Het Letterenhuis maakt zijn missie als levend archief van de Vlaamse literatuur waar. Met de nieuwe tiendelige essayreeks Afro-Belgische reflecties op Vlaamse Congoliteratuur haalt het enkele schrijvers uit de vergetelheid. Want wie kent Victor Vervloet nog, de Puttenaar wiens debuut in 1957 de welwillende aandacht van De Boekengids trok? Het recensieblad der katholieke bibliothecarissen bestempelde De smeltkroes als een ietwat zoutloze maar toch verdienstelijke proeve van de katholieke genaderoman, een genre waarin het lot van de protagonisten kantelt na een terugkeer in de schoot van de Heilige Kerk.
...

Het Letterenhuis maakt zijn missie als levend archief van de Vlaamse literatuur waar. Met de nieuwe tiendelige essayreeks Afro-Belgische reflecties op Vlaamse Congoliteratuur haalt het enkele schrijvers uit de vergetelheid. Want wie kent Victor Vervloet nog, de Puttenaar wiens debuut in 1957 de welwillende aandacht van De Boekengids trok? Het recensieblad der katholieke bibliothecarissen bestempelde De smeltkroes als een ietwat zoutloze maar toch verdienstelijke proeve van de katholieke genaderoman, een genre waarin het lot van de protagonisten kantelt na een terugkeer in de schoot van de Heilige Kerk. Interessanter maar evenzeer vergeten is Frans Beckers alias Frans Demers, wiens oeuvre een halve eeuw omvat. Na de Tweede Wereldoorlog verkaste hij onder het nieuwe pseudoniem Johan Mark Elsing naar Zwitserland, een operatie die niet los gezien kan worden van zijn terdoodveroordeling als collaborateur. Elsing had zich danig verbrand als propagandist van DeVlag, wat niet wegneemt dat hij in de jaren dertig toneelstukken schreef waarin hij de wantoestanden hekelde die hij tijdens zijn vijftienjarige carrière als koloniaal ambtenaar in Belgisch-Congo had gezien. Niet alle besproken schrijvers verdienen het stempel 'obscuur'. Cyriel Buysse blijft een monument en de namen van Piet Van Aken en Mireille Cottenjé doen niet alleen bij literatuurwetenschappers een belletje rinkelen. Lieve Joris heeft wellicht nooit gedroomd dat ze een podium zou delen met Hendrik Conscience, de man die zijn volk leerde lezen en het met Batavia meteen de allereerste Vlaamse koloniale roman schonk. De heterogene selectie is het werk van curator Sibo Kanobana, sociolinguist aan de Universiteit Gent en Rekto:Verso- redacteur. Hij mocht niet alleen de literatuurlijst samenstellen, maar ging ook op zoek naar recensenten met roots in Congo of Sub-Saharaans Afrika. Politologe Olivia Rutazibwa is de bekendste naam in een panel dat een mix vormt van theatermakers, performers, academici en burgerjournalisten van wie sommigen actief zijn in de Black Lives Matter-beweging. Iedere recensent nam één boek voor zijn rekening. Het resultaat valt vanaf vandaag op Knack.be te lezen, een coronaveilig alternatief voor de leesclubs die oorspronkelijk in het Letterenhuis in de Antwerpse Minderbroedersstraat waren gepland. Publiek kan er niet worden toegelaten, maar de aula blijkt een uitstekende locatie voor het interview met Sibo Kanobana en Letterenhuis-directrice Nele Hendrickx. Welke criteria hebben jullie gehanteerd bij de selectie van boeken en panelleden? Nele Hendrickx: We zochten lezers die zich vanwege hun achtergrond persoonlijk aangesproken voelen door Congo in de Vlaamse literatuur. Uiteraard moesten ze ook zelf een goede pen hebben. De centrale vraag is deze: hoe ervaren zij de blik waarmee Vlaamse schrijvers naar Congo keken? We wilden geen pamfletten maar journalistieke teksten waarin zowel duiding als persoonlijke appreciatie vervat zit. Wat de boeken betreft: eerst dachten we schrijvers te kiezen van wie we in eigen huis het archief bewaren, maar daarmee werd de bandbreedte te krap. Van een hedendaagse schrijfster zoals Lieve Joris hebben we bijvoorbeeld nog niks in huis. Daarom hebben we Sibo de boekenlijst en het panel vrij laten samenstellen. Sibo Kanobana: Een aantal boeken had ik al gelezen, andere heb ik zelf ontdekt in Koloniseren om te beschaven, het monumentale overzicht van het Nederlandse Congoproza dat Luc Renders in 2019 heeft gepubliceerd. Zo heb ik een longlist van een dertigtal titels samengesteld. De panelleden mochten zelf kiezen, bij voorkeur een boek of schrijver waarmee ze een klik voelden. Soms gaf het thema de doorslag: het is geen toeval dat met De smeltkroes van Victor Vervloet en De halfbloed van Frans Demers twee titels werden gekozen die verraden dat de figuur van de metis een prominente rol speelt. Mupenzi, een roman uit 1935 van Jef De Pillecyn, werd dan weer op een heel andere grond geselecteerd. ' Mupenzi' is Swahili voor 'de geliefde'. Dat intrigeerde Baudouin Mena Sebu, een Antwerpse doctoraatsstudent die zelf afkomstig is uit het Swahili-sprekende oosten van Congo. De titel was een statement: door in het boek Swahili-woorden te gebruiken, gaf De Pillecyn de indruk diep door te dringen in de ziel van de Congolezen. Opvallend: De Pillecyn voert een Congolese protagonist op in een liefdesverhaal dat zich afwikkelt volgens inlandse gebruiken. Was dat vooruitstrevend? Kanobana: Niet per se. Coutumes en rituelen kregen in heel wat koloniale romans veel aandacht. Daarmee werd de hang naar exotiek van de lezer bevredigd, en tegelijk het primitieve karakter van de inlandse volkeren benadrukt. Ook het Congolese liefdesverhaal van De Pillecyn is in wezen een paternalistisch betoog voor het koloniale beschavingswerk. De plot draait om twee mannen die hetzelfde meisje begeren. De jonge Apimolo lijkt kansloos tegen zijn oudere en rijkere liefdesrivaal, tot hij zich bekeert en steun zoekt bij de blanke gewestbeheerder. Op het einde gaat hij met het meisje aan de haal, terwijl het met zijn onbeschaafd gebleven rivaal slecht afloopt. Cyriel Buysse, die erg kritisch was voor Leopold II en zijn Congo-Vrijstaat, publiceerde in 1898 De zwarte kost. Daarin ontsnapt niemand aan zijn satirische blik, zeker de koloniale pioniers niet. Toch gaat Buysse pas vol op het orgel als hij de twee Congolese prinsen beschrijft die een spectaculaire entree maken in een fictief Oost-Vlaams dorp. Vervaarlijke ogen en vingerdikke lippen, handen als beestenklauwen, tronies waarin niks menselijks te bespeuren valt: hoe confronterend moet het voor Olivia Rutazibwa zijn om dat proza te lezen? Kanobana: Ik ken Olivia al lang, ze heeft een genuanceerde kijk op de wereld. Ze is perfect in staat om Buysse, die ze nota bene zelf uit de longlist heeft geplukt, in zijn tijd en context te plaatsen. Alle panelleden wisten waar ze aan begonnen. Met uitzondering van Lieve Joris' Terug naar Congo bulken de Vlaamse Congo-romans van de racistische clichés. Er zijn wel belangrijke verschillen. Ook Piet Van Aken legt in De nikkers zijn hoofdfiguur Meersman racistische en beledigende woorden in de mond. Maar bij hem past dat in de opzet: een striemende kritiek op het koloniale bestel in Belgisch Congo. De nikkers uit 1959 geldt als een van de hoogtepunten in het oeuvre van Van Aken, de meester van de sociaal- realistische roman in Vlaanderen. Staat de aangebrande titel de appreciatie niet in de weg? Kanobana: Ik doe niet mee aan een symboolstrijd. Integendeel, de titel wekte onmiddellijk mijn nieuwsgierigheid. Ik heb De nikkers tijdens mijn studentenjaren ontdekt, dankzij een opruimactie op de Blandijnberg (de Gentse Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, nvdr). Tussen de gratis mee te nemen boeken sprongen twee titels eruit: De nikkers van Piet Van Aken en Ik, blanke kaffer van Paul Brondeel. Ik heb ze meegenomen en thuis verslonden. Stilistisch was ik niet wild van De nikkers, maar ik werd overrompeld door de wrange, zelfs cynische toon, die haaks stond op alle Vlaamse koloniale romans die ik eerder had gelezen. Ik sta niet alleen met dat gevoel. Onze gelegenheidsrecensent Hugues Makaba Ntoto, kunstcriticus en collega-redacteur bij Rekto:Verso, heeft letterlijk wakker gelegen van dat boek. Toch heeft Paul Brondeel me nog harder geraakt. Alleen al die titel: welke schrijver voert in een autobiografische koloniale roman zijn protagonist als blanke kaffer op? Wow, dacht ik, zo'n boek kan niet anders dan origineel en kritisch zijn. En dat vermoeden bleek te kloppen. Het is een meesterwerk. Paul Brondeel was een generatiegenoot van Jef Geeraerts, die schittert door afwezigheid. Waarom? Hendrickx: Het moet toch niet altijd over Jef Geeraerts gaan? Vlaanderen heeft meerdere koloniale schrijvers gekend. Niet dat we als Letterenhuis een veto tegen hem hebben gesteld - we hebben zijn volledige archief in bewaring. Maar stond hij wel op de longlist, Sibo? Kanobana: Nee, ik heb wél een veto gesteld. Ik vind Geeraerts een overroepen schrijver. Ik begrijp de opwinding in het preutse Vlaanderen bij het verschijnen van zijn Gangreen-boeken. Die boeken blijven relevant, maar ik struikel over het pornografische gehalte en de toxische masculiniteit. Geeraerts verheerlijkt de totale vrijheid die hij in Congo ontdekte, maar die vrijheid was een privilege dat hij aan het koloniale systeem te danken had. Ik heb nooit begrepen waarom hij als criticus van het Belgische kolonialisme werd geprezen. Nergens in al zijn Congo- romans stelt hij het koloniale systeem met zijn westerse superioriteitsdenken ter discussie. Paul Brondeel gaat veel verder met zijn koloniale kritiek en introspectie. Ik, blanke kaffer bevat veel racisme en seksisme, maar je proeft er de walging van de schrijver in. Paul Brondeel publiceerde twee koloniale romans in 1967 en 1970. Anders dan de Gangreen-cyclus uit dezelfde periode zijn die in de vergetelheid verzonken. Hoe komt dat? Kanobana: Niet vanwege de kwaliteit. Brondeel en Geeraerts werden destijds in één adem genoemd. De parallellen zijn opvallend: beiden waren in de jaren vijftig als koloniaal ambtenaar naar Congo vertrokken, beiden zijn na de onafhankelijkheid ontredderd teruggekeerd. Het verschil zit in de literaire vertaling van die ervaring. Brondeel voert een alter ego op dat getormenteerd wordt door existentiële twijfels en schaamte over zijn Congo-verleden. Zijn personage is veel interessanter en gelaagder dan de macho die Geeraerts in zijn Gangreens uithangt. Mireille Cottenjé en Daisy Ver Boven schreven in de jaren zestig over hun eigen Congo-ervaringen, telkens vanuit een vrouwelijk, feministisch perspectief. Konden de vrouwelijke recensenten dat smaken? Kanobana: De oordelen liggen mijlenver uiteen. Kika Umurisa, een wetenschapster gespecialiseerd in parasitologie, is lovend over De rode aarde die aan onze harten kleeft, de autobiografische roman van Daisy Ver Boven. Uiteraard is die niet vrij van paternalisme en vooroordelen, maar het beeld van de koloniale werkelijkheid is genuanceerd. Bij Ver Boven zijn Congolezen volwaardige personages, wat veeleer uitzonderlijk is in koloniale Congo-romans. Al moet ik daar zelf een kanttekening bij maken: het voornaamste Congolese personage is een évolué die zelf het antizwarte racisme heeft geïnternaliseerd. Dat vind ik een interessant gegeven. De évolué, een inlander die in de grijze zone tussen de witte en de zwarte wereld opereerde, duikt op in heel wat laatkoloniale romans, maar weinig schrijvers zijn er zoals Ver Boven in geslaagd zijn verscheurdheid weer te geven. Mireille Cottenjé bespeelt een ander register. Haar Dagboek van Carla gaat over een vrouw die haar emancipatie opeist, ook in de kolonie. Wellicht was dat herkenbaar en zelfs bevrijdend voor lezeressen in 1968, maar op onze recensente maakte het boek een heel andere indruk. Historica Aminata Ndow is erg ontgoocheld over het engagement van Cottenjé, een schrijfster die opkwam voor vrouwenrechten maar geen oog had voor het onderdrukkende systeem in Congo waarin ze zelf had meegedraaid. Aminata Ndow is medeorganisator van de lopende Black History Month. Kleurt haar activisme haar oordeel? Kanobana: Aminata is niet toevallig een generatie jonger dan Kika. Twintigers met Afrikaanse roots kijken veel militanter naar racisme en kolonialisme dan de vorige generatie, waar ik zelf toe behoor. Ons werd nog ingeprent dat we ons koest moesten houden en dankbaar moesten zijn voor de kansen die we in België kregen. Ik ben trots op de jongeren die hun stem nu verheffen. Heeft het curatorschap uw mening over de Vlaamse koloniale literatuur veranderd? Kanobana: Ik heb Vlaamse Congo-boeken altijd als propaganda benaderd, en dat uitgangspunt blijft goeddeels overeind. Maar dat maakt dit initiatief niet minder interessant. Baudouin Mena Sebu merkt in zijn bijdrage op dat Jef De Pillecyn zich wellicht nooit had kunnen voorstellen dat Mupenzi honderd jaar na publicatie door een zwarte Antwerpenaar zou worden gelezen. Dat vind ik een relevante opmerking: de koloniale machtsverhoudingen zitten niet alleen vervat in de verhalen zelf, maar in de hele opzet. Schrijvers schreven over Congolezen, nooit voor Congolezen. Alleen bij Lieve Joris kan ik me indenken dat ze rekening hield met een Congolees lezerspubliek. Het Belgisch kolonialisme heeft geen Multatuli voortgebracht. Is dat een goedkope opmerking? Kanobana:(lacht) Stel je voor: Multatuli's Max Havelaar is in 1859 in Brussel geschreven, een jaar nadat Hendrik Conscience in Antwerpen zijn Batavia had gepubliceerd. De eerste Vlaamse koloniale roman speelt zich dus in Nederlands-Indië af. Merkwaardig genoeg loopt er een Afrikaans personage in rond, een trouwe knecht die naar de naam Congo luistert. Maar daarom heb ik hem niet in de longlist opgenomen. Conscience was een overtuigd pleitbezorger van de koloniale plannen die Leopold I en zijn zoon koesterden. Vergelijk dat met Multatuli. Diens Max Havelaar blijft niet steken in anekdotiek, het is een aanval op het kolonialisme als systeem. Daar zit het verschil met onze kritische stemmen zoals Piet Van Aken en Paul Brondeel. Die prikken wel door het beschavingsideaal, maar laten de georganiseerde strooptocht die het kolonialisme in feite was buiten beeld. Hendrickx: Het Nederlandse kolonialisme heeft een rijke en diverse literatuur voortgebracht. Multatuli, Charles Edgar du Perron, Louis Couperus, Hella Haasse, Jeroen Brouwers, Adriaan van Dis: de traditie is lang. Maar dat kolonialisme heeft dan ook drie eeuwen geduurd, terwijl Belgisch-Congo maar enkele generaties overspant. Kanobana: Dat klopt, en de Vlaamse literatuur is ook pas in de loop van die koloniale periode tot ontwikkeling gekomen. Wie tijdens het interbellum voor het Nederlands koos om een boek over Belgisch-Congo te schrijven, maakte een politiek statement. Verschillende namen op de longlist waren overtuigde flaminganten, een aspect dat me mateloos fascineert. Missionarissen, lagere ambtenaren: voor Congolezen waren witte mensen synoniem aan Flamands. Begrijpelijk, want het waren hoofdzakelijk Vlamingen die diep in de brousse het zogenaamde beschavingswerk verrichten. Daar zit een paradox in. Vlamingen, die op het thuisfront zelf moesten vechten voor de erkenning van hun taal, begrepen hoe belangrijk het was de inlandse talen te beheersen. Maar dat inzicht vertaalde zich niet in begrip voor het streven van diezelfde inlanders naar ontvoogding. Zijn er in de Vlaamse literatuur ook zwarte stemmen over het Belgisch kolonialisme? Kanobana: Ik ken er geen. Hendrickx: Ik ben als romaniste goed vertrouwd met Franstalige literatuur. Congolese schrijvers die het Belgische kolonialisme als thema bespelen? Ik zie er evenmin, maar misschien is het een kwestie van geduld. Kijk naar Nederland, met zijn armada van koloniale en postkoloniale schrijvers: dat waren allemaal witte mannen. Alfred Birney was de eerste schrijver met Indische roots die scoorde met een roman over het Nederlandse kolonialisme, De tolk van Java. In 2016, heel recent dus.