Drugssmokkel: doodstraf door ophanging
...

Drugssmokkel: doodstraf door ophangingDrugsgebruik: tot tien jaar cel en 11.800 euro boeteOverschrijding van de visumtermijn: stokslagenInvoeren van sigaretten: 295 euro boete per pakjeInvoeren van porno en erotiek: celstraffen en boetes tot 590 euroZo gaat het lijstje in mijn notitieboekje nog even door. Terwijl Singapore Airlines me naar een van de kleinste landen ter wereld brengt, herlees ik mijn ietwat aparte reisvoorbereiding om de stadstaat heelhuids binnen en hopelijk ook weer buiten te komen. 'Meneer. Meneer!' 'Eh... sorry. Ja?' 'Welke koffie had u gewenst?' Ik speur snel in het assortiment van zeven stijlen en merken, en bedenk dat de Singaporezen die met hun nationale luchtvaartmaatschappij vliegen meer keuze hebben uit koffiesoorten dan uit verkiesbare politieke partijen (één), kauwgommerken (nul) en auto's in de prijsklasse tot 50.000 euro (nul). Hebt u misschien Sportlife? Nee? Oppositie dan? Ook niet? Zwart met suiker dan maar. Menswetenschappers delen vrijheid op in drie dimensies: persoonlijke, politieke en economische vrijheid. Alle drie zouden ze positief correleren met ons 'subjectieve welbevinden', zoals geluk in wetenschapstermen heet. De Singaporese overheid kijkt daar anders tegen aan. In de Economic Freedom Index moet de stadstaat wereldwijd alleen Hongkong laten voorgaan. Maar die economische vrijheid compenseert Singapore ruimschoots met een pathologisch aandoende regeldrift voor alles wat niet onder het ondernemersleven valt. Zo is niet-medicinale kauwgom verboden, en kun je voor futiliteiten als spuwen en het toilet vergeten door te spoelen flinke boetes krijgen. Vandalisme wordt bestraft met stokslagen die littekens voor het leven laten, en naast Japan is Singapore het enige ontwikkelde land dat nog steeds de strop hanteert. 'Disneyland met de doodstraf', zo noemde auteur William Gibson in 1993 de stadstaat in het magazine Wired. Het blad werd meteen uit de rekken gehaald; persvrijheid bestaat hier niet. Reporters zonder Grenzen zet Singapore in zijn Press Freedom Index op plaats 149. Daarmee is het de rode lantaarn van alle ontwikkelde landen. Zijn ze gelukkig, de 5,3 miljoen inwoners van dit land met vrijheidsschizofrenie? Niet als je het aan Gallup vraagt. Het is 2013 en volgens het laatste Global Emotions Report van het peilingbureau ervaren ze van alle mensen op aarde het minst positieve emoties. En dat terwijl Singapore het op drie na hoogste bruto binnenlands product per capita ter wereld heeft. Geen enkel land telt proportioneel meer miljonairs. Al wil Shaun Tan, een 29-jarige bankier, dat laatste relativeren. 'Een huis of appartement kost haast een miljoen dollar. En ook een klein autootje vind je niet voor minder dan 70.000 euro. Wie een huis en een auto heeft, is dus al snel miljonair.' Het is vrijdagavond. In het Central Business District verlaten mensen in maatpakken hun wolkenkrabbers. Net zoals Shaun en zijn vrienden schuiven ze aan in restaurants langs de rivier. 'Ik werk in dit gebouw hier', wijst Ian de lucht in. 'Shaun in die toren, en Sherryl in die daar.' Zijn vinger gaat plichtmatig op en neer, alsof hij de juiste persoon linkt aan een cruciaal onderdeel van diens identiteit. Shaun beschrijft zich als de waakhond van de bank waarvoor hij werkt. Hij beveiligt de software en checkt de e-mails van het personeel op ongepast taalgebruik. Telkens wanneer iemand een 'fuck' stuurt naar een collega, verliest de werknemer punten en kan hij van het door Shaun geautomatiseerde systeem een waarschuwing krijgen. 'Ik zou liever als fotograaf werken, creatieve beroepen liggen me meer. Maar daarmee kun je hier niet overleven', zegt Shaun. 'Boven op de dure auto heb je, om die te mogen kopen, bovendien een in prijs fluctuerend overheidscertificaat nodig.' Wie in september een auto kocht, moest voor die toestemming minimaal 49.000 euro neertellen. 'Begrijp je nu waarom we zo hard werken?' Shaun lacht groen. 'Met zulke prijzen kun je niet anders dan meedraaien in het systeem. We hebben een leven lang leningen af te betalen.' Shaun is geen uitzondering. Slechts 2 procent van de Singaporezen doet zijn werk graag. Wereldwijd is het gemiddelde 11 procent. 'Alle goede jobs gaan naar westerse expats, en voor de laaggeschoolde banen worden spotgoedkope buitenlandse arbeiders hierheen gehaald. Wij Singaporezen vallen tussen wal en schip', klaagt Intah, ook een twintiger. 'Veel jongeren hebben het gevoel dat de overheid zich niets aantrekt van onze belangen. Voor haar telt alleen winst.' Ze vraagt om haar volledige naam niet te publiceren. Subversieve taal leidt wel eens tot monsterboetes of ontslag. Haar Indische tafelgenoot Rindo Rammankutty heeft daar minder last van. Ik mag alles wat hij zegt citeren, wat behoorlijk moedig is in Singapore. 'Uit principe', zegt hij. Rindo schrijft al jaren als vrijwilliger voor Wikipedia. 'In India kwamen we maandelijks samen om te discussiëren over hoe we dat zo feitelijk mogelijk konden doen. In Singapore was er één meeting in twee jaar tijd, kort voor de verkiezingen, en daarin werd vooral besproken wat er allemaal níét gepubliceerd mocht worden. Ze conformeerden zich helemaal aan de wensen van de regering.' Hoever dat conformisme gaat, wordt enkele maanden later duidelijk wanneer Gallup een nieuwe ranglijst de wereld in stuurt. Zelfde emoties, zelfde vragen, maar het emotionele welbevinden van de Singaporezen stijgt met maar liefst 24 punten, van 46 naar 70 procent. De Singaporezen katapulteren zichzelf zo plotsklaps naar de bovenste helft van de wereldranking. Gallup stelt dat die plotse stijging wellicht verklaard moet worden door 'de ongeziene aandacht die leiders en de media gaven aan de resultaten van vorig jaar', weliswaar zonder daarbij te vermelden hoezeer het de geloofwaardigheid van de eigen geluksranglijst ondergraaft. De collectieve verontwaardiging over de staartpositie was voldoende geweest om de gedisciplineerde, eergevoelige Singaporezen een jaar later veel positiever uit de hoek te laten komen. Niet omdat ze opeens gelukkiger of emotioneler waren geworden, maar omdat ze hun burgerplicht vervuld hadden door sociaal wenselijke antwoorden te geven. 'De Gallup-poll was een provocatieve ranking', zegt psychologieprofessor William Tov, die onderzoek doet naar subjectief welbevinden aan de Singapore Management University. 'Maar ook uit andere onderzoeken blijkt dat de Singaporezen minder gelukkig zijn dan inwoners van westerse landen met een vergelijkbaar welvaartsniveau. Net zoals andere kapitaalkrachtige landen uit de regio, trouwens.' Gelukspsychologen noemen dat de East-Asian happiness gap. Onder andere een repressieve opvoeding en onderwijs, competitiedrift, een negatieve houding ten opzichte van genot en een opgeblazen belangstelling voor uiterlijke schijn zouden resulteren in een lager subjectief welzijn. 'Westerse ouders willen hun kinderen zelfvertrouwen bijbrengen, Singaporese ouders niet. Wie te veel zelfvertrouwen heeft, gaat minder hard werken om zichzelf te verbeteren. Net zoals in China en Japan is zelfkritiek hier veel belangrijker. Na een rapport zegt een Singaporees niet: "Joepie, ik had 90 procent", maar: "Verdorie, ik had geen 100 procent."' Dat is funest voor hun zelfwaardering, en laat net dat essentieel zijn om keuzevrijheid op te eisen én daar ook geluk uit te puren, zegt Ruut Veenhoven, directeur van de World Database of Happiness en emeritus professor aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. 'We onderzochten waarom de Fransen hun leven beduidend lager evalueren dan Nederlanders en Scandinaviërs, terwijl ze even welvarend zijn. Het verschil zit in hun lagere zelfwaardering. Wie zichzelf lager inschat, kan minder goed keuzes maken die bij hem passen. Om je vrijheid te benutten, moet je weten wat je wilt en stevig in je schoenen staan.' Veenhoven wijt de Franse zelfkritiek aan historische factoren - in feodaal Frankrijk was de afstand tussen machthebbers en ondergeschikten groter dan in het meer individualistische en protestantse noorden - en aan het meer hiërarchisch georganiseerde onderwijssysteem. 'Bij horizontaal, op inspraak gericht onderwijs wordt je zelfwaardering minder geschaad en ben je later beter voorbereid om belangrijke beslissingen te nemen', zegt Veenhoven. 'Maar om dat vermogen om te kiezen te ontwikkelen, moet je natuurlijk wel eerst keuzemogelijkheden hebben.' Die hebben de Singaporezen vooralsnog niet. Hun vooruitgang werd autoritair geboetseerd, individuen worden verondersteld ten dienste van de natie in de pas te lopen. Nu zou je kunnen veronderstellen dat in zo'n zogenoemd collectivistische cultuur burgers zich daarnaar schikken en behoeften zoals zinvol werk invullen als 'werk dat de gemeenschap ten goede komt'. Maar dat is niet zo. Elke Singaporees die mijn pad kruist heeft zijn eigen individuele idee van het werk dat hem gelukkig zou maken. Maar dat werk is ofwel niet beschikbaar, want niet bruikbaar bevonden door het regime, ofwel onderbetaald, ofwel alleen voor buitenlanders toegankelijk. Die kunnen hier wél hun droombaan najagen, omdat de Singaporese economie behoefte heeft aan iets wat onder de eigen bevolking politiek onwenselijk is: creativiteit. Singapore verwerkt creativiteit zoals België garnalen. Het één kun je goedkoper in een derdewereldland laten pellen, het ander kweek je beter in het buitenland om het gareel in eigen land onaangetast te laten. Want kritische zin schijnt een lastig neveneffect van creativiteit te zijn. Vooral de jonge generatie, die materieel voldoende verzadigd is opgegroeid om wél naar zinvol werk, zelfexpressie en keuzevrijheid te hunkeren, ergert zich daaraan. Ze wijten hun eigen lage geluksniveau aan het ontberen van die postmateriële vrijheden die hun Europese leeftijdgenoten wel genieten. Maar er ook iets tegen ondernemen, dat is een paar bruggen te ver. Weinigen zitten te wachten op het lot dat oppositieleiders en andere weerbarstige figuren beschoren is. Dus jagen ze hun vrijheid na binnen de contouren die de overheid voor hen heeft uitgelijnd: de Singaporese droom, die vaak geduid wordt met de vijf c's: cash, car, credit card, condominium en country club. 'Omdat we de hele week werken tot we erbij neervallen, moeten in het weekend alle frustraties eruit. Dan letten we niet op de kleintjes', zegt Ian terwijl hij enkele flessen champagne ontkurkt. Ook rondom ons popt Moët & Chandon open als drinkbussen tijdens de Ronde van Frankrijk. Shaun en Ian zullen er die nacht duizenden dollars doorheen jagen. Ze weten dat het slechts zoethoudertjes zijn voor échte vrijheden. Maar gun de Singaporezen hun champagne en hun goedkope Filipijnse huispersoneel als statussymbolen en ze houden zich verder koest. Dan klagen ze niet al te veel over het btw-tarief van haast 200 procent dat ze op een nieuwe auto betalen, hier in hun belastingparadijs voor buitenlandse ondernemingen. Over de onmogelijkheid om zich een appartement te veroorloven in een land waar de overheid 82 procent van de onroerendgoedmarkt controleert. Ze laten zich paaien met shoppingcenters ter grootte van Maleisische dorpen, ingedeeld volgens de status die hun loonbriefjes hun toewijzen. Marmeren paleizen voor topbankiers, betonnen bijenraten voor gastarbeiders. Cartier heeft in elk geval goed begrepen dat de ene collectieve bijdrage aan het Singaporese economische wonder al wat meer egards verdient dan de andere. De alleen voor vips toegankelijke toiletten van luxeshoppingcenter ION Orchard vindt de Franse juwelier nog altijd te ordinair voor zijn clientèle. Daarom heeft Cartier een eigen toilet, met gouden decoratie in de muren en in de vloer verwerkt. Gouden toiletten zijn er niet in het gloednieuwe winkelcentrum dat ik in hartje Kigali binnenstap. Wel staan er soldaten met kalasjnikovs voor de deur en moet mijn rugzak door een scanner aan de ingang. Alles voor de veiligheid, dat hebben ze hier goed van Singapore afgekeken. President Paul Kagame wil van Rwanda het Singapore van Afrika maken. Dat idee leek me aanvankelijk zo absurd als een Afrika in Singapore, maar Kigali straalt discipline uit. Niemand doet onverwachte dingen. Ik zie geen mens telefoneren achter het stuur. De meeste mannen en vrouwen hebben kortgeschoren kopjes, alsof zelfs een afro of vlechtjes ongeoorloofde uitspattingen zijn. De straten zijn schoon - mede dankzij de strenge straffen die op het gebruik van plastic zakjes staan. Motortaxichauffeurs met identieke fluorescerende hesjes zoeven over rimpelloos asfalt. 'Wel even de verplichte helm opzetten.' Dit is het Rwanda waar westerse leiders en zakenlui botergeil van worden. Met westerse miljardensteun stuurt Kagame een economie aan die jaarlijks groeit met 5 procent. Natuurlijk is Rwanda daarmee nog geen land van melk en honing. 45 procent van Afrika's dichtstbevolkte natie leeft onder de armoedegrens. Bovendien is niet iedereen ervan overtuigd dat de economische groei die Kagame de wereld voorspiegelt wel strookt met de realiteit. Maar voor een land waar 24 jaar geleden alle honden afgemaakt moesten worden omdat ze zo gewend waren geraakt aan de smaak van mensenvlees, heeft Rwanda een indrukwekkend parcours afgelegd. Met gepaste trots laat Asilex Kiiza (24) zijn slaapkamer zien, waarin ik dit weekend logeer. Dubbel bed, kleerkast, MacBook opengeklapt op het bureau. Verder is al het huisbudget in de woonkamer geïnvesteerd: er staan een stel comfortabele zetels, een wandkast, koelkast en kleine tv. Maar het contrast met de rest van het huis is groot. Daar delen broers en zussen aftandse matrassen op de grond. De keuken beperkt zich tot een ijzeren pot met houtskool erin. Er is een toilet, maar om water te sparen gebruikt het gezin het gat in de grond achteraan. Asilex heeft als eerste in zijn familie een universitair diploma behaald. Twee jobs als informaticus combinerend is hij druk bezig zijn gezin de middenklasse in te trekken. Asilex straalt, hij zegt heel gelukkig te zijn. 'Het is altijd mijn levensdoel geweest om de mensen rondom mij gelukkig te maken, en ik ben ontzettend dankbaar dat ik dat nu al kan bereiken.' Dankzij Asilex staat er een koelkast in de woonkamer, ook al is die voorlopig leeg. Dankzij hem kan ook zijn jongere zus nu studeren. Dat hij daarvoor naast zijn voltijdse job in een militair ziekenhuis 's avonds en in het weekend ook nog voor een telefoniebedrijf moet werken, heeft hij er graag voor over. Wanneer ik hem vraag hoe belangrijk vrijheid voor hem is, fietst Asilex behendig om het onderwerp heen. Rwandezen vermijden angstvallig om over politiek te praten. Niemand neemt de woorden 'Hutu' of 'Tutsi' in de mond; Kagame gaat over de lippen als 'onze leider' of 'Zijne Excellentie'. Dat de angst voor die excellentie er goed in zit, is allesbehalve onterecht; te luidruchtige tegenstanders van het regime verdwijnen of worden geliquideerd. In de hoofden van de Rwandezen kijkt de president altijd en overal ongemerkt over je schouder mee. Kagame is de defibrillator van Rwanda, constant onderhuids kleine elektrische impulsen gevend om het ooit zo hevig bloedende hart in zijn juist cadans te laten kloppen. En af en toe verrast hij met een krachtige schok. Asilex zal zich daar niet aan verbranden. Maar zijn desinteresse voor politiek en vrije meningsuiting lijkt oprecht, en daarin staat hij niet alleen. Zelden hoor je Afrikanen bezuiden de Sahara om meer democratie roepen. Ze bekritiseren hun leiders als vooruitgang in hun dagelijkse leven uitblijft. Ze willen vrede, voedsel en werk. Dáárop wordt een president beoordeeld, niet op het aantal jaren dat hij in het pluche blijft. Volgens het World Happiness Report 2017 van de Verenigde Naties geloven de meeste Afrikanen in democratie. Twee derde van de Zuid-Afrikanen verkiest dat politieke systeem boven alle andere. Maar een bijna even grote groep zegt bereid te zijn om een niet-verkozen regering te aanvaarden als die zorgt voor betere diensten, orde en veiligheid. Nu al verkiest in verschillende autoritair bestuurde landen een opvallend groot deel van de bevolking één sterke leider boven gelimiteerde regeringstermijnen. De VN vreest dat die tendens de terugkeer van Afrikaanse dictaturen in de hand kan werken. Maar is dat wel zo erg? Nee, zegt Ruut Veenhoven. 'Democratie maakt gelukkig in welvarende landen met een hoogopgeleide bevolking. Maar er zijn ook samenlevingen die gelukkig zijn met een autocratisch regime, bijvoorbeeld wanneer dat de corruptie bestrijdt. De kwaliteit van de overheid is belangrijker dan de kwaliteit van de democratie.' Het panafrikaanse onderzoeksproject Afrobarometer vraagt aan mensen op het hele continent of ze in het afgelopen jaar zes basisbehoeften, zoals voedsel, water en elektriciteit, ontbeerden. De constante in de daaruit resulterende Lived Poverty Index is dat hoe meer een respondent tekortkomt, hoe ongelukkiger hij aangeeft te zijn. Even interessant is de formulering van het onderzoek: de Afrobarometer meet hoe vrij mensen zijn van die zorgen. De vraag is dus niet hoe belangrijk Rwandezen vrijheid vinden, maar wat ze eronder verstaan. Vrijheid gaat niet om kunnen zeggen wat je wilt; vrijheid, dat is vrij van armoede zijn. ' Gira inka', zegt een Rwandees wanneer hij iemand veel geluk toewenst: 'Ik wens je een koe.' Waarop de ander repliceert: ' Amashyo ngore' - of: 'Ik wens je een vrouwelijke koe.' Want wie een koe heeft, heeft keuzes. Hij kan melk drinken, vlees eten en leer looien. Dat Afrika op de gelukskaarten dieprood kleurt - in bijna alle Afrikaanse landen geeft de gemiddelde burger zijn geluk een score van minder dan vijf op tien - is eerder aan te weinig economische keuzes dan aan te weinig politieke vrijheid te wijten. 'Om democratie te doen werken, heb je eerst een solide middenklasse nodig', zegt de Amerikaanse psychologieprofessor Barry Schwartz. 'Zodra die er is, zullen de Rwandezen inspraak eisen. Net zoals de Singaporezen vroeg of laat de machtsstructuren zullen bestrijden die niet meer aan hun individualistische noden voldoen.' Dat de Rwandezen en Singaporezen tot het zover is te weinig keuzevrijheid hebben, is duidelijk. Maar hoeveel te weinig, valt onmogelijk te zeggen, benadrukt Schwartz. Hij wijst naar onderzoek aan de universiteit van Stanford: proefpersonen kregen een korte video te zien waarin iemand thuiskomt na het werk en zich opmaakt voor een luie avond. 'Wanneer de respondenten gevraagd werd hoeveel keuzes die persoon moest maken, antwoordden Amerikanen: 32. Indiërs zeiden: 4. Amerikanen zien overal keuzevrijheid, terwijl Zuid-Aziaten die haast nergens zien. Dezelfde objectieve maatstaven worden helemaal anders geïnterpreteerd. Men zegt dat mensen zo vrij moeten zijn om hun eigen levenskeuzes te maken, maar dat is een vage, abstracte claim. Het punt van optimale vrijheid is niet alleen cultuurgebonden, het is überhaupt onmogelijk aan te wijzen.' Wel duidelijk voor Schwartz is dat West-Europeanen en Amerikanen dat optimale punt ver voorbij zijn. In zijn boek The Paradox of Choice (2004) beargumenteert hij dat een overdosis keuzemogelijkheden mensen verlamt in plaats van hen te bevrijden. Wanneer we moeten kiezen uit vijftien soorten wasmiddelen, worden we daar niet gelukkiger van. Het slorpt tijd en energie op die we nodig hebben voor belangrijkere dingen. Dat is meteen waarom Mark Zuckerberg altijd hetzelfde T-shirt draagt. Hij vermijdt zo veel mogelijk triviale beslissingen. 'Met de digitale explosie is het nog veel erger geworden', antwoordt Schwartz op de vraag of zijn analyse veertien jaar later nog standhoudt. 'De overdaad aan keuzes is uitgebreid van consumptieproducten naar alle levensdomeinen. De nieuwe generatie heeft geen houvast meer.' Terwijl generatie Y het al lastig had met vijftien soorten wastabletten, wordt generatie Z op sociale media met de keuze geconfronteerd om dat wasbuiltje al dan niet in hun mond te laten oplossen - de zogenoemde ' Tide Pod Challenge'. Levensgevaarlijk, maar wat doe je anders, als alles kan en mag, als er geen grenzen aan de vrijheid meer zijn? 'Angst, depressie en zelfmoordneigingen worden steeds couranter onder Amerikaanse jongeren. De wereld is te ver voor hen opengegaan. Zelfs als ze goede keuzes maken, zijn ze ontevreden - omdat er altijd nog betere opties zijn. Er is altijd een betere job of levenspartner dan ze al hebben. En die is maar één swipe verwijderd. Dat is geen leven meer.' De ene mens is daar vatbaarder voor dan de andere, zegt Schwartz. Hij maakt een onderscheid tussen maximizers - mensen die altijd naar het allerbeste streven - en satisficers, die vrede nemen met wat goed genoeg is en zodoende meer talent hebben voor geluk. 'Ik ben zes jaar geleden naar New York gekomen om het te maken als danseres. Ik wilde met de wereldsterren op het podium staan en zou met niets minder dan dat tevreden zijn', zegt Desiree De Cahlo. Ze werkt op haar laptop in een snackbar in Greenpoint, een hippe buurt in Brooklyn. Haar IMDb-profiel bijschavend verbergt ze zich al uren achter het scherm en een lege beker koffie. 'Ik trainde drie jaar als een gek, ging naar talloze audities, probeerde het als actrice, maar de doorbraak wilde maar niet komen', zegt ze, licht gegeneerd. Een nadeel van onbeperkte keuzevrijheid is dat het helemaal je eigen schuld is als je die niet optimaal benut. 'Als roem, hopen geld en wereldtournees je doelen zijn, gaat je zelfvertrouwen afhangen van het waarmaken daarvan.' Ondertussen heeft ze haar prioriteiten bijgesteld en probeert ze zich uit zelfbehoud tot satisficer te bekeren. 'Ik werk als barvrouw in een theater en loop stage bij een radiostation. Dat is momenteel genoeg.' Ze twijfelt even. 'En ik heb een idee voor een tv-serie, maar alles op zijn tijd.' Andere grote keuzes, zoals een partner en kinderen, blijft ze als een voetbal voor zich uit schoppen. Eerst het werk, één levensknoop per keer. 'Aan keuzes zitten kosten verbonden. Als mensen blijven twijfelen of ze al dan niet kinderen willen, zal dat hun levensvreugde een beetje drukken. En als je daarvoor blijft wachten op de perfecte partner en het perfecte moment, is het op den duur te laat', zegt Ruut Veenhoven. Maar in het pessimisme van Schwartz - 'hoe belangrijker de keuze, hoe groter het probleem' - vindt hij zich niet. 'Ouders die dan toch in volle overtuiging voor kinderen kiezen, worden daar doorgaans gelukkig van. En de samenleving aanvaardt het ook als je kinderloos blijft. In onze meerkeuzemaatschappij zijn mensen nog altijd beter af. We weten inderdaad niet waar het optimum ligt, maar wel dat het verschuift. Want naast het aantal keuzes neemt ook ons vermogen om keuzes te maken toe.' Daar heb je volgens Veenhoven wel zekere psychische kenmerken voor nodig, zoals zelfinzicht, doorzettingsvermogen en zelfvertrouwen. En je mag niet al te veeleisend zijn. 'Dat is de schaduwzijde. Sommige mensen zouden beter af zijn met minder keuzes, maar praktisch krijg je dat niet georganiseerd', zegt Veenhoven. Nevenschade is er altijd. In Singapore en Rwanda wordt individuele keuzevrijheid geslachtofferd voor ontwikkeling. Bij ons zijn strevers en twijfelaars de verliezers van een vrije samenleving.