In een opiniestuk op Knack.be stelt Dyab Abou Jahjah dat 'racisme en discriminatie bestaan, maar wit privilege niet.' Volgens Abou Jahjah moeten we in de strijd tegen racisme kijken naar machtsdynamieken tussen de meerderheidsgroep en de minderheidsgroep. Volgens hem mogen we ons niet blind staren op het concept van wit privilege wanneer we praten over racisme. Nochtans zijn de twee inherent aan elkaar verbonden. Wie echt wil weten hoe structureel racisme in elkaar zit, kan niet voorbij aan 'witheid' en 'wit privilege'.

Wit privilege is dus allesbehalve een dooddoener in het debat over racisme. Het is precies die mogelijkheid van sociale uitsluiting in de handen van de meerderheid van de 'witte bevolkingsgroep', gesteund op een historisch-culturele herkenning en reflexen, die ervoor zorgt dat witte privileges, discriminatie en racisme niet van elkaar te onderscheiden zijn. Meer nog, een goed begrip over wat wit privilege inhoudt, zet net de deur open naar een meer gelijkwaardige, minder racistische, dialoog.

Racisme kent veel lagen en tinten. Er worden meerdere definities gebruikt om racisme uit te leggen. Waag ik me aan een extra definitie, dan definieer ik deze als volgt: 'In strikte sensu gaat racisme of discriminatie over wie een samenleving mag representeren en dus het volk mag aanspreken, zonder dat er in eerste instantie getwijfeld wordt over zijn of haar stem of legitimiteit omwille van zijn of haar huidskleur.'

Wie echt wil weten hoe structureel racisme in elkaar zit, kan niet voorbij aan 'witheid' en 'wit privilege'.

Als je het zo bekijkt, wordt bij dit aspect van legitimatie de 'positionering' van witte medeburgers in vraag gesteld." Racisme en "witheid" manen hen aan om aan een maatschappelijke en interne introspectie te doen om zo inzicht te krijgen waarom sommige stemmen in twijfel worden getrokken, waarom 'de Ander' wordt uitgesloten. Deze introspectie kan ook een beginpunt zijn voor 'deracialisatie', om komaf te maken met raciale hiërarchieën of technieken om anderen hun legitimatie te ontnemen, louter op basis van culturele of sociale afbakeningsmechanismes, zoals huidskleur. Huidskleur is in deze zin niet enkel een biologisch kenmerk, maar specifiek in België door het koloniale verleden een kenmerk met een sociaalhistorische betekenis.

In die zin valt kleur samen met de historische of 'situationeel' verworven economische machtsposities binnen het kapitalistische productiesysteem. Huidskleur valt specifiek samen met sociale posities die de mogelijkheid hebben om degenen die afwijken van de norm te bestraffen. Denk aan mensen met een donkere huidskleur, vrouwen, religieuze minderheden, mensen met een beperking,...

Inzicht krijgen in dit basisidee van positionering moet leiden tot een nieuwe intermenselijke dialoog. Een dialoog waarbij men elkaar durft te bevragen alvorens men elkaar meteen criminaliseert. Het is precies in de overlapping tussen kleur en posities dat de culpabilisering plaatsvindt waarover Abou Jahjah schrijft. Hij stelt dat volgens zogenaamde identiteitsdenkers een witte, christelijke, heteroseksuele man zich niet in bepaalde discussies mag mengen, omdat hij bij voorbaat schuldig is. Anderzijds kunnen we 'de positionering van witte mensen' in een samenleving die gekleurd is door het raciale denken niet zomaar negeren. Dat sluit een kritische dialoog uitsluit.

We moeten ten allen tijde gelijkheid en rechtvaardigheid bewaken in debatten - noem ze liever dialogen - over de economische en sociale achterstelling van mensen of bepaalde groepen in de samenleving. Toch is het gevaarlijk om identiteitspolitiek af te wimpelen als een potentieel gevaar of te doen alsof het niet ter zake doet. Hoewel sommigen in hun strijd tegen racisme economische machtsdynamieken over het hoofd lijken te zien, is dat net wel au fond waar identiteitspolitiek om draait. Het gaat niet om de schuld bij witte mensen te leggen of bij hun 'witheid'. Het gaat om inzicht te krijgen in hun positionering als meerderheidsgroep door zichzelf aan interne kritische reflectie te onderwerpen die toestaat meer beweegruimte voor minderheidsgroepen te maken. Afgelopen weekend zagen we dat vertaald in de solidariteitsbetuiging bij het antiracismeprotest in verschillende steden in ons land.

Ik pleit dan ook niet voor of tegen identiteitspolitiek. Er zijn meerdere wegen die naar Rome leiden. De truc is echter om die wegen continu open te houden. Dat vergt continue dialoog om elkaar te begrijpen. Dit moet je (willen) doen, onafhankelijk van je identiteitspolitiek, maar wel met inzicht in de positie(s) waaruit je spreekt, anders is dat gesprek bij voorbaat verloren.

Identiteitspolitiek kan ons tot een nieuw punt brengen dat leert rekening te houden met de - niet vanzelfsprekende - gemeenschappelijke deler: volwaardigheid van het leven en het bestaansrecht van elke individu, groep of gemeenschap en de mens in haar totaliteit. We moeten open blijven staan voor die gemeenschappelijke grond en constant een aanknopingspunt zoeken met de Andere binnen onszelf.

Emmanuel Iyamu is gastdocent interculturele transities aan Thomas More en medeoprichter van de Afro-Belgische studentenvereniging AYO.

In een opiniestuk op Knack.be stelt Dyab Abou Jahjah dat 'racisme en discriminatie bestaan, maar wit privilege niet.' Volgens Abou Jahjah moeten we in de strijd tegen racisme kijken naar machtsdynamieken tussen de meerderheidsgroep en de minderheidsgroep. Volgens hem mogen we ons niet blind staren op het concept van wit privilege wanneer we praten over racisme. Nochtans zijn de twee inherent aan elkaar verbonden. Wie echt wil weten hoe structureel racisme in elkaar zit, kan niet voorbij aan 'witheid' en 'wit privilege'. Wit privilege is dus allesbehalve een dooddoener in het debat over racisme. Het is precies die mogelijkheid van sociale uitsluiting in de handen van de meerderheid van de 'witte bevolkingsgroep', gesteund op een historisch-culturele herkenning en reflexen, die ervoor zorgt dat witte privileges, discriminatie en racisme niet van elkaar te onderscheiden zijn. Meer nog, een goed begrip over wat wit privilege inhoudt, zet net de deur open naar een meer gelijkwaardige, minder racistische, dialoog. Racisme kent veel lagen en tinten. Er worden meerdere definities gebruikt om racisme uit te leggen. Waag ik me aan een extra definitie, dan definieer ik deze als volgt: 'In strikte sensu gaat racisme of discriminatie over wie een samenleving mag representeren en dus het volk mag aanspreken, zonder dat er in eerste instantie getwijfeld wordt over zijn of haar stem of legitimiteit omwille van zijn of haar huidskleur.'Als je het zo bekijkt, wordt bij dit aspect van legitimatie de 'positionering' van witte medeburgers in vraag gesteld." Racisme en "witheid" manen hen aan om aan een maatschappelijke en interne introspectie te doen om zo inzicht te krijgen waarom sommige stemmen in twijfel worden getrokken, waarom 'de Ander' wordt uitgesloten. Deze introspectie kan ook een beginpunt zijn voor 'deracialisatie', om komaf te maken met raciale hiërarchieën of technieken om anderen hun legitimatie te ontnemen, louter op basis van culturele of sociale afbakeningsmechanismes, zoals huidskleur. Huidskleur is in deze zin niet enkel een biologisch kenmerk, maar specifiek in België door het koloniale verleden een kenmerk met een sociaalhistorische betekenis. In die zin valt kleur samen met de historische of 'situationeel' verworven economische machtsposities binnen het kapitalistische productiesysteem. Huidskleur valt specifiek samen met sociale posities die de mogelijkheid hebben om degenen die afwijken van de norm te bestraffen. Denk aan mensen met een donkere huidskleur, vrouwen, religieuze minderheden, mensen met een beperking,...Inzicht krijgen in dit basisidee van positionering moet leiden tot een nieuwe intermenselijke dialoog. Een dialoog waarbij men elkaar durft te bevragen alvorens men elkaar meteen criminaliseert. Het is precies in de overlapping tussen kleur en posities dat de culpabilisering plaatsvindt waarover Abou Jahjah schrijft. Hij stelt dat volgens zogenaamde identiteitsdenkers een witte, christelijke, heteroseksuele man zich niet in bepaalde discussies mag mengen, omdat hij bij voorbaat schuldig is. Anderzijds kunnen we 'de positionering van witte mensen' in een samenleving die gekleurd is door het raciale denken niet zomaar negeren. Dat sluit een kritische dialoog uitsluit. We moeten ten allen tijde gelijkheid en rechtvaardigheid bewaken in debatten - noem ze liever dialogen - over de economische en sociale achterstelling van mensen of bepaalde groepen in de samenleving. Toch is het gevaarlijk om identiteitspolitiek af te wimpelen als een potentieel gevaar of te doen alsof het niet ter zake doet. Hoewel sommigen in hun strijd tegen racisme economische machtsdynamieken over het hoofd lijken te zien, is dat net wel au fond waar identiteitspolitiek om draait. Het gaat niet om de schuld bij witte mensen te leggen of bij hun 'witheid'. Het gaat om inzicht te krijgen in hun positionering als meerderheidsgroep door zichzelf aan interne kritische reflectie te onderwerpen die toestaat meer beweegruimte voor minderheidsgroepen te maken. Afgelopen weekend zagen we dat vertaald in de solidariteitsbetuiging bij het antiracismeprotest in verschillende steden in ons land.Ik pleit dan ook niet voor of tegen identiteitspolitiek. Er zijn meerdere wegen die naar Rome leiden. De truc is echter om die wegen continu open te houden. Dat vergt continue dialoog om elkaar te begrijpen. Dit moet je (willen) doen, onafhankelijk van je identiteitspolitiek, maar wel met inzicht in de positie(s) waaruit je spreekt, anders is dat gesprek bij voorbaat verloren. Identiteitspolitiek kan ons tot een nieuw punt brengen dat leert rekening te houden met de - niet vanzelfsprekende - gemeenschappelijke deler: volwaardigheid van het leven en het bestaansrecht van elke individu, groep of gemeenschap en de mens in haar totaliteit. We moeten open blijven staan voor die gemeenschappelijke grond en constant een aanknopingspunt zoeken met de Andere binnen onszelf. Emmanuel Iyamu is gastdocent interculturele transities aan Thomas More en medeoprichter van de Afro-Belgische studentenvereniging AYO.