeft Jos Pierreux zichzelf gevonden. Hij heeft ook de jury gevonden. Als het publiek nu ook nog in groten getale volgt, dan is deze Poirotprijs andermaal een volle aflaat waard. Want niets is erger dan spijt. Behalve doodgaan. Hoewel Pierreux ook dan een wijsheid van Confucius uit zijn mouw zal schudden: Hoe wilt u de dood begrijpen? U begrijpt het leven nog niet eens.

Partner Content