Politiek en moraliteit

Sinds kort weten we dat de uitbraak van het nieuwe coronavirus een pandemie is. De gevolgen zijn ook voor België navenant. Andermaal wordt duidelijk dat de 'gezondheid' en de stabiliteit van liberaal-democratische rechtsstaten niet alleen afhangt van de robuustheid van regels, wetten, straffen en sociale instituties, maar ook van de burgers die ertoe bereid zijn opofferingen te maken. Die gedachte werd/wordt niet altijd aangenomen. Tot op zekere hoogte waren bijvoorbeeld de klassieke liberale filosofen de mening toegenegen dat voor een politiek en economisch succesvolle samenleving de afwezigheid van 'deugdelijke burgers' niet steeds een probleem hoeft te zijn.

Waarom de overheid solidaire burgers nodig heeft.

Zo gaf Immanuel Kant (1724-1804) aan dat 'politiek' en 'moraliteit' twee verschillende dimensies zijn en dat het probleem van goed bestuur zelfs voor een groep van duivels kan worden opgelost. In de politiek, zo gaf hij in Zum ewigen Frieden aan, gaat het om het zoeken naar concrete en handige oplossingen voor bepaalde doeleinden. Dat veronderstelt niet persé dat de burgers goede mensen zijn. Het enige wat kan en moet worden verwacht is dat ze zich aan de wetten en regels houden en dat ze kunnen worden gesanctioneerd.

Ook Bernard Mandeville (1670-1733) ging ervan uit dat deugdzame burgers eigenlijk niet echt nodig zijn voor een (economisch) florissante samenleving. Zo kunnen handelingen weliswaar vanuit individueel perspectief als ondeugdelijk worden beschouwd, maar de samenleving als geheel toch ten goede komen. Private vices, public benefits, zo luidt de ondertitel van het boek The Fables of the Bees dat hem tot op vandaag een plekje garandeert in elke cursus (politieke) filosofie. Wanneer ondeugden dominant zijn (vb. hard werken omdat men er enkel de eigen luxe mee wil bevorderen) neemt de sociaaleconomische ongelijkheid toe, maar uiteindelijk zullen alle leden van de samenleving er wel baat bij hebben. De economische groei wordt immers gestimuleerd en via het 'trickle down effect' wordt ten langen leste iedereen rijker. Of mensen deugdzaam zijn of niet, doet er niet toe (behalve misschien voor wie gelooft dat aardse deugdzaamheid in het hiernamaals hemelse vreugde oplevert).

Adam Smith (1723-1790) volgt de paradox van Mandeville: als alle mensen voor hun eigen belang werken dan is het alsof een onzichtbare hand hun inspanningen naar het algemeen welzijn leidt. We hoeven met andere woorden niet bewust het gemeenschappelijke goed op het oog te hebben om dat goed ook effectief gerealiseerd te zien worden. De bakker maakt geen brood om ons te dienen, maar hij bakt brood omdat anderen het zouden kopen en hij dan met dat geld kan voorzien in zijn eigen levensonderhoud. Via eigenbelang en de werking van de markt komt er dus volgens Smith uiteindelijk een toestand van harmonie en welvaart. Deze metafoor van de hidden hand rechtvaardigt een economisch laisser faire model.

Verantwoord burgerschap

Deze en andere auteurs gingen er dus vanuit dat in principe een aantal institutionele verankeringen (vb. scheiding der machten) en een algemeen proces van checks en balances voldoende kan zijn. Maar, die gedachten zijn achterhaald. Bekijk bijvoorbeeld alleen al hoe sterk publiek beleid eigenlijk voortdurend veronderstelt dat burgers verantwoordelijke keuzes maken en hoe zij, minstens op latente wijze, boogt op een persoonlijke zorgzaamheidsethiek die uitgaat van verantwoordelijkheid, solidariteit, inleving en verbondenheid.

Met betrekking tot financiële keuzes, gezondheid en klimaat wordt geacht dat burgers hun gedragingen en keuzes laten leiden door redelijkheid, matiging en samenwerking. Een samenleving kan namelijk wel degelijk in de problemen komen wanneer teveel burgers door persoonlijke keuzes en gedragingen geldproblemen hebben en dus moeten bogen op de sociale zekerheid. De staat zal bijvoorbeeld onmogelijk adequate gezondheidszorg kunnen aanbieden als burgers niet wat op hun gezondheid letten. Mensen behouden de vrijheid om elke dag friet en chips te eten, maar als iedereen dat doet, valt het gezondheidssysteem in elkaar. De staat gaat er ook vanuit dat mensen (informeel) hulp bieden aan ouderen, kinderen en gehandicapten. Zonder legio vormen van medemenselijkheid is een samenleving te kil om werkelijk een lang leven te zijn beschoren.

Nog twee voorbeelden. De staat moet dan wel structureel ingrijpen om het klimaat te beschermen, maar tegelijk rekent zij op de bereidheid van mensen om voldoende 'klimaatburgerschap' aan de dag te leggen, al was het maar omdat ze daarin de legitimiteit voor drastische ingrepen ziet gereflecteerd. Overheidspogingen om samenlevingen rechtvaardiger te maken en racisme en discriminatie te weren, lukken niet wanneer burgers intolerant zijn en niet willen samenwerken met anderen.

De staat rekent dus eigenlijk voortdurend op de goodwill van haar burgers. Of nog, een stabiele en gezonde samenleving rust op bepaalde kwaliteiten en attitudes van burgers: mensen moeten bereid zijn het eigen gedrag te matigen en persoonlijk verantwoordelijkheid te tonen in keuzes die een impact hebben op de omgeving, de gezondheid en de concrete/abstracte ander. Zonder burgers die deze kwaliteiten tentoonspreiden, kunnen moderne democratieën eigenlijk nauwelijks bestuurd worden. De medemenselijkheid die zich veelal op het microniveau bevindt is cruciaal.

Wat die goodwill, medemenselijkheid precies veronderstellen is niet altijd duidelijk en hangt vaak van velerlei factoren af. In het geval van corona is het echter erg duidelijk: handen wassen, generaties uit elkaar houden, afstand tussen mensen houden, niet hamsteren, geen lockdownfeestjes (alleen al het woord!) organiseren en bijwonen, etc. Natuurlijk kan elke samenleving zich wel een aantal 'free riders' veroorloven, maar zij komt echt wel in de problemen als iedereen de idee van samenwerking en solidariteit naast zich neerlegt. Dit is meteen ook de reden waarom burgerschap zo fundamenteel is en waarom het een belangrijk thema in het onderwijs moet zijn/blijven.

'Klimaatburgerschap' en 'coronaburgerschap'

Het is wat dat betreft interessant om de klimaatcrisis te vergelijken met de coronacrisis. Het klimaatprobleem veronderstelt systemische oplossingen waarvoor individuele burgers, elk op hun manier, kunnen aantonen hoe belangrijk ze die vinden. Dat microgedrag zal het klimaat niet persé helpen, maar het signaal dat ervan uitgaat is sterk. De burgers creëren omzeggens het 'klimaatdraagvlak' en het is dan vooral aan de politiek om drastisch in te grijpen.

Bij de coronacrisis lijkt het eerder omgekeerd: de politiek creëert in eerste instantie een 'coronadraagvlak' door bepaalde maatregelen te nemen, maar het zijn uiteindelijk de burgers die drastisch moeten handelen. Het is immers zo dat de coronacrisis mee kan worden bedwongen door individueel gedrag.

Een ander verschil tussen de klimaat- en coronacrisis is dat de eerste veronderstelt rekening te houden met de gevolgen voor de verre en abstracte andere, terwijl de laatste veronderstelt dat men rekening houdt met de nabije en concrete andere (i.c. oudere en kwetsbare mensen). Wat de groep van oudere medeburgers betreft, dient te worden opgemerkt dat zij vaak en zeker nu (in filosofische zin) gedomineerd wordt. Ouderen zijn thans in grote mate afhankelijk van wat 'jonge en gezonde' burgers doen, vergelijkbaar met de vrouw die in een moeilijk huwelijk gevangen zit en afhankelijk is van de grillen van de echtgenoot die bepaalt of zij het huis wel/niet mag verlaten of met de student die voor zijn punten afhankelijk is van het goede of slechte humeur van de docent. Gedomineerd worden betekent afhankelijk/kwetsbaar zijn voor de interferenties van anderen die de mogelijkheid hebben om op arbitraire wijze jouw situatie te verergeren. Het gaat met andere woorden om een status waarbij er een mogelijkheid is dat anderen straffeloos en min of meer vrijwillig jouw situatie verergeren.

De kwetsbaarheid die uit dominantie voortvloeit, hangt samen met hiërarchie. Deze hiërarchie, deze asymmetrische relaties, hebben we niet nodig en zeker niet in een tijd van coronacrisis. Wat wel nodig is, is welgemeende solidariteit binnen een 'ruime gemeenschap van gelijken'. Idealiter is deze solidariteit het gevolg van een zekere moraliteit: ik ben solidair niet omdat het een middel is om mijn eigen ziekte te doen uitblijven, maar omdat ik moreel wil handelen en het morele waardevol vind. Of nog, 'zorgzaam' zijn voor elkaar, niet omdat je het als jonge mens kan of omdat je het van overheidswege zou moeten doen, maar gewoon omdat je het wil en elke mens als een gelijke aanziet. Solidariteit dus als antistof voor corona.

François Levrau, dr. Sociale Wetenschappen en verbonden aan de UAntwerpen.

Politiek en moraliteit Sinds kort weten we dat de uitbraak van het nieuwe coronavirus een pandemie is. De gevolgen zijn ook voor België navenant. Andermaal wordt duidelijk dat de 'gezondheid' en de stabiliteit van liberaal-democratische rechtsstaten niet alleen afhangt van de robuustheid van regels, wetten, straffen en sociale instituties, maar ook van de burgers die ertoe bereid zijn opofferingen te maken. Die gedachte werd/wordt niet altijd aangenomen. Tot op zekere hoogte waren bijvoorbeeld de klassieke liberale filosofen de mening toegenegen dat voor een politiek en economisch succesvolle samenleving de afwezigheid van 'deugdelijke burgers' niet steeds een probleem hoeft te zijn. Zo gaf Immanuel Kant (1724-1804) aan dat 'politiek' en 'moraliteit' twee verschillende dimensies zijn en dat het probleem van goed bestuur zelfs voor een groep van duivels kan worden opgelost. In de politiek, zo gaf hij in Zum ewigen Frieden aan, gaat het om het zoeken naar concrete en handige oplossingen voor bepaalde doeleinden. Dat veronderstelt niet persé dat de burgers goede mensen zijn. Het enige wat kan en moet worden verwacht is dat ze zich aan de wetten en regels houden en dat ze kunnen worden gesanctioneerd. Ook Bernard Mandeville (1670-1733) ging ervan uit dat deugdzame burgers eigenlijk niet echt nodig zijn voor een (economisch) florissante samenleving. Zo kunnen handelingen weliswaar vanuit individueel perspectief als ondeugdelijk worden beschouwd, maar de samenleving als geheel toch ten goede komen. Private vices, public benefits, zo luidt de ondertitel van het boek The Fables of the Bees dat hem tot op vandaag een plekje garandeert in elke cursus (politieke) filosofie. Wanneer ondeugden dominant zijn (vb. hard werken omdat men er enkel de eigen luxe mee wil bevorderen) neemt de sociaaleconomische ongelijkheid toe, maar uiteindelijk zullen alle leden van de samenleving er wel baat bij hebben. De economische groei wordt immers gestimuleerd en via het 'trickle down effect' wordt ten langen leste iedereen rijker. Of mensen deugdzaam zijn of niet, doet er niet toe (behalve misschien voor wie gelooft dat aardse deugdzaamheid in het hiernamaals hemelse vreugde oplevert). Adam Smith (1723-1790) volgt de paradox van Mandeville: als alle mensen voor hun eigen belang werken dan is het alsof een onzichtbare hand hun inspanningen naar het algemeen welzijn leidt. We hoeven met andere woorden niet bewust het gemeenschappelijke goed op het oog te hebben om dat goed ook effectief gerealiseerd te zien worden. De bakker maakt geen brood om ons te dienen, maar hij bakt brood omdat anderen het zouden kopen en hij dan met dat geld kan voorzien in zijn eigen levensonderhoud. Via eigenbelang en de werking van de markt komt er dus volgens Smith uiteindelijk een toestand van harmonie en welvaart. Deze metafoor van de hidden hand rechtvaardigt een economisch laisser faire model. Deze en andere auteurs gingen er dus vanuit dat in principe een aantal institutionele verankeringen (vb. scheiding der machten) en een algemeen proces van checks en balances voldoende kan zijn. Maar, die gedachten zijn achterhaald. Bekijk bijvoorbeeld alleen al hoe sterk publiek beleid eigenlijk voortdurend veronderstelt dat burgers verantwoordelijke keuzes maken en hoe zij, minstens op latente wijze, boogt op een persoonlijke zorgzaamheidsethiek die uitgaat van verantwoordelijkheid, solidariteit, inleving en verbondenheid. Met betrekking tot financiële keuzes, gezondheid en klimaat wordt geacht dat burgers hun gedragingen en keuzes laten leiden door redelijkheid, matiging en samenwerking. Een samenleving kan namelijk wel degelijk in de problemen komen wanneer teveel burgers door persoonlijke keuzes en gedragingen geldproblemen hebben en dus moeten bogen op de sociale zekerheid. De staat zal bijvoorbeeld onmogelijk adequate gezondheidszorg kunnen aanbieden als burgers niet wat op hun gezondheid letten. Mensen behouden de vrijheid om elke dag friet en chips te eten, maar als iedereen dat doet, valt het gezondheidssysteem in elkaar. De staat gaat er ook vanuit dat mensen (informeel) hulp bieden aan ouderen, kinderen en gehandicapten. Zonder legio vormen van medemenselijkheid is een samenleving te kil om werkelijk een lang leven te zijn beschoren. Nog twee voorbeelden. De staat moet dan wel structureel ingrijpen om het klimaat te beschermen, maar tegelijk rekent zij op de bereidheid van mensen om voldoende 'klimaatburgerschap' aan de dag te leggen, al was het maar omdat ze daarin de legitimiteit voor drastische ingrepen ziet gereflecteerd. Overheidspogingen om samenlevingen rechtvaardiger te maken en racisme en discriminatie te weren, lukken niet wanneer burgers intolerant zijn en niet willen samenwerken met anderen. De staat rekent dus eigenlijk voortdurend op de goodwill van haar burgers. Of nog, een stabiele en gezonde samenleving rust op bepaalde kwaliteiten en attitudes van burgers: mensen moeten bereid zijn het eigen gedrag te matigen en persoonlijk verantwoordelijkheid te tonen in keuzes die een impact hebben op de omgeving, de gezondheid en de concrete/abstracte ander. Zonder burgers die deze kwaliteiten tentoonspreiden, kunnen moderne democratieën eigenlijk nauwelijks bestuurd worden. De medemenselijkheid die zich veelal op het microniveau bevindt is cruciaal. Wat die goodwill, medemenselijkheid precies veronderstellen is niet altijd duidelijk en hangt vaak van velerlei factoren af. In het geval van corona is het echter erg duidelijk: handen wassen, generaties uit elkaar houden, afstand tussen mensen houden, niet hamsteren, geen lockdownfeestjes (alleen al het woord!) organiseren en bijwonen, etc. Natuurlijk kan elke samenleving zich wel een aantal 'free riders' veroorloven, maar zij komt echt wel in de problemen als iedereen de idee van samenwerking en solidariteit naast zich neerlegt. Dit is meteen ook de reden waarom burgerschap zo fundamenteel is en waarom het een belangrijk thema in het onderwijs moet zijn/blijven. 'Klimaatburgerschap' en 'coronaburgerschap'Het is wat dat betreft interessant om de klimaatcrisis te vergelijken met de coronacrisis. Het klimaatprobleem veronderstelt systemische oplossingen waarvoor individuele burgers, elk op hun manier, kunnen aantonen hoe belangrijk ze die vinden. Dat microgedrag zal het klimaat niet persé helpen, maar het signaal dat ervan uitgaat is sterk. De burgers creëren omzeggens het 'klimaatdraagvlak' en het is dan vooral aan de politiek om drastisch in te grijpen.Bij de coronacrisis lijkt het eerder omgekeerd: de politiek creëert in eerste instantie een 'coronadraagvlak' door bepaalde maatregelen te nemen, maar het zijn uiteindelijk de burgers die drastisch moeten handelen. Het is immers zo dat de coronacrisis mee kan worden bedwongen door individueel gedrag. Een ander verschil tussen de klimaat- en coronacrisis is dat de eerste veronderstelt rekening te houden met de gevolgen voor de verre en abstracte andere, terwijl de laatste veronderstelt dat men rekening houdt met de nabije en concrete andere (i.c. oudere en kwetsbare mensen). Wat de groep van oudere medeburgers betreft, dient te worden opgemerkt dat zij vaak en zeker nu (in filosofische zin) gedomineerd wordt. Ouderen zijn thans in grote mate afhankelijk van wat 'jonge en gezonde' burgers doen, vergelijkbaar met de vrouw die in een moeilijk huwelijk gevangen zit en afhankelijk is van de grillen van de echtgenoot die bepaalt of zij het huis wel/niet mag verlaten of met de student die voor zijn punten afhankelijk is van het goede of slechte humeur van de docent. Gedomineerd worden betekent afhankelijk/kwetsbaar zijn voor de interferenties van anderen die de mogelijkheid hebben om op arbitraire wijze jouw situatie te verergeren. Het gaat met andere woorden om een status waarbij er een mogelijkheid is dat anderen straffeloos en min of meer vrijwillig jouw situatie verergeren. De kwetsbaarheid die uit dominantie voortvloeit, hangt samen met hiërarchie. Deze hiërarchie, deze asymmetrische relaties, hebben we niet nodig en zeker niet in een tijd van coronacrisis. Wat wel nodig is, is welgemeende solidariteit binnen een 'ruime gemeenschap van gelijken'. Idealiter is deze solidariteit het gevolg van een zekere moraliteit: ik ben solidair niet omdat het een middel is om mijn eigen ziekte te doen uitblijven, maar omdat ik moreel wil handelen en het morele waardevol vind. Of nog, 'zorgzaam' zijn voor elkaar, niet omdat je het als jonge mens kan of omdat je het van overheidswege zou moeten doen, maar gewoon omdat je het wil en elke mens als een gelijke aanziet. Solidariteit dus als antistof voor corona.François Levrau, dr. Sociale Wetenschappen en verbonden aan de UAntwerpen.