Vorige week publiceerde de Europese Commissie voor het eerst cijfers rond proefdiergebruik voor de hele EU, tijdens de periode 2015 tot 2017. Ondanks een algemene daling van het aantal dierproeven blijkt België de zesde grootste Europese gebruiker te zijn.

Ver voorop in het lijstje staan landen als het VK, Duitsland en Frankrijk, met meer dan een miljoen proefdieren. Het hoeft niet te verbazen dat deze grote landen, zowel qua bevolking als wetenschappelijk gewicht, in absolute cijfers ook de grootste bijdragers zijn aan proefdieronderzoek. (Piep)kleine lidstaten als Malta en Cyprus sluiten het rijtje.

Waarom gebeuren er zoveel dierproeven in België?

Wil dat zeggen dat Malta koploper is in proefdiervrije onderzoeksmethoden? Niet bepaald. In Vlaanderen maken we ons sterk een top-regio voor biotechnologie te zijn. Dankzij een ecosysteem van top universiteiten, ziekenhuizen en onderzoeksinstituten genereerde België in 2016 bijna één vijfde van de EU-marktkapitalisatie voor biotechproducten. Het kan dus ook niet helemaal verbazen dat we in de Europese top 10 terug te vinden zijn als het op dierproeven aankomt.

Lees verder onder de grafieken

Wat zeggen deze cijfers ons dan wel?

Het is voor het eerst dat de Europese Commissie met zo'n brede cijfers naar buiten treedt en dat is een positieve evolutie. Hoe meer openheid over dierproeven, hoe beter we de situatie kunnen inschatten en beleid kunnen schetsen. De cijfers geven een belangrijke inkijk op waarom dierproeven uitgevoerd worden. En om welke diersoorten het gaat. Zo werden in Malta uitsluitend vissen gebruikt.

Voor Vlaanderen en België worden deze cijfers al langer gerapporteerd en zijn ze ook voor 2018 beschikbaar. Uit die rapporten blijkt bovendien dat over de afgelopen twintig jaar het aantal dierproeven in ons land gestaag daalt.

Hoe komt er dat er dan toch nog zoveel verschillen bestaan tussen Europese regio's? Naast een globaal verschil in middelen voor wetenschap ligt ook het inhoudelijk zwaartepunt niet in alle landen hetzelfde. In Portugal bijvoorbeeld worden proefdieren bijna uitsluiteind ingezet voor basisonderzoek, terwijl het in Ierland veeleer gaat om testen voor regelgevende doeleinden. Met net iets minder dan de helft van de proefdieren ingezet voor basisonderzoek zit België dan weer dicht bij het Europese gemiddelde.

Maar ook binnen het basisonderzoek zijn er grote verschillen. De drie belangrijkste domeinen voor dierproeven in ons land zijn kankeronderzoek, neurowetenschappelijk onderzoek (hersenen en zenuwen), en immunologisch onderzoek - samen goed voor bijna twee derde van al het basisonderzoek met dierproeven. In Italië, waar grosso modo ongeveer evenveel proefdieren werden gebruikt in 2017, werd een veel kleiner aandeel ingezet voor basisonderzoek (32,9% versus 47,6% in België). Van alle dierproeven voor basisonderzoek ging het dan weer relatief vaker om kankeronderzoek of hersenonderzoek, maar veel minder om immunologisch onderzoek.

Wie hoog of laag scoort in dit lijstje, heeft dat dus vooral te danken aan de grootte van het land zelf, aan het relatieve 'gewicht' in het onderzoekslandschap en aan de regionale zwaartepunten van het onderzoek. Het wettelijk kader rond dierproeven is Europees bepaald en dus voor alle lidstaten gelden dezelfde regels, gebaseerd op de krijtlijnen van de drie V's: verminderen, verfijnen en vervangen -- als er een alternatieve, proefdiervrije methode bestaat, dan zijn wetenschappers verplicht die ook toe te passen.

Onderzoek is bovendien een internationale teamsport, en innovatie stopt heus niet aan de landsgrenzen. Laten we dus mikken op meer en betere innovatie, met zo min mogelijk dierenleed, los van de lijstjes.

Professor Patrik Verstreken en professor Joris de Wit zijn de directeur en vice-directeur van het VIB-KU Leuven Centrum voor Hersenonderzoek. Hun opiniestuk werd ook ondertekend door professor Wim Annaert.

Vorige week publiceerde de Europese Commissie voor het eerst cijfers rond proefdiergebruik voor de hele EU, tijdens de periode 2015 tot 2017. Ondanks een algemene daling van het aantal dierproeven blijkt België de zesde grootste Europese gebruiker te zijn.Ver voorop in het lijstje staan landen als het VK, Duitsland en Frankrijk, met meer dan een miljoen proefdieren. Het hoeft niet te verbazen dat deze grote landen, zowel qua bevolking als wetenschappelijk gewicht, in absolute cijfers ook de grootste bijdragers zijn aan proefdieronderzoek. (Piep)kleine lidstaten als Malta en Cyprus sluiten het rijtje. Wil dat zeggen dat Malta koploper is in proefdiervrije onderzoeksmethoden? Niet bepaald. In Vlaanderen maken we ons sterk een top-regio voor biotechnologie te zijn. Dankzij een ecosysteem van top universiteiten, ziekenhuizen en onderzoeksinstituten genereerde België in 2016 bijna één vijfde van de EU-marktkapitalisatie voor biotechproducten. Het kan dus ook niet helemaal verbazen dat we in de Europese top 10 terug te vinden zijn als het op dierproeven aankomt.Lees verder onder de grafiekenWat zeggen deze cijfers ons dan wel? Het is voor het eerst dat de Europese Commissie met zo'n brede cijfers naar buiten treedt en dat is een positieve evolutie. Hoe meer openheid over dierproeven, hoe beter we de situatie kunnen inschatten en beleid kunnen schetsen. De cijfers geven een belangrijke inkijk op waarom dierproeven uitgevoerd worden. En om welke diersoorten het gaat. Zo werden in Malta uitsluitend vissen gebruikt.Voor Vlaanderen en België worden deze cijfers al langer gerapporteerd en zijn ze ook voor 2018 beschikbaar. Uit die rapporten blijkt bovendien dat over de afgelopen twintig jaar het aantal dierproeven in ons land gestaag daalt. Hoe komt er dat er dan toch nog zoveel verschillen bestaan tussen Europese regio's? Naast een globaal verschil in middelen voor wetenschap ligt ook het inhoudelijk zwaartepunt niet in alle landen hetzelfde. In Portugal bijvoorbeeld worden proefdieren bijna uitsluiteind ingezet voor basisonderzoek, terwijl het in Ierland veeleer gaat om testen voor regelgevende doeleinden. Met net iets minder dan de helft van de proefdieren ingezet voor basisonderzoek zit België dan weer dicht bij het Europese gemiddelde. Maar ook binnen het basisonderzoek zijn er grote verschillen. De drie belangrijkste domeinen voor dierproeven in ons land zijn kankeronderzoek, neurowetenschappelijk onderzoek (hersenen en zenuwen), en immunologisch onderzoek - samen goed voor bijna twee derde van al het basisonderzoek met dierproeven. In Italië, waar grosso modo ongeveer evenveel proefdieren werden gebruikt in 2017, werd een veel kleiner aandeel ingezet voor basisonderzoek (32,9% versus 47,6% in België). Van alle dierproeven voor basisonderzoek ging het dan weer relatief vaker om kankeronderzoek of hersenonderzoek, maar veel minder om immunologisch onderzoek. Wie hoog of laag scoort in dit lijstje, heeft dat dus vooral te danken aan de grootte van het land zelf, aan het relatieve 'gewicht' in het onderzoekslandschap en aan de regionale zwaartepunten van het onderzoek. Het wettelijk kader rond dierproeven is Europees bepaald en dus voor alle lidstaten gelden dezelfde regels, gebaseerd op de krijtlijnen van de drie V's: verminderen, verfijnen en vervangen -- als er een alternatieve, proefdiervrije methode bestaat, dan zijn wetenschappers verplicht die ook toe te passen. Onderzoek is bovendien een internationale teamsport, en innovatie stopt heus niet aan de landsgrenzen. Laten we dus mikken op meer en betere innovatie, met zo min mogelijk dierenleed, los van de lijstjes.Professor Patrik Verstreken en professor Joris de Wit zijn de directeur en vice-directeur van het VIB-KU Leuven Centrum voor Hersenonderzoek. Hun opiniestuk werd ook ondertekend door professor Wim Annaert.