Als academicus, maar ook als mens en als moeder voel ik de pijn wanneer ik me inbeeld dat er een klein lichaampje van een anderhalf jaar oude Belgische peuter sinds vorige week begraven ligt in het dorre zand van Al Hol in Syrië. Wanneer ik me probeer voor te stellen wat de Belgische ouders en grootouders van dit kind nu voelen, word ik misselijk. Wanneer een kleutertje van vier aan haar mama moet vragen of haar armpje naar de hemel is gegaan, en of zij nu ook moet volgen, krijg ik de krop in mijn keel. Zonder medicatie en de juiste zorgen zal dit meisje in Al Hol het misschien ook niet halen.

Traagheid en onwil van onze regering kost Belgische kinderen het leven in Koerdische kampen.

Reeds maanden - ondertussen bijna een jaar - spreken verschillende mensenrechtenorganisaties over de onverschilligheid, ontkenning en afwijzing van Belgische kinderen in Koerdische kampen van onze overheid en samenleving. Maar wat er deze week gebeurde - de berichtgeving over het overlijden van twee van deze Belgische kinderen - ondermijnt de fundamenten van menselijkheid en onze rechtstaat.

Waar een wil is, is een weg. Onze regering opteert er echter wetens en willens voor om al maanden helemaal niets te ondernemen. Het zijn kinderen met de Belgische nationaliteit in de Koerdische kampen die hier de zwaarste tol voor betalen, het zijn net zij die deze beslissing bekopen met hun gezondheid en zelfs met hun leven. Reeds twee Belgische kinderen stierven in de kampen en nog minstens vier anderen vechten nog steeds voor hun leven. In december vorig jaar besliste de kortgedingrechter onder meer naar aanleiding van een rapport van kindertherapeut Gerrit Loots en zijn team dat België alles in het werk moest stellen om de zes kinderen én hun moeders binnen de veertig dagen van Syrië naar België te laten reizen. De Belgische Staat ging hier evenwel tegen in beroep en kreeg gelijk. Sindsdien blijft het bijzonder stil rond deze kinderen.

De afweging die een overheid in dergelijke situaties maakt, gaat in eerste instantie om het garanderen van de nationale veiligheid. Laat ons echter klaar en duidelijk benoemen dat het hier niet alleen gaat over (voormalige) IS-strijd(st)ers, maar over hun kinderen. Belgische kinderen, waarvan de meesten de leeftijd van zes jaar nog niet bereikt hebben. Het team van kinderpsychologen die de situatie ter plekke ging onderzoeken, oordeelt dat deze baby's, peuters en kleuters net als alle andere (en ook uw) kinderen zijn: ze willen 'kind' zijn, de hele tijd spelen. Maar net dat wordt hen onmogelijk gemaakt, gezien ze dag en nacht moeten vechten voor hun leven. Zij leveren een strijd om hun recht op leven, een kinderrecht waarvoor de overheid niet wil vechten. Althans niet voor deze kinderen want hun veiligheid, gezondheid en welzijn wordt ondergeschikt gesteld aan de daden van hun moeders

Helaas verschuift de focus van het veiligstellen van kinderen naar de daden van de moeders. Het debat wordt verengd tot een discussie over de moeders, waardoor we onze verantwoordelijkheid als rechtsstaat wegduwen. Dit is een slimme strategie om actie op de lange baan te schuiven, liefst tot na de verkiezingen in mei. Wie durft politieke moed te tonen in tijden van electoraal winstbejag? Zouden deze kinderen daar nog zitten mochten het de kleinkinderen van onze regeringsleden zijn? Daar hebben de Belgische meisjes en jongens van zestien maanden, drie en vier jaar oud natuurlijk niets aan. Zij hebben hier niet voor gekozen en zijn de slachtoffers in dit verhaal, ongeacht de misdaden van hun ouders.

Het kinderrechtenverdrag is nochtans zeer duidelijk: beslissingen dienen te allen tijde genomen te worden in het belang van het kind. Dit geldt voor de beslissingen die de jeugdrechter neemt in een jeugdhulpcontext en zijn niet anders voor de situatie van Belgische kinderen in de kampen. Als de overheid actief werk zou maken van de repatriëring van de kinderen, moet het belang van het kind de primaire overweging zijn.

Verschillende nationale en internationale mensen- en kinderrechtenorganisaties namen reeds een unaniem standpunt in: haal deze kinderen terug, ongeacht hun leeftijd en mét de moeders en liefst zo snel mogelijk. Het is in de afgelopen maanden helaas duidelijk gebleken dat onze 'rechtsstaat' voor deze kinderen en hun moeders faalt en de kinderen eerder laat sterven dan hun ouders te berechten in België. Hierdoor treedt ze enkele belangrijke mens- en kinderrechtelijke principes met de voeten, zoals het recht op leven, op zorg, een veilige omgeving en het recht op onderwijs. Als een overheid de rechten van deze kinderen nog niet waarborgt, wie doet dat dan wel?

Deze kinderen hebben hier niet voor gekozen en zijn de slachtoffers in dit verhaal, ongeacht de misdaden van hun ouders.

Ofwel neemt de Belgische Staat haar verantwoordelijkheid zoals duidelijk voorgeschreven in Internationale en Nationale verdragen en regelgeving, ofwel bewijst dit dat onze Staat weinig begaan is met deze afspraken. In het laatste geval blijken wetten en kinderrechtenkaders enkel van toepassing te zijn voor een fractie van minderjarige Belgische onderdanen. Artikel 10 van onze Grondwet - er is in de Staat geen onderscheid van standen, de Belgen zijn gelijk voor de wet - blijkt in de praktijk blijkbaar een pijnlijke illusie te zijn. We zijn als land en als samenleving betrokken, of we dat nu willen of niet. We moeten beseffen dat het in dit conflict net de kinderen en jongeren zijn die mee de toekomst maken. Laat ons hen niet de rug toekeren, laat ons bewijzen dat we als maatschappij de polarisatie overstijgen. Wat betekenen mensen- en kinderrechten immers als ze niet dienen ter bescherming van mensen en kinderen in absolute nood, maar ondergeschikt zijn aan andere belangen van onze regering?

Aan de kleine meid in Al Hol wil ik nog dit zeggen: hou vol, ook al ben je nog maar vier, je bent sterk. Je staat er alleen voor. België heeft nu helaas wat anders te doen.