...

Aanvankelijk had ze nee gezegd. Meewerken aan een documentaire over de collaboratie? Gemaakt door journalisten van de VRT nog wel? Ledy Broeckx zag dat hoegenaamd niet zitten. 'Ik heb een aversie tegen journalisten', zegt ze. 'En zeker tegen journalisten van de VRT. Het was dus nee. Geen sprake van.' Om Broeckx alsnog tot een getuigenis te overhalen, was dus een aardige inspanning nodig. 'Uiteindelijk ben ik overtuigd door een medewerkster van de VRT. Ze vroeg me waarom de kijkers mijn ideeën over deze kwestie niet mochten kennen. Ik heb haar gezegd dat ik daar op zich zeker geen probleem mee heb. Waarom zou ik ook? Ik heb mijn mening nooit weggestoken. Mijn probleem is dat journalisten altijd de neiging hebben om je woorden te verdraaien. Uiteindelijk hebben ze me beloofd dat ik de reeks vooraf mocht bekijken. Aan die belofte hebben ze zich gehouden, en ik moet zeggen: ze hebben dat goed gedaan. Het is een objectieve reeks. Wat ik voor de camera zeg, heb ik ook echt zo gezegd. Ik weet dat sommige mensen daar aanstoot aan zullen nemen, maar daar trek ik me niks van aan. Dat heb ik nooit gedaan. Ik heb geen reden om weg te kruipen.' Dat Ledy Broeckx er - eufemistisch gezegd - nogal geprononceerde meningen op na houdt, komt allicht niet als een grote verrassing voor wie een beetje thuis is in het radicale Vlaams-nationalistische milieu. Decennialang was Ledy Broeckx verbondsleidster van het Vlaams Nationaal Jeugdverbond (VNJ). Begin deze eeuw stond ze mee aan de wieg van de IJzerwake, een afscheuring van het volgens sommigen te veel naar links opgeschoven IJzerbedevaartcomité. Daarnaast was ze ook nog eens jarenlang actief als politica voor het Vlaams Blok/Vlaams Belang. Naar de bron van dat grote engagement moet je niet ver zoeken. 'Het zit in de familie', zegt ze zelf. 'Allemaal zwarten. Of toch bijna.' Ledy Broeckx is de dochter van Albert Broeckx. Tijdens de oorlog was hij lid geweest van de Vlaamse Wacht, een militie die de Vlaamse fabrieken moest bewaken en al snel uitgroeide tot een lokale hulpafdeling van de Duitse Wehrmacht. Liefst vier van zijn broers vochten aan het oostfront, een van hen liet het leven op het slagveld van Krasny Bor, bij Leningrad. 'Na de oorlog heeft mijn vader vijf jaar vastgezeten', vertelt ze. 'Hij zat in Beverlo, samen met zijn drie broers. Over die periode vertelden ze vaak en graag. Ik herinner me een kerstfeest bij ons thuis, ik moet een jaar of negen zijn geweest. Na het eten gingen alle kinderen buiten spelen, behalve ik. Ik wist dat, samen met de flessen schnaps en Elixir d'Anvers, de verhalen zouden komen. Prachtige, intrigerende verhalen over de oorlog, het front en hun tijd in den bak. Als ze daarover vertelden, leek het wel alsof ze naar de kermis waren geweest. (na een stilte) In mijn ogen waren ze helden. En eigenlijk zijn ze dat voor mij ook gebleven.' Een niet onbelangrijk detail uit de familiegeschiedenis bleef tijdens die bijeenkomsten onbesproken. Vader Broeckx had ook een broer die niet collaboreerde. Zijn dochter was naar eigen zeggen al elf toen ze iets over zijn bestaan vernam. 'Dat was op de gouden bruiloft van mijn grootouders. Ik was met de andere kinderen aan het spelen toen een van hen zei: "Kijk, daar is uwe nonkel Jan." Toen ik mijn vader om uitleg vroeg, zei hij dat er geen oom Jan bestond. Terwijl het in werkelijkheid zijn oudste broer was. Achteraf ben ik dan te weten gekomen dat oom Jan actief heeft meegewerkt aan de repressie. Straffer nog: hij heeft - gewapend - meegeholpen bij de arrestatie van zijn eigen zus, die bij de Dietsche Meisjesscharen was aangesloten. Die breuk is niet meer gelijmd. Maar weet je wat het strafste is? Vele jaren later kwam ik op een congres van het Vlaams Blok drie dames tegen. Ze vroegen me of ik ook een Broeckx was. Bleek dat het drie dochters waren van onze witte oom Jan. Ze hadden een Vlaams Blok-afdeling opgericht in Maaseik en Dilsen. (lacht) Is dat niet geweldig?' Voor Broeckx is het helder. Haar vader collaboreerde, net als zijn broers, uit idealisme. 'Ze waren Vlaamsgezind. En heel sterk anti België. Daar kwam nog bij dat ze naar het college van de Kruisheren in Maaseik gingen. De paters riepen daar op om te gaan strijden tegen het goddeloze communisme. Het was, zoals dat toen werd gezegd, "Moskou of Rome".' En de Führer in Duitsland? Die had er volgens Ledy Broeckx niet zo veel mee te maken. 'Mijn familieden hebben gecollaboreerd omdat ze geloofden dat het iets zou opleveren voor Vlaanderen. Ik zou in hun plaats net hetzelfde hebben gedaan. Het zou me geen barst kunnen schelen of ik daarvoor een pact met Duitsland of voor mijn part zelfs de duivel zou moeten sluiten. Wat telt is de Vlaamse onafhankelijkheid. Zo was het ook bij mijn vader. Hij was héél Vlaamsgezind, maar absoluut niet Duitsgezind. Dat weet ik zeker. Ooit - ik was een jaar of zestien, nog wild en onbezonnen - heb ik in De Beest (bijnaam van het Vlaams-nationalistische café De Leeuw van Vlaanderen in Antwerpen, nvdr.) een speldje gekocht met een zilveren hakenkruis erop. Toen mijn vader dat ontdekte, heeft hij me op een donderpreek getrakteerd. "Wat is dat?" vroeg hij. Mijn vader, die ik voor de rest altijd als een zachte man heb gekend, was buiten zinnen. "Gij verloochent uw volk. Wij zijn Vlamingen, géén Duitsers." Nu, ik ga niet beweren dat er geen Duitsgezinde collaborateurs waren. Die waren er wel, maar het waren uitzonderingen. In het Sint-Maartensfonds zat er zo'n man, hij is intussen al in de negentig. Ik ben eens bij hem thuis geweest. Als je naar zijn salons gaat, moet je voorbij een gigantische foto van Hitler. Het is te zeggen: je mag er pas voorbij als je even stopt om hem te groeten. (strekt de rechterarm) Hij vertelde me dat hij vroeger vaak bezoek kreeg van de rijkswacht. En dat hij ook aan die rijkswachters vroeg om eerst die foto te groeten. "En dat deden ze", zei hij.' Uit de Canvas-reeks blijkt dat nogal wat kinderen van de collaboratie onder het oorlogsverleden van hun vader en/of moeder hebben geleden. In sommige gevallen leidde het tot armoede of uitsluiting, een aantal getuigen kampen vandaag nog altijd met gevoelens van schaamte. Ledy Broeckx vertelt dat het leed in haar geval eerder beperkt bleef. 'Toen vader vastzat, kreeg mijn moeder een baantje bij de grote baas van de Nationale Bank in Antwerpen. Ze moest er zorgen voor de kinderen. Dat was een familie van echte franskiljons, die wist dat ons vader een zwarte was. Toch hebben ze heel goed voor ons gezorgd. Zo heb ik van hen mijn eerste badpak gekregen. Natuurlijk ben ik ook weleens scheef bekeken. Ik ben naar school gegaan in Sint-Agnes in Borgerhout, bij de Ursulinen. Op een dag kwam ma mère de klas binnen met een pak omslagen. Iedereen werd naar voren geroepen en kreeg zo'n omslag. Behalve ik. Toen ik vroeg waarom, zei ze: 'Voor u is er geen bij, want uw vader is een zwarte.' Achteraf vroegen de kinderen aan mij of mijn vader misschien"ne neger" was. Ik ben toen blètend naar huis gegaan. 's Avonds heeft mijn vader me dan verteld over de witten en de zwarten. De volgende dag ben ik zo fier als een gieter weer naar school gegaan.'Die trots is nooit verdwenen. 'Mijn vader was een goed mens. Te goed voor deze wereld, eigenlijk. Bij de Vlaamse Wacht heeft hij nooit een schot gelost. "Je schiet geen mensen dood", vond hij. Hijzelf is tijdens de oorlog trouwens wél beschoten. Door een witte. Hij wist ook wie de dader was, maar heeft het nooit aan mij willen vertellen, hoe graag ik het ook had geweten. "Het is voorbij", zei hij dan. "Laat het rusten."' Ook op Jodenhaat heeft Broecks haar vader naar eigen zeggen nooit kunnen betrappen. Volgens haar werd er bij haar thuis zelfs nooit over Joden gesproken, laat staan over de Holocaust. 'De gewone soldaten wisten daar niets van', stelt ze. Het brengt ons bij een ander heikel onderwerp: het negationisme. Ledy Broeckx zegt dat ze de publicaties van het Vrij Historisch Onderzoek, een revisionistisch project dat gestart werd door negationist Siegfried Verbeke, gelezen heeft. Ook las ze Stierven er werkelijk zes miljoen?, een klassieker in het genre. Aan een antwoord op de in dat boek gestelde vraag wil ze zich niet wagen. 'Maar ik durf wel te zeggen dat ik een probleem heb met de negationismewet. Sinds die wet mag ik zelfs niet zeggen dat ik eraan twijfel. Dat begrijp ik niet.' Ledy Broeckx las de afgelopen jaren zowat alles wat ze over de Tweede Wereldoorlog te pakken kon krijgen. Niet zelden leidde dat tot ergernis. Zo is er het werk van Bruno De Wever, een prominente geschiedschrijver van de Vlaamse beweging die ze maar al te goed kent. 'Ik heb leiding gegeven aan zowel Bruno als zijn broer Bart. Hun vader Rik is secretaris geweest bij het VNJ. De familie De Wever woonde ook boven de VNJ-vergaderzaal, op de tweede verdieping. Met Bruno hebben we ook eens een héél zware aanvaring gehad. Dat ging over zijn eerste boek ('Oostfronters. Vlamingen in het Vlaams Legioen en de Waffen SS' uit 1984, nvdr.). De oostfrontstrijders van het Sint-Maartensfonds, die elke eerste vrijdagavond van de maand in de VNJ-lokalen kwamen vergaderen, hadden vastgesteld dat dat boek vol leugens en onwaarheden stond, en hebben Bruno uitgenodigd om over dat boek te komen vertellen. Hij is serieus aangepakt.' Terug naar de documentaire, ten slotte. Ledy Broeckx zegt dat ze nogal wat getuigen die in Kinderen van de collaboratie aan bod komen niet begrijpt. 'Van mij mogen ze ervan denken wat ze willen. Natuurlijk wel. Maar om je daarom te schamen, en je ouders van alles te gaan verwijten? Nee, daar kan ik met mijn verstand niet bij.' Zelf zal ze de collaboratie tot haar laatste snik blijven verdedigen en zelfs koesteren, als ging het om een kostbaar stuk uit de familiale erfenis. 'Mijn vaders en zijn broers zijn inmiddels allemaal dood. Alleen een van de zussen is nog in leven. Ze is nu 93 of 94, en heeft ook vastgezeten. Vorig jaar heb ik haar nog eens ontmoet op een familiefeest. We zaten daar met een dertigtal mensen aan een lange tafel. Mijn tante, die altijd mijn lievelingstante is geweest, zat naast mij. Tot ze plots opstond en het lied van het Vlaamse Legioen begon te zingen. Na de eerste strofe stopte ze, keek naar mij, en zei: "Zeg, Ledy, gij kent dat toch ook?" Ik ben opgestaan en ben samen met haar beginnen te zingen. Toen we uitgezongen waren, barstte er een daverend applaus van het hele gezelschap los. (mijmerend) Zo trots had ik me al lang niet meer gevoeld.'Mei 1945, de moeder van Heili Verstraete reist, samen met haar jongere zussen en hun moeder, per trein van Duitsland naar het zopas bevrijde België. Als ze aankomen in Kortrijk worden ze meteen herkend. De straatrepressie kent weinig genade. Hoewel ze zichtbaar zwanger is, wordt ze tot bloedens toe geslagen. 'Ik heb klappen gekregen, in de buik van mijn moeder', vertelt Verstraete 72 jaar later. 'Serieuze klappen. Dat is het eerste wat ik heb gezegd toen Canvas vroeg naar getuigenissen voor hun reeks: "Ik heb klappen gekregen, in de buik van mijn moeder. Als jullie mijn getuigenis willen, werk ik graag mee."' Heili Verstraete had meer dan één reden om mee te werken. 'Ik hoop dat ik op die manier ook kan bijdragen tot een juister beeld van de geschiedenis. In Vlaanderen is de collaboratie decennialang voorgesteld als een daad van misleide idealisten die streden voor kerk en vaderland, tegen het bolsjewisme. Die mythe, die de CVP ooit met veel ijver mee heeft verspreid, wil ik mee helpen ontkrachten. Ik weet wel een beetje waarover ik spreek. Mijn vader was zeker niet in de eerste plaats een idealist. Hij was vooral een dominerende, eerder koele man, die op geen enkel moment spijt heeft betuigd over de foute keuzes die hij tijdens de oorlog heeft gemaakt. Integendeel.' Over het oorlogsverleden van haar vader is nogal wat te vertellen. Heili Verstraete is de dochter van Jo Vande Wiele. Toen Heili op haar twintigste in het huwelijk trad, besloot ze voortaan de naam van haar echtgenoot te dragen. Omdat ze niet met de naam van haar vader door het leven wilde, en ook wel omdat ze niet langer geassocieerd wilde worden met Jef Van de Wiele, notoir collaborateur en voorman van DeVlag (of de Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft). Jef Van de Wiele is geen familie van Heili, al mag je met enige zekerheid stellen dat Heili's vader dat geen schande zou hebben gevonden. Vader Jo Van de Wiele werd in 1947 veroordeeld door de Kortrijkse krijgsraad. Heili haalt er zijn dossier bij en leest voor: 'lid van de DeVlag, Banleider NSJV, Stormleider van het Vlaanderen-Korps, Onderschaarleider SS Vlaanderen, vrijwilliger als tolk van de Feldgendarmerie, Oberjunker bij de Waffen-SS... Uiteindelijk heeft hij 12 jaar gevangenis gekregen, waarvan hij er geen vijf heeft moeten uitzitten.' Heili Verstraete maakt er geen geheim van. Vijf jaar vindt ze weinig. Te weinig, als je vergelijkt met de straf voor haar grootvader, de vader van haar moeder die in 1941 oorlogsburgemeester werd van Bissegem. 'Hij heeft even lang gezeten als mijn vader, voor veel lichtere feiten. Mijn vader heeft het geluk gehad dat hij zo lang in Duitsland is blijven hangen. Daardoor is hij pas later voor de krijgsraad moeten verschijnen, op een ogenblik dat de gemoederen al wat waren bedaard.' Vader Jo Van de Wiele kwam eind 1949 vrij. Met Heili, zijn oudste dochter, zou er nooit een normale vader-dochterband groeien. 'We waren gewoon niet compatibel', zegt zij. 'Ik heb er lang mee geworsteld. Me afgevraagd of het misschien aan mij lag. Pas achteraf ben ik gaan beseffen dat ik mijn vader als een indringer beschouwde. Een vreemde, met wie elk echt gesprek onmogelijk was. Warmte was er niet tussen ons. Die kreeg ik wel van mijn grootouders, mijn ooms en zeker ook mijn moeder.' Kilte dus, al zou Verstraete die geen rechtstreeks gevolg van de collaboratie willen noemen. De waarheid is net iets complexer. 'Niet zozeer het feit dat hij gecollaboreerd heeft neem ik hem kwalijk', vertelt Verstraete. 'Het is de manier waarop hij die collaboratie invulde en later cultiveerde. Die manier was symptomatisch voor zijn karakter. Zeker, mijn vader is ook in de collaboratie verzeild geraakt vanwege zijn Vlaamsgezinde én Duitsgezinde overtuigingen. Maar minstens zo belangrijk was zijn verlangen om een baasje te zijn. In de jaren dertig werd hij leider bij Jong Dinaso. Later, toen de Duitsers waren binnengevallen, zocht hij aansluiting bij bewegingen die bezig waren om in Vlaanderen een Hitlerjugend op te richten. De baas spelen over jonge kerels, dat moet hij leuk hebben gevonden, maar dan wel zonder zelf klop te krijgen. Als er echt gevochten moest worden, was hij er niet bij. Dat zag je ook later, toen hij net als mijn oom Marcel het Vlaams Legioen ging versterken en naar het oostfront trok. Mijn vader is - geen toeval, denk ik - nooit helemaal tot aan het front geraakt.' Over vaders oorlogsverleden werd ten huize Vande Wiele nooit echt gepraat. 'Maar dat wil niet zeggen dat je er niks van meekreeg. Toen ik een jaar of acht was las ik graag van die Nederlandse meisjesboeken. Daarin werd dan verteld over families waar mama chocolademelk maakte en er zondag samen aan tafel liedjes werden gezongen. Dat leek me heel gezellig, dus heb ik op een zondag eens gevraagd of ook wij geen liedje konden leren om samen aan tafel te zingen. Waarop vader - met die typische grijns van hem - het Horst Wessellied begon te zingen. (huivert) Ik ben dat tafereel nooit vergeten. Natuurlijk weet je als achtjarige niet waar dat lied voor staat. Maar je voelt wel dat er iets mis mee is, al was het maar door de gegeneerde reactie van je mama. Later, ik was toen een jaar of twaalf, zijn we verhuisd naar Harelbeke, en daar prijkte op de schoorsteenmantel een groot portret van Joris Van Severen (de oprichter van het fascistische Verdinaso, nvdr.). In dat huis lag ook een koppelriem van de SS, met daarop die spreuk: Meine Ehre heisst Treue. Het klinkt gek, maar als kind al besef je dat het beladen symbolen zijn. Of beter: je voelt dat.' En dan was er die 11 juli-viering in Kortrijk, begin jaren zestig. Op die dag beseft Verstraete, 17 jaar oud, dat ze ook ideologisch of politiek nooit in de voetsporen van haar vader zal treden. 'In de verte hoorde ik een optocht naderen. Het geroffel van de trommels. Ik voelde mijn maag keren en dacht: "Verdomme, dit is gevaarlijk." Ik ben naar huis gegaan, om daar een soort pact te sluiten met mezelf. Nooit zou ik achter een vaandel lopen. Nooit zou ik me laten meeslepen door welke ideologie dan ook.' Heili Verstraete zou zich aan die afspraak houden, en je krijgt niet de indruk dat haar dat veel moeite heeft gekost. 'De afkeer is alleen maar gegroeid. Toen onze zoon afstudeerde als landbouwingenieur, eind jaren tachtig, gingen mijn man en ik naar zijn proclamatie. Ik zal het nooit vergeten. Plots weerklonk daar de Vlaamse Leeuw. (lacht) Bij wijze van stil protest ben ik toen de Internationale beginnen te neuriën, een lied dat ik trouwens nooit hardop zou zingen. Ook achter die vlag heb ik nooit willen lopen. Diep vanbinnen ben ik, denk ik, een sociaaldemocraat. Maar als ideeën te veel beginnen te lijken op een ideologie, ben ik weg. In partijen geloof ik al helemaal niet. Hoogstens in mensen.' Heili Verstraete verliet het ouderlijke huis op haar achttiende. 'Omwille van mijn moeder, mijn jongere zusjes en broers ging ik aanvankelijk nog regelmatig op bezoek. Maar na een jaar of vier heb ik ook die bezoekjes laten vallen. Uit zelfbehoud. Omdat de aanwezigheid van vader me ziek maakte. Ik denk dat ik hem sindsdien nog een keer of vier heb gezien.' Heili was 26 toen ze, na een eerdere mislukking, alsnog aan een universitaire opleiding begon. Ze koos voor slavistiek, met specialisatie Russisch. 'Mijn vader dacht dat het uit wraak was', lacht ze, 'dat ik hem zo een dolk in de rug wilde steken. De werkelijkheid was prozaïscher. Ik had twee kleine kinderen. Een wetenschappelijke richting zou te veel tijd vergen, dus besloot ik terug te keren naar de oude liefde: taal en letteren. Germaanse en Romaanse talen vielen af omdat de uurroosters niet compatibel waren met de zorg voor de kinderen. Bij slavistiek lukte die combinatie wel.' De studie was het begin van een carrière die Heili Verstraete zou beëindigen als hoogleraar Russisch aan het departement Vertalers en Tolken van de Hogeschool Gent. Al is 'beëindigen' misschien niet het juiste woord. Toen Heili tien jaar geleden met pensioen ging, werd ze actief als geassocieerd onderzoeker bij het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (SOMA). Daar vond ze de eerste sporen voor een onderzoek naar het oorlogsverleden van een ander familielid: de al genoemde oom Marcel. 'Hij was de broer van mijn moeder, en sneuvelde aan het oostfront, enkele weken voor het einde van de oorlog. Een tragisch verhaal.' Als Heili Verstraete over haar onderzoek vertelt, toont ze meteen ook een andere kant van zichzelf. Behalve categorisch kan ze ook genuanceerd zijn als het over dit thema gaat. 'Een verhaal als dat van mijn oom Marcel leert dat collaboratie in sommige gevallen eerder voortkwam uit een samenloop van omstandigheden. Op een bepaalde manier heb ik voor sommige collaborateurs wel respect. Ondanks een enorme reserve geldt dat zelfs voor iemand als Reimond Tollenaere (VNV'er en onderluitenant van het Vlaams Legioen, nvdr.). Tollenaere is aan het oostfront gesneuveld. Hij heeft, anders dan al die andere toplui, tenminste nog gevochten. Als je dan ziet wat zo'n Verschaeve deed... Duizenden jonge gasten heeft hij opgejut en zo de dood ingejaagd, maar zodra het te warm werd onder z'n eigen voeten, nam hij de benen. Als ik daaraan denk, begint mijn bloed meteen weer te koken.' Of we dan mogen schrijven dat Heili Verstraete wel enig begrip kan opbrengen voor de collaboratie? 'Dat vind ik een lastige vraag', zegt ze. '"Begrijpen" is een moeilijk woord. Als je de evolutie en de ideeën van sommige collaborateurs aandachtig bestudeert, kun je wel begrijpen waarom ze die fout hebben gemaakt. Het is zoals bij die jihadi's, vandaag. Soms zijn dat kleine criminelen, soms kinderen uit kansarme gezinnen zonder perspectief, soms opportunisten, soms eenvoudige jongens die zich laten opjutten door haatpredikers, en soms is het een combinatie van die vier. Wat ik niet kan begrijpen is dat de collaborateurs na de oorlog zo vaak in dat ideeëngoed zijn blijven hangen. En al helemaal dat blijkbaar niemand in Vlaanderen heeft geweten wat er met de Joden aan het gebeuren was. (fel) Ik. Snap. Dat. Niet. Joris Van Severen was duidelijk antisemitisch, en heeft daar zeker geen geheim van gemaakt. Zoals ook de katholieke pers en de pers van het Verdinaso duidelijk antisemitisch was. Iedereen kon zien dat de Joden tijdens de oorlog werden weggevoerd. En iedereen kon zien dat ze niet meer terugkwamen. Ik zie maar twee mogelijkheden: ofwel waren die Vlamingen blind, ofwel blijven ze bewust die mythe verspreiden.'