De versoepeling van de abortuswet met een uitbreiding van de toepassingsgrens van 12 naar 18 weken en een verkorting van de wachtperiode tot 48 uur doet bij velen de wenkbrauwen fronsen. Tegenstanders halen voornamelijk ethische argumenten boven en kaarten het gebrek aan empirische kennis voor de huidige wetswijziging aan. Ik erken het ethische aspect in de keuze tot het afbreken van een zwangerschap; het dragen van een kind raakt het diepste van ons mens-zijn. Hier licht mee omspringen doet afbreuk aan de waardigheid van het leven. Maar naar de omstandigheden waarin een zwangerschap wordt afgebroken is wel al uitvoerig onderzoek verricht, en wat blijkt op basis van deze wetenschappelijke evidentie? De versoepeling van de abortuswetgeving zou om meerdere redenen een goede zaak zijn voor de volksgezondheid.

Waarom de cijfers de versoepeling van de abortuswet onderbouwen.

Ten eerste zal de uitbreiding vooral ten voordele komen van de meest kwetsbare vrouwen. Voorgaande studies uit andere Europese landen tonen dat de groep vrouwen die zich aanmelden voorbij de wettelijke limiet vaak jonger, alleenstaande en kinderloos zijn, meer relationele conflicten ervaren en een meer kwetsbare sociaaleconomische status hebben. Deze vrouwen zijn zich vaak pas later bewust van hun zwangerschap, bijvoorbeeld door onregelmatige menstruaties of afwezigheid van zwangerschapssymptomen. Tegenstrijdige gevoelens omtrent de zwangerschap kunnen het tijdstip van de abortusaanvraag ook verlaten. Een recente studie gepubliceerd in het tijdschrift Perspectives on Sexual and Reproductive Health bevestigt deze patronen in Vlaanderen. Deze studie toonde ook aan dat de overgrote meerderheid van vrouwen die zich later dan 12 weken zwangerschap aanmeldden vervolgens naar Nederland trok voor een abortus. Daar dragen ze zelf volledig de kosten van de behandeling en bestaat er geen garantie op kwaliteitsvolle (na)zorg. De versoepeling van de huidige abortuswet zal er dus voor zorgen dat de meest kwetsbare vrouwen nu ook op een veilige en betaalbare wijze een abortus kunnen hebben.

Ten tweede zal de uitbreiding van de abortuswetgeving niet voor een aanzuigeffect zorgen. De recentste Vlaamse cijfers tonen aan dat slechts een fractie van de abortusaanvragen voorbij de wettelijke termijn gebeurt (jaarlijks gemiddeld 200 vrouwen op een totaal van 7000 aanvragen). In landen waar de abortuswetgeving werd versoepeld ziet men geen toename in het aantal abortusaanvragen. De cijfers zullen enkel op papier toenemen omdat ze nu ook officieel geregistreerd worden in eigen land. Wel bestaat de mogelijkheid dat vrouwen uit buurlanden met een strengere abortuswetgeving naar België zullen trekken voor de behandeling. De Nederlandse cijfers tonen immers aan dat de grote meerderheid van vrouwen die hun zwangerschap in het tweede semester afbraken uit de buurlanden kwamen. Dit is echter in lijn met het recht op vrij verkeer van patiënten binnen de Europese Unie.

Tenslotte erkent de versoepeling van de abortuswet de vrouw als baas over haar eigen lichaam. Het idee dat de uitbreiding van het termijn tot een aanzuigeffect zou leiden is gebaseerd op de foutieve veronderstelling dat vrouwen ondoordacht omspringen met de keuze voor abortus. Geen enkele vrouw staat te springen om een abortus aan te vragen, en al zeker niet in een verder gevorderd stadium van een zwangerschap. Indien ze die keuze wel maakt, gaat ze daar niet licht over. Dezelfde argumenten gelden ten voordele van de verkorting van de wachtperiode. Deze wachttijden worden in de empirische literatuur sterk bekritiseerd omdat ze betuttelend zijn ten opzicht van de vrouw en een weinig effectieve drempel vormen in de toegang tot zwangerschapsafbreking. Zo blijkt bijvoorbeeld dat een derde van de vrouwen in Vlaanderen de wettelijke termijn voor abortus niet haalde door de verplichte wachtperiode van zes dagen. Bovendien toont empirisch onderzoek aan dat de overgrote meerderheid van vrouwen reeds een definitieve beslissing maakt omtrent hun zwangerschapsafbreking nog voor hun eerste afspraak bij een abortuscentrum, en dat na de behandeling er ook geen spijt van hebben. Voor die redenen identificeert zelfs de Wereldgezondheidsorganisatie de verplichte wachttermijn als een onnodige drempel tot veilige abortus en een schending van de rechten van de patiënt.

De uitbreiding van de abortustermijn naar 18 weken zal dus ten voordele komen van een kleine groep vrouwen in een uiterst kwetsbare positie. Met de huidige abortuswet zijn het immers opnieuw net de meest kwetsbare groep vrouwen die door de mazen van het net vallen. Bovendien maakt de wetswijziging komaf met de denigrerende aspecten van de wachtperiode en erkent het de vrouw als competente beslisser omtrent haar zwangerschap. Als we ons baseren op de wetenschappelijk bevindingen omtrent dit onderwerp en de vrouwen zelf aan het woord laten, kan ik niet anders dan te concluderen dat deze wetswijziging een stap in de goede richting is.