Zelfs al hebt u weinig met theater of beeldende kunst, er is alvast één reden om toch wakker te liggen van de verdeling van de kunstensubsidies voor 2017-2021: ze toont een weinig consequent overheidsbeleid.

De beslissing van de Vlaamse regering is al uitvoerig aangevochten in de media. Minister van Cultuur Sven Gatz (Open VLD) zou woordbreuk hebben gepleegd en geen 'zuurstof' geven aan de kunsten. Er werd een kloof van gemiddeld 30% vastgesteld tussen geadviseerde en toegekende subsidiebedragen. Anderen wraakten dan weer de vage gronden waarop de minister 19 kunstorganisaties met een 'voldoende' wel middelen gaf, terwijl 39 andere met hetzelfde rapport in de kou bleven. En er was wat tumult over het precaire evenwicht tussen politieke beslissingen enerzijds en een beoordeling op artistieke kwaliteit anderzijds.

Die politieke keuzes mogen natuurlijk, zelfs met een fijnmazig uitgekiende beoordeling. Maar laat ons dan ook de bijhorende vraag stellen, in plaats van ons te verliezen in debatten over stijgers en dalers of over de eeuwige kloof tussen politieke retoriek en financiële keuzes: welke achterliggende politiek schraagt deze verdeling van kunstensubsidies?

Vooraf legde Sven Gatz een paar accenten in zijn Visienota Kunsten. Hij wou met deze subsidieronde inzetten op een dynamisch en divers kunstenlandschap, toegankelijk voor iedereen en met internationale uitstraling en ambitie. Verder wou hij een ondernemend en slagkrachtig kunstenveld creëren, met een centrale positie voor de kunstenaar.

'Welke politiek schraagt deze verdeling van kunstensubsidies?'

Vooral die twee laatste prioriteiten tonen de mogelijke meerwaarde van een liberale cultuurminister voor de kunsten. Gatz profileerde zich als iemand die niet al te veel in structuren denkt of conservatief vasthoudt aan het bestaande, maar vertrekt vanuit de essentie: de kunstenaar als maker, die kansen moet krijgen om te werken. Deze minister wilde de alarmerende sociaaleconomische positie van de kunstenaar versterken, en accentueerde het belang van meer tijd en ruimte voor zijn of haar ontwikkeling. Eindelijk, dachten velen, durven we naar de essentie gaan van wat een kunstenbeleid zou moeten zijn: de volle steun voor wie die kunsten máákt.

We komen van een kale reis terug. Want gek genoeg lijkt nu juist de kunstenaar het eerste slachtoffer van deze subsidieronde. Dat begint al bij het nieuwe beoordelingssysteem. We gaan er heel vaak aan voorbij, maar dat systeem bouwt op een vast aanvraag-format waarvoor menig kunstenaar al een dossierschrijver moet inhuren om alle vakken en tabellen correct en met brio in te vullen. Grotere structuren kunnen daar bevoegd personeel voor vrijstellen, maar voor kleinere organisaties met kunstenaars aan het roer is het een ware tour de force. Makers zijn nu eenmaal geen boekhouders of pennenlikkers. Toch worden ze in een machinerie geschoven die veeleer dossierschrijvers dan kunstenaars subsidieert. Je papierpraat primeert steeds meer op je praktijk, en dat komt 'artist driven' organisaties niet ten goede.

Is het toeval dat vooral kleinere organisaties en gezelschappen deze subsidieronde niet overleefden? Nochtans sluiten hun missies vaak het dichtste aan op de noden en de plannen van kunstenaars zelf. Zo stellen theater- en dansgezelschappen podiumkunstenaars in staat om rond hun oeuvre een structuur te ontwikkelen die de verschillende aspecten van hun werk - ontwikkeling, productie, netwerking, presentatie - duurzaam ondersteunt en vergoedt. Alleen blijken die functies (zowat het ei van Columbus van de nieuwe beoordeling) nu dus niet echt te dienen om artistiek werk te valideren vanuit het perspectief van kunstenaars of organisaties, wel om op landschapsniveau handige vergelijkingen en politieke keuzes te maken.

Nog opvallender is de niet-subsidiëring van onevenredig veel warme nesten voor vooral jonge kunstenaars. Onder meer Lokaal 01 in Antwerpen, Croxhapox in Gent, Komplot in Brussel en Circuit X op Vlaams niveau boden juist hen alle kansen om hun werk rustig uit te broeden of extra zichtbaar te maken, vaak als opstap naar de top van het professionele veld. Zij vallen nu zonder middelen, net als tal van muziekclubs. Vreemd toch, voor een beleid dat juist daar 'meer tijd en ruimte' voor wilde bieden? We lijken steeds meer te evolueren naar een landschap waarin je meteen op de grote podia moet staan en in de grote musea moet hangen, met heel weinig ruimte om te groeien in het professionele veld.

Natuurlijk kunnen al die geschrapte werkingen nu nog altijd hun toevlucht zoeken bij de projectmiddelen. Maar dat is al even problematisch. Projectmiddelen dienen voornamelijk voor afgebakende producties, niet voor al dat andere werk dat nochtans noodzakelijk is om goede producties ook te laten stralen. Steeds meer wordt kunst maken een goedkope flexi-job.

En daar komt bij dat de projectenpot nu al veel te klein is voor al wie er aanspraak op maakt. Daardoor is het niet denkbeeldig dat de gebuisde werkingen straks de kleinere projecten uit het veld zullen concurreren. Ook hier dreigen de kleine visjes dus opgegeten te worden door de grote. De projectmiddelen worden gedegradeerd tot opvangnet, tot het toonbeeld van niet-duurzame tewerkstelling.

Hoogst merkwaardig allemaal, gezien de beleidsprioriteiten voor deze ronde. En al zeker tegen de achtergrond van een liberale ideologie die het individu naar voren schuift als de ultieme factor van vooruitgang. In de economische sfeer leggen we eieren onder elke zelfstandige die een beetje ondernemingszin aan de dag legt, maar de individuele ondernemers en de kleine zelfstandigen van de kunstensector moeten op de blaren zitten. Waar is de logica?

'De liberale ideologie van 'de kunstenaar centraal'? Het blijkt niet meer dan een mooie droom'

Dé grote logica van deze subsidieronde is dat grotere organisaties en structuren wel overeind blijven, zij het veelal met een status quo als budget - inclusief alle eerdere besparingen en indexeringen van lonen en werkingsmiddelen. Uitzondering zijn de Grote Culturele Instellingen, die vanaf nu een verzekerde positie krijgen. Maar waar zullen de andere grotere organisaties nu gaan schrappen, denkt u? In hun omkaderende functies is het vet na de lineaire besparing van 7,5 % al lang van de soep. En dus kunnen cultuurhuizen haast niet anders dan besparen op hun geplande artistieke projecten zelf, en dus op het aantal kunstenaars waarmee ze in zee gaan. Alweer eten individuele artiesten de boter.

De grote ironie van dit verhaal is dan ook dat we 'de versnippering tegengaan' door minder organisaties niet méér te subsidiëren, en daar ook nog de verwachting aan koppelen dat die grotere spelers hun duit in het zakje zullen doen om de dakloze kleine kunstenaars op te vangen. Dit is uiteraard louter een verkooppraatje. Niet alleen omdat 'minder' maal 'evenveel' nooit kan resulteren in 'meer', maar ook omdat kunstenaars ondersteunen maatwerk is. Je kan als kunstenaar niet zomaar met je rugzakje rijtje gaan schuiven aan de balie van pakweg het Toneelhuis. Het model van de beenhouwer die je bedient met zijn fijne vleeswaren, is toch iets te eenvoudig als ondersteuningsmodel in de kunsten.

Het resultaat van deze subsidieronde valt dus vooral zuur uit voor de jonge kunstenaar, wiens positie op de arbeidsmarkt nog precairder wordt, en die nog meer gaat afhangen van de grotere huizen en hun plannen.

De liberale ideologie van 'de kunstenaar centraal'? Het blijkt een mooie droom, maar zeer moeilijk te handhaven in een conjunctuur waarin het recht van de sterkste nog nooit zo openlijk de boventoon voerde.

De politiek achter deze beslissingen? Het is een politiek die de grote structuren bestendigt, slaagkansen individualiseert zonder er zelf verantwoordelijkheid voor op te nemen, en de arbeidsmarkt voor kunstenaars verder flexibiliseert. Of hoe de gesubsidieerde kunsten voor deze regering gewoon een kopie blijken van ons hele maatschappijbestel.

Zelfs al hebt u weinig met theater of beeldende kunst, er is alvast één reden om toch wakker te liggen van de verdeling van de kunstensubsidies voor 2017-2021: ze toont een weinig consequent overheidsbeleid. De beslissing van de Vlaamse regering is al uitvoerig aangevochten in de media. Minister van Cultuur Sven Gatz (Open VLD) zou woordbreuk hebben gepleegd en geen 'zuurstof' geven aan de kunsten. Er werd een kloof van gemiddeld 30% vastgesteld tussen geadviseerde en toegekende subsidiebedragen. Anderen wraakten dan weer de vage gronden waarop de minister 19 kunstorganisaties met een 'voldoende' wel middelen gaf, terwijl 39 andere met hetzelfde rapport in de kou bleven. En er was wat tumult over het precaire evenwicht tussen politieke beslissingen enerzijds en een beoordeling op artistieke kwaliteit anderzijds.Die politieke keuzes mogen natuurlijk, zelfs met een fijnmazig uitgekiende beoordeling. Maar laat ons dan ook de bijhorende vraag stellen, in plaats van ons te verliezen in debatten over stijgers en dalers of over de eeuwige kloof tussen politieke retoriek en financiële keuzes: welke achterliggende politiek schraagt deze verdeling van kunstensubsidies? Vooraf legde Sven Gatz een paar accenten in zijn Visienota Kunsten. Hij wou met deze subsidieronde inzetten op een dynamisch en divers kunstenlandschap, toegankelijk voor iedereen en met internationale uitstraling en ambitie. Verder wou hij een ondernemend en slagkrachtig kunstenveld creëren, met een centrale positie voor de kunstenaar. Vooral die twee laatste prioriteiten tonen de mogelijke meerwaarde van een liberale cultuurminister voor de kunsten. Gatz profileerde zich als iemand die niet al te veel in structuren denkt of conservatief vasthoudt aan het bestaande, maar vertrekt vanuit de essentie: de kunstenaar als maker, die kansen moet krijgen om te werken. Deze minister wilde de alarmerende sociaaleconomische positie van de kunstenaar versterken, en accentueerde het belang van meer tijd en ruimte voor zijn of haar ontwikkeling. Eindelijk, dachten velen, durven we naar de essentie gaan van wat een kunstenbeleid zou moeten zijn: de volle steun voor wie die kunsten máákt. We komen van een kale reis terug. Want gek genoeg lijkt nu juist de kunstenaar het eerste slachtoffer van deze subsidieronde. Dat begint al bij het nieuwe beoordelingssysteem. We gaan er heel vaak aan voorbij, maar dat systeem bouwt op een vast aanvraag-format waarvoor menig kunstenaar al een dossierschrijver moet inhuren om alle vakken en tabellen correct en met brio in te vullen. Grotere structuren kunnen daar bevoegd personeel voor vrijstellen, maar voor kleinere organisaties met kunstenaars aan het roer is het een ware tour de force. Makers zijn nu eenmaal geen boekhouders of pennenlikkers. Toch worden ze in een machinerie geschoven die veeleer dossierschrijvers dan kunstenaars subsidieert. Je papierpraat primeert steeds meer op je praktijk, en dat komt 'artist driven' organisaties niet ten goede.Is het toeval dat vooral kleinere organisaties en gezelschappen deze subsidieronde niet overleefden? Nochtans sluiten hun missies vaak het dichtste aan op de noden en de plannen van kunstenaars zelf. Zo stellen theater- en dansgezelschappen podiumkunstenaars in staat om rond hun oeuvre een structuur te ontwikkelen die de verschillende aspecten van hun werk - ontwikkeling, productie, netwerking, presentatie - duurzaam ondersteunt en vergoedt. Alleen blijken die functies (zowat het ei van Columbus van de nieuwe beoordeling) nu dus niet echt te dienen om artistiek werk te valideren vanuit het perspectief van kunstenaars of organisaties, wel om op landschapsniveau handige vergelijkingen en politieke keuzes te maken. Nog opvallender is de niet-subsidiëring van onevenredig veel warme nesten voor vooral jonge kunstenaars. Onder meer Lokaal 01 in Antwerpen, Croxhapox in Gent, Komplot in Brussel en Circuit X op Vlaams niveau boden juist hen alle kansen om hun werk rustig uit te broeden of extra zichtbaar te maken, vaak als opstap naar de top van het professionele veld. Zij vallen nu zonder middelen, net als tal van muziekclubs. Vreemd toch, voor een beleid dat juist daar 'meer tijd en ruimte' voor wilde bieden? We lijken steeds meer te evolueren naar een landschap waarin je meteen op de grote podia moet staan en in de grote musea moet hangen, met heel weinig ruimte om te groeien in het professionele veld.Natuurlijk kunnen al die geschrapte werkingen nu nog altijd hun toevlucht zoeken bij de projectmiddelen. Maar dat is al even problematisch. Projectmiddelen dienen voornamelijk voor afgebakende producties, niet voor al dat andere werk dat nochtans noodzakelijk is om goede producties ook te laten stralen. Steeds meer wordt kunst maken een goedkope flexi-job. En daar komt bij dat de projectenpot nu al veel te klein is voor al wie er aanspraak op maakt. Daardoor is het niet denkbeeldig dat de gebuisde werkingen straks de kleinere projecten uit het veld zullen concurreren. Ook hier dreigen de kleine visjes dus opgegeten te worden door de grote. De projectmiddelen worden gedegradeerd tot opvangnet, tot het toonbeeld van niet-duurzame tewerkstelling. Hoogst merkwaardig allemaal, gezien de beleidsprioriteiten voor deze ronde. En al zeker tegen de achtergrond van een liberale ideologie die het individu naar voren schuift als de ultieme factor van vooruitgang. In de economische sfeer leggen we eieren onder elke zelfstandige die een beetje ondernemingszin aan de dag legt, maar de individuele ondernemers en de kleine zelfstandigen van de kunstensector moeten op de blaren zitten. Waar is de logica?Dé grote logica van deze subsidieronde is dat grotere organisaties en structuren wel overeind blijven, zij het veelal met een status quo als budget - inclusief alle eerdere besparingen en indexeringen van lonen en werkingsmiddelen. Uitzondering zijn de Grote Culturele Instellingen, die vanaf nu een verzekerde positie krijgen. Maar waar zullen de andere grotere organisaties nu gaan schrappen, denkt u? In hun omkaderende functies is het vet na de lineaire besparing van 7,5 % al lang van de soep. En dus kunnen cultuurhuizen haast niet anders dan besparen op hun geplande artistieke projecten zelf, en dus op het aantal kunstenaars waarmee ze in zee gaan. Alweer eten individuele artiesten de boter.De grote ironie van dit verhaal is dan ook dat we 'de versnippering tegengaan' door minder organisaties niet méér te subsidiëren, en daar ook nog de verwachting aan koppelen dat die grotere spelers hun duit in het zakje zullen doen om de dakloze kleine kunstenaars op te vangen. Dit is uiteraard louter een verkooppraatje. Niet alleen omdat 'minder' maal 'evenveel' nooit kan resulteren in 'meer', maar ook omdat kunstenaars ondersteunen maatwerk is. Je kan als kunstenaar niet zomaar met je rugzakje rijtje gaan schuiven aan de balie van pakweg het Toneelhuis. Het model van de beenhouwer die je bedient met zijn fijne vleeswaren, is toch iets te eenvoudig als ondersteuningsmodel in de kunsten.Het resultaat van deze subsidieronde valt dus vooral zuur uit voor de jonge kunstenaar, wiens positie op de arbeidsmarkt nog precairder wordt, en die nog meer gaat afhangen van de grotere huizen en hun plannen. De liberale ideologie van 'de kunstenaar centraal'? Het blijkt een mooie droom, maar zeer moeilijk te handhaven in een conjunctuur waarin het recht van de sterkste nog nooit zo openlijk de boventoon voerde. De politiek achter deze beslissingen? Het is een politiek die de grote structuren bestendigt, slaagkansen individualiseert zonder er zelf verantwoordelijkheid voor op te nemen, en de arbeidsmarkt voor kunstenaars verder flexibiliseert. Of hoe de gesubsidieerde kunsten voor deze regering gewoon een kopie blijken van ons hele maatschappijbestel.