Lees hier de kritiek van de Liga Voor Mensenrechten: 'Dit zal radicalisering net in de hand werken'

Weiger radicalen toegang tot bezoekersruimtes in gevangenissen

Voor wie de verslagen van de onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart leest, lijken de aanslagen steeds meer op een familieonderonsje. De broers El Bakraoui bliezen zich beiden op, de ene op de luchthaven van Zaventem en de andere in metrostation Maalbeek. Enkele jaren eerder spendeerden ze nog tijd in de gevangenis voor zware misdrijven. Volgens het Comité I is de kans bovendien groot dat de broers radicaliseerden in de gevangenis, ondertussen regelmatig bezoek kregen van hun geradicaliseerde neef Oussama Atar en misschien zelfs daar samen de eerste hand aan hun terreurplannen legden.

Uit onderzoek - ook in de media - komt steeds waarschijnlijker naar voren dat Oussama Atar, de neef van de broers El Bakraoui, het brein achter de aanslagen van Brussel en Parijs zou zijn. Atar is de man die van 2005 tot 2012 achter gesloten deuren zat in Irak, onder meer in de beruchte gevangenis van Abu Ghraib. De ware reden waarom hij er opgesloten zat, blijft onduidelijk, maar het staat wel vast dat de Amerikanen Atar onder meer van wapentrafiek verdachten. In 2012 werd hij, na gelobby door o.a. Amnesty International en de Belgische overheid, vervroegd vrijgelaten en weer naar België gehaald.

Oussama Atar, .
Oussama Atar © .

Atar was op dat moment bekend bij de Belgische veiligheidsdiensten. Toch werd een bezoekje aan zijn neefjes in de gevangenis hem toen niet ontzegd. In 2013 zou hij tot twintig keer toe op bezoek geweest zijn, zo stelt opnieuw het Comité I. Dat zoiets kan, valt moeilijk uit te leggen - zeker niet in het huidige klimaat van radicalisering binnen de gevangenismuren.

Het bezoekrecht in de gevangenissen wordt geregeld door de Basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden. Het is de gevangenisdirecteur die beslist of een bezoeker toegang krijgt tot een gedetineerde of niet. Sinds kort beschikt die directeur trouwens over de nodige informatie om een betere inschatting te maken van de bezoeker. Toch lijkt het mij duidelijk dat de wet aangepast moet worden om gevallen als dat van Atar en de broers El Bakraoui in de toekomst te vermijden.

Ook in de onderzoekscommissie naar de aanslagen werd zowel door het gevangeniswezen als de Staatsveiligheid geopperd om de Basiswet aan te passen, zodat er een aparte bezoekregeling kan voorzien worden indien ofwel de gedetineerde ofwel de bezoeker een risicoprofiel vertoont. Uit een vraag die ik stelde aan Justitieminister Koen Geens (CD&V) blijkt echter dat een wetswijziging voorlopig niet op de agenda staat. Het is en blijft, volgens de minister, de taak van een gevangenisdirecteur om in te schatten of een bezoeker een gevaar kan vormen voor de handhaving van de orde en de veiligheid. Ik twijfel absoluut niet aan de bekwaamheid van de directeurs, maar door het gebrek aan een geactualiseerd, wettelijk kader rest hen vaak niet meer dan nattevingerwerk.

Onze gevangenissen mogen geen rekrutering- en opleidingscentra voor IS worden.

Niet onbelangrijk: zowat de helft van de gevangenispopulatie bestaat uit moslims: in Brussel loopt het cijfer op tot 70 procent. Bovendien zijn gedetineerden, net omwille van hun opsluiting, vatbaarder voor besmetting met radicaal gedachtegoed. We moeten hen daarom ook binnen de gevangenismuren daartegen beschermen. En wanneer een handleiding om een bom te maken de gevangenismuren binnen geraakt, wanneer ronselaars tijdens bezoekuren hun werk kunnen doen en wanneer familieleden elkaar in de bezoekersruimte kunnen inspireren om zichzelf op te blazen in een terroristische aanslag, zitten we met een groot probleem.

Ik ontken niet dat de minister hard werkt, evenmin dat de minister een moeilijke opdracht heeft. Het actieplan van de FOD Justitie biedt bovendien een goede basis. Maar twee jaar nadat het op tafel werd gelegd zitten er nog steeds 450 geradicaliseerde moslims of risicoprofielen in onze gevangenissen, waaronder 160 die verdacht worden van of veroordeeld zijn voor terroristische misdrijven. In 2016 waren er daarnaast meer meldingen van radicalisering dan in het jaar voordien. We moeten dus absoluut vermijden dat dit hoge cijfer nog verder uitbreidt, te beginnen door radicale bezoekers die kwetsbare gedetineerden willen besmetten uit de gevangenissen te weren. Niet alleen binnen de gevangenismuren, maar ook van buitenuit is inzetten op preventie van kapitaal belang. Onze gevangenissen mogen geen rekrutering- en opleidingscentra voor IS worden.

Voor wie de verslagen van de onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart leest, lijken de aanslagen steeds meer op een familieonderonsje. De broers El Bakraoui bliezen zich beiden op, de ene op de luchthaven van Zaventem en de andere in metrostation Maalbeek. Enkele jaren eerder spendeerden ze nog tijd in de gevangenis voor zware misdrijven. Volgens het Comité I is de kans bovendien groot dat de broers radicaliseerden in de gevangenis, ondertussen regelmatig bezoek kregen van hun geradicaliseerde neef Oussama Atar en misschien zelfs daar samen de eerste hand aan hun terreurplannen legden. Uit onderzoek - ook in de media - komt steeds waarschijnlijker naar voren dat Oussama Atar, de neef van de broers El Bakraoui, het brein achter de aanslagen van Brussel en Parijs zou zijn. Atar is de man die van 2005 tot 2012 achter gesloten deuren zat in Irak, onder meer in de beruchte gevangenis van Abu Ghraib. De ware reden waarom hij er opgesloten zat, blijft onduidelijk, maar het staat wel vast dat de Amerikanen Atar onder meer van wapentrafiek verdachten. In 2012 werd hij, na gelobby door o.a. Amnesty International en de Belgische overheid, vervroegd vrijgelaten en weer naar België gehaald. Atar was op dat moment bekend bij de Belgische veiligheidsdiensten. Toch werd een bezoekje aan zijn neefjes in de gevangenis hem toen niet ontzegd. In 2013 zou hij tot twintig keer toe op bezoek geweest zijn, zo stelt opnieuw het Comité I. Dat zoiets kan, valt moeilijk uit te leggen - zeker niet in het huidige klimaat van radicalisering binnen de gevangenismuren. Het bezoekrecht in de gevangenissen wordt geregeld door de Basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden. Het is de gevangenisdirecteur die beslist of een bezoeker toegang krijgt tot een gedetineerde of niet. Sinds kort beschikt die directeur trouwens over de nodige informatie om een betere inschatting te maken van de bezoeker. Toch lijkt het mij duidelijk dat de wet aangepast moet worden om gevallen als dat van Atar en de broers El Bakraoui in de toekomst te vermijden.Ook in de onderzoekscommissie naar de aanslagen werd zowel door het gevangeniswezen als de Staatsveiligheid geopperd om de Basiswet aan te passen, zodat er een aparte bezoekregeling kan voorzien worden indien ofwel de gedetineerde ofwel de bezoeker een risicoprofiel vertoont. Uit een vraag die ik stelde aan Justitieminister Koen Geens (CD&V) blijkt echter dat een wetswijziging voorlopig niet op de agenda staat. Het is en blijft, volgens de minister, de taak van een gevangenisdirecteur om in te schatten of een bezoeker een gevaar kan vormen voor de handhaving van de orde en de veiligheid. Ik twijfel absoluut niet aan de bekwaamheid van de directeurs, maar door het gebrek aan een geactualiseerd, wettelijk kader rest hen vaak niet meer dan nattevingerwerk.Niet onbelangrijk: zowat de helft van de gevangenispopulatie bestaat uit moslims: in Brussel loopt het cijfer op tot 70 procent. Bovendien zijn gedetineerden, net omwille van hun opsluiting, vatbaarder voor besmetting met radicaal gedachtegoed. We moeten hen daarom ook binnen de gevangenismuren daartegen beschermen. En wanneer een handleiding om een bom te maken de gevangenismuren binnen geraakt, wanneer ronselaars tijdens bezoekuren hun werk kunnen doen en wanneer familieleden elkaar in de bezoekersruimte kunnen inspireren om zichzelf op te blazen in een terroristische aanslag, zitten we met een groot probleem. Ik ontken niet dat de minister hard werkt, evenmin dat de minister een moeilijke opdracht heeft. Het actieplan van de FOD Justitie biedt bovendien een goede basis. Maar twee jaar nadat het op tafel werd gelegd zitten er nog steeds 450 geradicaliseerde moslims of risicoprofielen in onze gevangenissen, waaronder 160 die verdacht worden van of veroordeeld zijn voor terroristische misdrijven. In 2016 waren er daarnaast meer meldingen van radicalisering dan in het jaar voordien. We moeten dus absoluut vermijden dat dit hoge cijfer nog verder uitbreidt, te beginnen door radicale bezoekers die kwetsbare gedetineerden willen besmetten uit de gevangenissen te weren. Niet alleen binnen de gevangenismuren, maar ook van buitenuit is inzetten op preventie van kapitaal belang. Onze gevangenissen mogen geen rekrutering- en opleidingscentra voor IS worden.