De nieuwe Vlaamse regering wil excellent onderwijs, zo lezen we in het regeerakkoord. Prima. Maar het is beslist goed om te weten wat u daarbij zoal voor de voeten loopt: de afkalvende leesvaardigheid van de Vlaamse scholieren bijvoorbeeld. Daarmee zit het zo: een op vijf van hen haalde in het PIRLS-onderzoek van 2016 niet eens het middelmatige niveau. In 2006 was dat 'maar' een op tien. Het aantal zwakke lezers is dus in tien jaar tijd verdubbeld. Dat is niets minder dan een ramp. Want lezen is niet zomaar een schoolvak, het is een sleutel tot ontwikkeling. We slagen er niet alleen steeds minder in om leesvaardigheid op een excellente manier te onderwijzen, we ontnemen daardoor ook steeds meer leerlingen de kans om in het onderwijs te excelleren.

Over die kwestie is er intussen flink vergaderd. De Vlaamse Onderwijsraad, de Taalraad, de Nederlandse Taalunie - allemaal kwamen ze met aanbevelingen en rapporten. Wat ik daarin lees: we moeten werken aan urgentiebesef, aan een taal-leesbeleid, aan leesstrategieën, we moeten de leerkrachten professionaliseren, en meer van die dure woorden. Wat ik mis: iets concreets, iets wat de allures heeft van een rampenplan.

Staat u mij toe dat ik dan zelf maar een poging doe.

Over het doel van het leesonderwijs kunnen we kort zijn. Wie bij PIRLS niet minimaal het niveau middelmatig haalt, leest niet genoeg om deel te nemen aan het maatschappelijke leven. Dat kunnen we niemand aandoen. Het doel is dus: iedereen leest minimaal op niveau middelmatig, de 20 procent die dat niveau nu niet bereikt is op termijn 0 procent.

Om dat doel te bereiken, moeten we een paar dingen weten over het schrift. Dat is erg jong. Praten doen we al zolang we mensen zijn, maar het schrift op grote schaal gebruiken, doen we nog maar pas. Veel te kort om de evolutie een kans te geven er aparte breininfrastructuur voor te ontwikkelen. Voor lezen en schrijven lenen we mentale machinerie die voor andere doeleinden is aangelegd.

Wie het meent met excellent onderwijs, moet jongeren weer leren lezen.

Wat we met die geleende machinerie doen is in wezen een simpele truc. Het schrift is een code die gesproken taal omzet in tekens. Tekens die weer kunnen worden omgezet in de klanken van gesproken taal. Het eerste is coderen, schrijven; het tweede is decoderen, lezen. Grof gesteld staan letters dus voor klanken, niet voor betekenissen. Om te begrijpen wat we lezen, moeten we het stellen met ons vermogen om gesproken taal te begrijpen. Begrijpend-lezen-infrastructuur hebben we namelijk niet. Dat wil zeggen: zodra tekst is gedecodeerd, is begrijpen wat er staat geen leesprobleem meer. Vanaf dat moment is het een taalprobleem.

Laten we nu maar eens praktisch worden.

De eerste voorwaarde voor begrijpend lezen is dus technisch lezen: tekst vlot en moeiteloos kunnen omzetten in gesproken taal. Met die vaardigheid gaat het bergaf, meldde de Vrije CLB-koepel in 2013. We zullen ons dus moeten afvragen hoe dat komt. Ligt dat alleen aan de tijd die we voor lezen uittrekken? Of ook aan wat de kinderen leren over letters en klanken? Leren ze wel alles wat ze moeten leren? Is wat we ze voorschotelen wel helder en correct? Creëren we eigenlijk geen moeilijkheden, als we ze een plaatje laten zien met 'oe' erop, ze de opdracht geven 'goed naar de letter te luisteren' en vervolgens te vragen 'hoe die klinkt'? (Hebt u weleens een letter gehoord?)

Decoderen is een ding, begrijpen is wat anders. Wat daarvoor nodig is: vertrouwdheid met de taal van de tekst. Die taal is Algemeen Nederlands en dat is voor veruit de meeste kinderen in Vlaanderen (net als voor de meeste leerkrachten) niet hun moedertaal. De meeste Vlamingen spreken meestal een regionaal gekleurde tussentaal. Ze vinden dat Algemeen Nederlands stijf en afstandelijk is, dat je er niet grappig of gezellig in kunt zijn. Toch vindt tachtig procent van de Vlamingen wel dat hij de standaardtaal beheerst.

Die inschatting is hoogst twijfelachtig: recent onderzoek liet zien dat vier hogeschoolstudenten op vijf niet weten wat impliceren betekent. Bijna alle hogescholen en universiteiten hebben de laatste jaren de noodzaak gevoeld om lessen academisch Nederlands op te zetten. Wie daarbij betrokken is weet dat het gebruik van woorden als ondanks, hoewel en immers een minstens even groot probleem vormt als de betekenis van impliceren.

Het gevolg is: Vlaamse leerlingen lezen in een - zo goed als - vreemde taal. En de vraag is hoe we daarmee omgaan. Helpen we ze over die horde of zeggen we in gezellig tussentalig Nederlands trekt u plan? Hoe dan ook: als we de lees- en luistervaardigheid van alle leerlingen op school willen opkrikken, en als Algemeen Nederlands - net als Hochdeutsch voor Duitstalige Zwitsers - voor de meesten van hen een vreemde taal is, dan moeten we ze gewoon beter Nederlands leren. Inzetten op leesstrategieën lost dat probleem niet op.

Laat ik samenvatten. Vlaamse leerlingen kunnen veel beter worden in lezen. Maar dan moet u ervoor zorgen dat twee voorwaarden vervuld worden. Een: alle kinderen leren vlot decoderen. Dat begint in het eerste leerjaar en lukt het best met methodes die helder en correct zijn, met leesonderwijs dat gebaseerd is op inzicht in hoe het schrift werkt. En twee: beheersing van de taal waarin we lezen en schrijven - Algemeen Nederlands - zien we niet langer als iets wat leerlingen wel kennen, maar als iets wat ze moeten leren. Dat begint in de kleuterklas en het houdt nooit op. Elke leerkracht is naast vakleerkracht ook leerkracht Algemeen Nederlands. Daar is niets discriminerends aan, integendeel. Zolang elke regio op school zijn eigen tussentaalvariant gebruikt, is het voor leerlingen uit een niet-Nederlandstalig gezin allerminst duidelijk wat we precies van ze verlangen, als we zeggen dat ze 'onze taal' maar moeten leren.

Zonder die twee dingen lukt het nooit. Als deze Vlaamse regering er één wil zijn die haar volk weer leert lezen, dan is het duidelijk wat haar te doen staat.

Erik Moonen is taaldocent aan de UHasselt en auteur van Exit dyslexie. Zeker leren lezen met de Alfabetcode, uitgegeven bij Manteau.