Grondwetspecialisten Paul Van Orshoven (Leuven, van CD&V-signatuur) en Johan Vande Lanotte (Gent, gewezen SP.A-minister) werden enige tijd geleden aangesproken door André Oosterlinck, de voorzitter van de Leuvense Universitaire Associatie, en Piet Vanthemsche, ex-voorzitter van de Boerenbond, om een nota op te stellen over welke aanpassingen in de gezondheidszorg mogelijk waren in het kader van de huidige regeringsvorming. Er is immers maar een beperkt aantal grondwetsartikels voor herziening vatbaar verklaard. De nota is doorgespeeld aan de N-VA en de CD&V.
...

Grondwetspecialisten Paul Van Orshoven (Leuven, van CD&V-signatuur) en Johan Vande Lanotte (Gent, gewezen SP.A-minister) werden enige tijd geleden aangesproken door André Oosterlinck, de voorzitter van de Leuvense Universitaire Associatie, en Piet Vanthemsche, ex-voorzitter van de Boerenbond, om een nota op te stellen over welke aanpassingen in de gezondheidszorg mogelijk waren in het kader van de huidige regeringsvorming. Er is immers maar een beperkt aantal grondwetsartikels voor herziening vatbaar verklaard. De nota is doorgespeeld aan de N-VA en de CD&V. 'Defederalisering van de gezondheidszorg. Een leidraad met sleutels' telt zes pagina's en is een puur technische nota: Van Orshoven en Vande Lanotte leggen uit wat juridisch kán. Een andere vraag is wat 'moet' of 'wenselijk is': dat is een politieke vraag en een zaak voor de partijen die een federale regering proberen te vormen.De basisbevinding van de nota verrast: het is juridisch relatief eenvoudig om de gezondheidszorg te splitsen. Daarvoor hoeft de grondwet namelijk niet aangepast te worden. Er is alleen een verandering nodig van de 'Bijzondere wet tot hervorming van de instellingen' van 8 augustus 1980. Die wet stond centraal in de zogenaamde tweede staatshervorming, doorgevoerd door de regering-Martens III.Die staatshervorming zorgde voor een verdieping en uitbreiding van de eerste staatshervorming van Gaston Eyskens (CVP) in 1970, toen de cultuurgemeenschappen en gewesten het levenslicht zagen. Die cultuurgemeenschappen werden toen gemeenschappen tout court, ook bevoegd voor 'persoonsgebonden materies'. In de Bijzondere Wet van 1980 staan die opgesomd, met als belangrijk onderdeel, toen al de gezondheidszorg. Gezondheidszorg is dus al sinds 1980 een zaak van de gemeenschappen... Dat dit in de praktijk goeddeels nationale, later federale materie is gebleven, komt doordat de bijzondere wet een lange lijst bevat van allerlei 'uitzonderingen' in de gezondheidszorg die toch federale materie blijven - in de praktijk was dat ongeveer de hele gezondheidszorg. Het gaat om de financiering van het stelsel, het (universitaire) ziekenhuisbeleid, de organisatie van de eerstelijn, de erkenningsvoorwaarden voor zorgverstrekkers, de contingentering van de artsen, de financiering, et cetera. Het belangrijkste stuk gezondheidszorg dat vanaf 1980 daadwerkelijk gedefederaliseerd werd, de was de kern van wat vandaag nog altijd 'Welzijn' heet: een deel van de ouderenzorg, de jeugdbescherming,...De nota Van Orshoven-Vande Lanotte beschrijft dat in deze bepalingen, indien gewenst, schoon schip gehouden kan worden. De meeste uitzonderingen die nog altijd in die Bijzondere Wet staan, kunnen immers gewoon geschrapt worden, en de mate waarin dat gebeurt, bepaalt hoever de gezondheidszorg wordt gedefederaliseerd. Om het eenvoudig te stellen : als alle uitzonderingen geschrapt worden, dan is de gezondheidszorg gedefederaliseerd. Dat is helemaal geen moeilijke operatie - 'een masterstudent in de rechten kan die procedure als eindwerk op papier zetten', heet het. Of het ook moet en zal, is geen zaak van de auteurs van de nota, maar een politieke optie die de onderhandelaars moeten lichten. Maar zij wijzen wel uit wat kan.Het is een truc die in vroegere staatshervormingen meer dan eens is toegepast. Al in de eerste staatshervorming van 1970 was bijvoorbeeld onderwijs toegewezen aan de cultuurgemeenschappen. Ook toen stond in de grondwet een lange lijst uitzonderingen, waardoor het onderwijs op een paar kleine beleidsdomeinen na (zoals de studiebeurzen) nog bijna twintig jaar lang in de feiten nationale materie bleef. Zowat de hele jaren tachtig was Daniël Coens (de vader van CD&V-voorzitter Joachim) minister van Onderwijs en wel in de opeenvolgende nationale regeringen-Martens V, VI en VII (1981-1988). Het deed de bekende Volksunie-senator (en jurist) Frans Baert zuchten: 'Het onderwijs is gefederaliseerd, met uitzondering van het onderwijs' - wat vandaag 'defederaliseren' heet, heette toen 'federaliseren'. Pas met de derde staatshervorming van 1988 konden de meeste uitzonderingen geschrapt worden en kwam de bijna-volledige bevoegdheid voor onderwijs toe aan de gemeenschappen. Zo'n operatie zou dus nu ook, en zelfs op relatief eenvoudiger manier, kunnen worden uitgevoerd voor gezondheidszorg. Want deze uitzonderingen staan dus niet in de grondwet, maar in een bijzondere wet, en om die laatste te wijzigen heeft men geen grondwetsherziening nodig. Die auteurs stellen in hun nota ook vast dat zonder een wijziging van de grondwet enkel een zogenaamde communautarisering (overhevelen van gezondheidszorg naar de gemeenschappen) mogelijk is, en geen regionalisering (naar de gewesten). Alleen komt zo het probleem van het Gewest Brussel op tafel. De Bijzondere Brusselwet van 12 januari 1989 heeft het hoofdstedelijke gewest al bevoegd gemaakt voor een beperkt aantal gemeenschapsmateries, en dat via zijn Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Die is inzake persoonsgebonden aangelegenheden bevoegd voor de individuele burgers en de zogenaamde bicommunautaire instellingen. Vandaag zijn dat bijvoorbeeld Iriscare, de instelling die zorgt voor de sociale bescherming, of het publieke kinderbijslagfonds Famiris.Maar België zou België niet zijn en Brussel niet Brussel indien daarnaast een aantal persoonsgebonden aangelegenheden toch niet nog een zaak bleven - en voorlopig zullen blijven - van de Vlaamse en Franstalige gemeenschappen: de zogenaamde unicommunautaire instellingen. Het gaat in de gezondheidszorg om het Universitair Ziekenhuis Brussel te Jette, de Cliniques universitaires Saint-Luc en het hôpital Erasme.Ook de Duitstalige Gemeenschap zou op die manier een eigen gezondheidszorg kunnen opbouwen. De vraag hier is of de schaal - negen gemeenten, tachtigduizend inwoners - voldoende groot is om en eigen kwaliteitsvolle gezondheidszorg te kunnen schragen. De auteurs wijzen op de mogelijkheid dat de Duitstalige Gemeenschap samenwerkingsakkoorden kan afsluiten met de Franse Gemeenschap. Via gerichte subsidiëring en financiering zouden de Duitstaligen dan toch eigen klemtonen kunnen leggen.De keuze om gezondheidszorg aan de gemeenschappen en niet aan de gewesten toe te vertrouwen, heeft ook een belangrijke financiële consequenties. Indien het gewestelijke materie zou worden, zou ook de financiering als zodanig gesplitst kunnen worden en overgelaten aan de fiscale draagkracht van het betrokken gewest. Indien ze een gemeenschapsbevoegdheid wordt, blijft de financiering in essentie 'federaal'. De splitsing van de 'Belgische' financiering voor de gezondheidszorg is voor de Franstalige partijen trouwens een no-go. Maar indien gekozen wordt om de gezondheidszorg te defederaliseren via de lijnen die Van Orshoven en Vande Lanotte als technisch het meest haalbaar voorstellen, hoeft dat netelige politieke debat dus niet eens gevoerd te worden: de federale financiering en dus de Belgische solidariteit blijft automatisch behouden.In de nota wijzen de auteurs er ook op dat ook in de toekomst, bijvoorbeeld in geval van crisissen (indien de nood aan een eengemaakt commando opnieuw zeer groot zou zijn) altijd een tijdelijke herfederalisering mogelijk is - die moet dan met gewone of buitengewone meerderheid gestemd worden, als de politieke beslissers dat willen natuurlijk Hoe dan ook blijft het niet eenvoudig om een aanpassing van een Bijzondere Wet door de Kamer te krijgen. In tegenstelling tot een aanpassing van de Grondwet, hoeven de artikelen van de Bijzondere Wetten niet door de uittredende Kamers 'in herziening' gesteld worden. Maar verder is een quorum nodig (de meerderheid van Kamerleden van beide taalgroepen moet aanwezig zijn), en moet er vervolgens een tweederdemeerderheid gehaald worden, met een meerderheid in elke taalgroep. De drie partijen die momenteel de kern vormen van de regeringsonderhandelingen - N-VA en PS, plus SP.A - beschikken samen ('onafhankelijke' Jean-Marie Dedecker meegerekend) over 53 zetels. Met de 17 christendemocraten van CD&V en CDH erbij, stijgt dat naar 70 zetels. De liberalen kunnen nog eens 12 Open VLD- en 14 MR-zetels aanleveren. Dat zijn dan 96 zetels. Het Brusselse Défi (ex-FDF, 2 zetels) en de ene stem van de onafhankelijke Brusselaar Emir Kir (ex-PS) kunnen ineens belangrijk zijn - ook premier Jean-Luc Dehaene (CVP) kon in 1993-1994 zijn Sint-Michielskakkoord pas in volle gemoedsrust door de Kamer loodsen toen hij zich verzekerd wist van de steun van de drie Kamerleden van Rossem. Maar met al die stemmen erbij, strandt men nog altijd op 99 stemmen op 150, één te kort voor een tweederdemeerderheid. Althans indien de Kamer voltallig op het appèl verschijnt, en indien er geen onthoudingen zouden zijn. Hoe zullen bijvoorbeeld de Brusselaars stemmen? Want het concrete stemgedrag maakt natuurlijk een gigantisch verschil.Vandaar dat het uiterst belangrijk is wat de 21 groenen van Ecolo en Groen zullen doen. De groenen hebben een traditie van zich coöperatief op te stellen, maar een splitsing van de gezondheidszorg lijkt haaks te staan op hun wens naar meer samenwerking. Misschien helpt het argument dat de coronacrisis duidelijk heeft gemaakt dat de gezondheidszorg te versplinterd is, en dat de bevoegdheden dringend meer gebundeld moeten worden. Zullen de 19 VB'ers ('onafhankelijke' Dries Van Langenhove meegerekend) de door de Vlaamse Beweging zo lang geëiste splitsing van de gezondheidszorg ten koste van alles willen verhinderen? De 12-koppige PVDA-PTB-fractie pleit dan weer resoluut voor een omgekeerde beweging: een herfederalisering. Van de gezondheidszorg een zaak van de gemeenschappen maken is technisch niet onhaalbaar, zo leert de nota van Van Orshoven en Vande Lanotte. Of het ook politiek haalbaar is, zal nog moeten blijken.Terzijde: de nota van Van Orshoven en Vande Lanotte behandelt alleen de defederalisering van de gezondheidszorg. In de omgeving van de onderhandelaars valt te horen dat de techniek voor de defederalisering van de gezondheidszorg ook bruikbaar is voor de splitsing van justitie. In de 'Bijzondere Wet ter hervorming van de instellingen' moet men, bijvoorbeeld na de paragrafen over 'gezondheidszorg', woordelijk 'justitie' of onderdelen daarvan - beslechting van rechtsgeschillen, beleid van de penitentiaire instellingen.... - inschrijven als een van de 'persoonsgebonden materies': dan gaat (dat stuk van) justitie naar de gemeenschappen. Ook die operatie zou dan kunnen zonder aanpassing van de grondwet. In het federale België zou het gerecht dan kunnen werken zoals in de Europese Unie: de lidstatelijke rechtbanken handhaven ook het unierecht. Met dien verstande dat er een techniek moet komen om uniformiteit in de rechtspraak te verzekeren over het gemeenschappelijke recht. Zo kunnen Duitse of Franse rechters aan het Europese Hof prejudiciële vragen stellen, opdat de rechtspraak zich in alle lidstaten min of meer uniform zou voltrekken. Die rol zou in België toegewezen kunnen worden aan het Hof van Cassatie.Andere stemmen denken evenwel dat een splitsing van justitie desondanks veel moeilijker te regelen zal zijn - de organisatie van de hoven van beroep (één per gerechtelijk arrondissement, dus één per provincie en één voor het Hoofdstedelijk Gewest Brussel), zou niet zomaar toe te wijzen zijn aan de gemeenschappen, en zou beter als gewestmaterie behandeld worden. Belangrijke delen van justitie zouden naar de gewesten (en dus niet naar de gemeenschappen) kunnen overgeheveld worden - via een grondwetswijziging of een bijzondere meerderheid. De finesses van dat debat zijn voorlopig nog voer voor grondwetspecialisten. Maar ook politiek zou het sneller dan verwacht op tafel kunnen liggen.