De week van 6 januari 2021 zal niet enkel de geschiedenis ingaan als de week waarin 4 jaar Trump-beleid culmineerde in een gewelddadige aanval op de Amerikaanse democratie. De daaropvolgende blokkering van een zittende president op platformen als Twitter en Facebook markeert immers ook een historisch keerpunt in de manier waarop we naar sociale media kijken. Het traditionele onderscheid tussen het 'louter' online leven en 'échte' offline leven staat al jaren onder spanning. Maar de gebeurtenissen van vorige week hebben voorgoed duidelijk gemaakt dat dit onderscheid een mythe is. Dit heeft belangrijke gevolgen, die we als samenleving dringend onder ogen moeten zien.

Sociale media als publieke sfeer

Vooreerst kunnen we niet langer negeren dat verschillende sociale media de facto deel zijn beginnen uitmaken van de publieke sfeer. Een ruimte waar burgers zich niet enkel informeren, maar waar ze hun identiteit uitbouwen, hun mening vormen, politieke debatten voeren en zich organiseren. Belangrijk is echter dat deze publieke sfeer niet enkel vorm krijgt door de inhoud die wij er collectief op plaatsen, maar dat ze ook ons vorm geeft. Op basis van de grote hoeveelheid gegevens die we prijsgeven als internetgebruikers, kunnen algoritmen worden ingezet om ons als consument maar ook als burger steeds nauwkeuriger te profileren - en te manipuleren.

Verbanning Donald Trump van Facebook en Twitter: er is geen verschil meer tussen online en offline.

Naast het creëren van filterbubbels, wordt hierbij ook de toerekenbaarheid van (politieke of commerciële) adverteerders uitgehold. Op sociale media geldt immers dat jij niet ziet wat ik zie, en vice versa. Boodschappen kunnen op massale schaal gepersonaliseerd worden en - anders dan voor de folder die we allebei in onze brievenbus krijgen - zullen we elkaar er niet op kunnen wijzen dat wat we voorgeschoteld krijgen misschien misinformatie, desinformatie of ander problematische inhoud betreft.

De publieke sfeer - die idealiter een gemeenschappelijke plaats behoort te zijn waar burgers rationeel met elkaar in gesprek kunnen gaan over zaken van algemeen belang - wordt dus opgebroken in hokjes. Mensen praten niet met elkaar maar naast elkaar, en worden versterkt in hun ideeën zonder kritisch tegengas te krijgen. Dat de manier waarop de publieke sfeer ons online vormgeeft zich kan vertalen naar fysieke daden, hoeft niet te verbazen. Ons handelen wordt immers gestuurd door ons denken, ongeacht of onze gedachten beïnvloed worden door offline of online interacties; voor ons brein maakt dit geen verschil.

Een publieke sfeer in handen van private actoren

Een tweede gevolg is dat de mismatch tussen de publieke functie van sociale media enerzijds, en de toepassing van private regels anderzijds, niet langer te ontkennen valt. Platformen als Twitter en Facebook zijn dan wel deel beginnen uitmaken van de publieke sfeer, maar ze zijn in handen van private ondernemingen. De regels die andere publieke plaatsen reguleren (Wie heeft toegang? Wat mag er gezegd worden? Hoeveel verkiezingsreclame kunnen politieke partijen maken?) zijn dan ook niet van toepassing. Dit betekent niet dat er geen regels zijn. Het betekent wel dat de regels gemaakt worden door private actoren, die - zoals alle ondernemingen - niet gestuurd worden door het publieke belang maar door hun winstoogmerk. De vraag is echter in hoeverre dit verantwoord is, gelet op de rol die deze platformen spelen in onze samenleving.

Een belangrijke kanttekening hierbij is dat het beïnvloedend vermogen van sociale media niet per se gebruikt hoeft te worden om de samenleving te polariseren. Het kan ook als instrument dienen om rationele debatten te voeren over zaken van algemeen belang, sociale cohesie te vergroten, maatschappelijke waarden te bevorderen en solidariteit aan te moedigen. Het al dan niet polariserend effect van sociale media is dus geen noodzakelijk gevolg van algoritmes, maar wordt bepaald door de menselijke ontwerpers en ontwikkelaars ervan - en zij die hen betalen. Dit maakt de vraag naar de huisregels van deze platformen dus nog meer prangend.

Zij die stellen dat de vrijheid van meningsuiting in deze context in het gedrang kan komen hebben gelijk. Dit recht is immers niet absoluut, en in zowat elke 'tolerante' samenleving zal er een spanningsveld zijn tussen die vrijheid enerzijds, en de mate waarin 'intolerante' meningen getolereerd worden anderzijds. De vraag is daarom niet of er afwegingen gemaakt moeten worden, maar wie hiervoor bevoegd zou moeten zijn. Dit is geen eenvoudige vraag, maar wel een die steeds dringender om een - democratisch gedebatteerd - antwoord vraagt.

Voorbij de algoritmen

Tot slot is het belangrijk te onderstrepen dat de problemen die vorige week zo pijnlijk werden blootgelegd in de VS - en die ook in Europa springlevend zijn - niet te reduceren zijn tot de invloed van sociale media of het samenvallen van het online en offline leven. Laten we duidelijk zijn: de polarisering van de samenleving is geen gevolg van één president of van één welbepaald algoritme. Het is ook geen gevolg van zogenaamde naïeve sociale mediagebruikers die een makkelijk doelwit zijn voor psychografische micro-targeting.

Het feit dat bepaalde gebruikers in een - al dan niet onwenselijke - richting gestuurd kunnen worden, betekent immers dat er onderliggende factoren zijn in die samenleving die hen daartoe openstellen. Het aan banden leggen van polariserende algoritmes stelt ons misschien instaat om (eventueel cruciale) prikkels te ondermijnen die mensen steeds verder een bepaalde richting stuwen, maar het onderliggend probleem is hiermee niet van de baan. En nationale, Europese of zelfs globale regulering van online platformen zal geen enkel soelaas kunnen bieden als we dat niet inzien.

Erkennen dat het onderscheid tussen de online en offline wereld een mythe is, mag er daarom niet toe leiden dat we enkel focussen op wat er online gebeurt. Democratie is fragiel, en online infrastructuren kunnen inderdaad gebruikt worden om deze fragiliteit te vergroten, maar dit is slechts een deel van het probleem. Het is daarom cruciaal om ook de mentale infrastructuur van onze maatschappij te beschermen. Dit vereist dat we waarden als solidariteit, integriteit en menselijke waardigheid consistent bevorderen, en dat we, individueel en als samenleving, opkomen tegen gedrag dat die waarden ondermijnt - zowel offline als online.

Nathalie Smuha is Onderzoekster Recht, Ethiek en Technologie aan de KU Leuven.

De week van 6 januari 2021 zal niet enkel de geschiedenis ingaan als de week waarin 4 jaar Trump-beleid culmineerde in een gewelddadige aanval op de Amerikaanse democratie. De daaropvolgende blokkering van een zittende president op platformen als Twitter en Facebook markeert immers ook een historisch keerpunt in de manier waarop we naar sociale media kijken. Het traditionele onderscheid tussen het 'louter' online leven en 'échte' offline leven staat al jaren onder spanning. Maar de gebeurtenissen van vorige week hebben voorgoed duidelijk gemaakt dat dit onderscheid een mythe is. Dit heeft belangrijke gevolgen, die we als samenleving dringend onder ogen moeten zien. Vooreerst kunnen we niet langer negeren dat verschillende sociale media de facto deel zijn beginnen uitmaken van de publieke sfeer. Een ruimte waar burgers zich niet enkel informeren, maar waar ze hun identiteit uitbouwen, hun mening vormen, politieke debatten voeren en zich organiseren. Belangrijk is echter dat deze publieke sfeer niet enkel vorm krijgt door de inhoud die wij er collectief op plaatsen, maar dat ze ook ons vorm geeft. Op basis van de grote hoeveelheid gegevens die we prijsgeven als internetgebruikers, kunnen algoritmen worden ingezet om ons als consument maar ook als burger steeds nauwkeuriger te profileren - en te manipuleren. Naast het creëren van filterbubbels, wordt hierbij ook de toerekenbaarheid van (politieke of commerciële) adverteerders uitgehold. Op sociale media geldt immers dat jij niet ziet wat ik zie, en vice versa. Boodschappen kunnen op massale schaal gepersonaliseerd worden en - anders dan voor de folder die we allebei in onze brievenbus krijgen - zullen we elkaar er niet op kunnen wijzen dat wat we voorgeschoteld krijgen misschien misinformatie, desinformatie of ander problematische inhoud betreft. De publieke sfeer - die idealiter een gemeenschappelijke plaats behoort te zijn waar burgers rationeel met elkaar in gesprek kunnen gaan over zaken van algemeen belang - wordt dus opgebroken in hokjes. Mensen praten niet met elkaar maar naast elkaar, en worden versterkt in hun ideeën zonder kritisch tegengas te krijgen. Dat de manier waarop de publieke sfeer ons online vormgeeft zich kan vertalen naar fysieke daden, hoeft niet te verbazen. Ons handelen wordt immers gestuurd door ons denken, ongeacht of onze gedachten beïnvloed worden door offline of online interacties; voor ons brein maakt dit geen verschil.Een tweede gevolg is dat de mismatch tussen de publieke functie van sociale media enerzijds, en de toepassing van private regels anderzijds, niet langer te ontkennen valt. Platformen als Twitter en Facebook zijn dan wel deel beginnen uitmaken van de publieke sfeer, maar ze zijn in handen van private ondernemingen. De regels die andere publieke plaatsen reguleren (Wie heeft toegang? Wat mag er gezegd worden? Hoeveel verkiezingsreclame kunnen politieke partijen maken?) zijn dan ook niet van toepassing. Dit betekent niet dat er geen regels zijn. Het betekent wel dat de regels gemaakt worden door private actoren, die - zoals alle ondernemingen - niet gestuurd worden door het publieke belang maar door hun winstoogmerk. De vraag is echter in hoeverre dit verantwoord is, gelet op de rol die deze platformen spelen in onze samenleving. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat het beïnvloedend vermogen van sociale media niet per se gebruikt hoeft te worden om de samenleving te polariseren. Het kan ook als instrument dienen om rationele debatten te voeren over zaken van algemeen belang, sociale cohesie te vergroten, maatschappelijke waarden te bevorderen en solidariteit aan te moedigen. Het al dan niet polariserend effect van sociale media is dus geen noodzakelijk gevolg van algoritmes, maar wordt bepaald door de menselijke ontwerpers en ontwikkelaars ervan - en zij die hen betalen. Dit maakt de vraag naar de huisregels van deze platformen dus nog meer prangend. Zij die stellen dat de vrijheid van meningsuiting in deze context in het gedrang kan komen hebben gelijk. Dit recht is immers niet absoluut, en in zowat elke 'tolerante' samenleving zal er een spanningsveld zijn tussen die vrijheid enerzijds, en de mate waarin 'intolerante' meningen getolereerd worden anderzijds. De vraag is daarom niet of er afwegingen gemaakt moeten worden, maar wie hiervoor bevoegd zou moeten zijn. Dit is geen eenvoudige vraag, maar wel een die steeds dringender om een - democratisch gedebatteerd - antwoord vraagt.Tot slot is het belangrijk te onderstrepen dat de problemen die vorige week zo pijnlijk werden blootgelegd in de VS - en die ook in Europa springlevend zijn - niet te reduceren zijn tot de invloed van sociale media of het samenvallen van het online en offline leven. Laten we duidelijk zijn: de polarisering van de samenleving is geen gevolg van één president of van één welbepaald algoritme. Het is ook geen gevolg van zogenaamde naïeve sociale mediagebruikers die een makkelijk doelwit zijn voor psychografische micro-targeting. Het feit dat bepaalde gebruikers in een - al dan niet onwenselijke - richting gestuurd kunnen worden, betekent immers dat er onderliggende factoren zijn in die samenleving die hen daartoe openstellen. Het aan banden leggen van polariserende algoritmes stelt ons misschien instaat om (eventueel cruciale) prikkels te ondermijnen die mensen steeds verder een bepaalde richting stuwen, maar het onderliggend probleem is hiermee niet van de baan. En nationale, Europese of zelfs globale regulering van online platformen zal geen enkel soelaas kunnen bieden als we dat niet inzien. Erkennen dat het onderscheid tussen de online en offline wereld een mythe is, mag er daarom niet toe leiden dat we enkel focussen op wat er online gebeurt. Democratie is fragiel, en online infrastructuren kunnen inderdaad gebruikt worden om deze fragiliteit te vergroten, maar dit is slechts een deel van het probleem. Het is daarom cruciaal om ook de mentale infrastructuur van onze maatschappij te beschermen. Dit vereist dat we waarden als solidariteit, integriteit en menselijke waardigheid consistent bevorderen, en dat we, individueel en als samenleving, opkomen tegen gedrag dat die waarden ondermijnt - zowel offline als online. Nathalie Smuha is Onderzoekster Recht, Ethiek en Technologie aan de KU Leuven.