Over de horeca is al veel geschreven de afgelopen weken. Veel uitbaters houden amper het hoofd boven water. Voor velen is het bang afwachten wat zal gebeuren eenmaal zij terug mogen openen en alle overheidssteun weer wegvalt. Vandaag hangen veel cafés namelijk vast aan wurgcontracten met een grote brouwerij. Dat zijn contracten die onder meer bepalen hoeveel drank een horecazaak moet aankopen bij die brouwerij. Die brouwerij is bovendien ook eigenaar van het pand van de caféhouder. Een machtsrelatie dus, want koop je als caféhouder te weinig drank bij de brouwerij aan? Dan kan die het huurcontract stopzetten. En dat doen ze ook, want ze weten dat ze niet lang zullen moeten wachten op een nieuwe kandidaat om de wurgpositie in te nemen. Zijn de prijzen van de dranken bij de brouwerij te hoog? Dan kan je als uitbater weinig klagen, je kan niet naar andere brouwerijen of drankcentrales. Enkel bij de eigen brouwerij mag je afnemen, wat leidt tot woekerprijzen: een café onder contract betaalt ongeveer 20 tot 22 euro voor een bak pils, die in de supermarkt in promotie vaak aan 8 tot 10 euro te koop staat. Bovendien kan je als cafébaas bij zo'n contracten amper beslissen om een lokaal biertje te verkopen, of een nieuwe ijsthee. Ben je dan wel baas?

Collega Katrien Houtmeyers (N-VA) heeft het in een opiniestuk over een evenwicht tussen cafés en brouwerijen. Ik vraag me af wat zij bedoelt.

Het heeft er alle schijn van dat N-VA zich met deze argumenten voor de kar van de brouwerslobby laat spannen.

Nochtans zijn er al hoorzittingen over het thema georganiseerd in het parlement, waar ons voorstel om komaf te maken met dergelijke wurgcontracten positief werd onthaald, zowel door Horeca Vlaanderen als door de vrederechters die zich dagelijks moeten uitspreken over de huurgeschillen tussen cafébazen en grote brouwerijen.

We moeten nu komaf maken met wurgcontracten in de horeca.

N-VA werpt zich, ook in coronatijden, nochtans op als verdediger van de horeca maar op het moment dat ze mee echt het verschil kunnen maken, gooien ze alle argumenten overboord en gaan ze mee met de grote spelers in het nadeel van de vele uitbaters. De brouwerijen zijn het afgelopen jaar solidair geweest, dat klopt. Maar wat hebben zij ook aan lege cafés na corona, zonder uitbater?

Met onze voorstellen koppelen we de afnameverplichting los van het huurcontract en maken we de afnameverplichting een stuk minder strikt. Doordat een grote brouwerij het huurcontract niet meer kan beëindigen wanneer de caféhouder even niet aan de zware afnameverplichtingen kan voldoen, dwing je die eerste om zijn drank aan redelijke prijzen aan te bieden. Tegelijk geef je meer speelruimte aan de kleinere Belgische brouwerijen en verleen je ook hen toegang tot deze afzetmarkt, in plaats van deze exclusief over te laten aan de grote brouwerijen. Dàt is evenwicht.

Ik kijk, net zoals iedereen, uit naar de opening van onze terrassen: een frisse getapte pint en niet langer eten uit een take-away schaaltje. Eindelijk loskomen van onze keukentafel, terug mensen zien en met mensen praten. Alleen gaat samen met de heropening van onze horeca ook onzekerheid gepaard. Want dan valt de steun weg voor de horecaondernemers, samen met de solidariteit van die brouwerijen. Onze cafés en restaurants zullen het zelf moeten zien te redden. Met ons voorstel hertekenen we het landschap waarin ze dat doen. Ze krijgen meer vrijheid en ruimte voor experiment. We verzelfstandigen de sector, zodat het levenswerk van velen ook echt van hen is.

Over de horeca is al veel geschreven de afgelopen weken. Veel uitbaters houden amper het hoofd boven water. Voor velen is het bang afwachten wat zal gebeuren eenmaal zij terug mogen openen en alle overheidssteun weer wegvalt. Vandaag hangen veel cafés namelijk vast aan wurgcontracten met een grote brouwerij. Dat zijn contracten die onder meer bepalen hoeveel drank een horecazaak moet aankopen bij die brouwerij. Die brouwerij is bovendien ook eigenaar van het pand van de caféhouder. Een machtsrelatie dus, want koop je als caféhouder te weinig drank bij de brouwerij aan? Dan kan die het huurcontract stopzetten. En dat doen ze ook, want ze weten dat ze niet lang zullen moeten wachten op een nieuwe kandidaat om de wurgpositie in te nemen. Zijn de prijzen van de dranken bij de brouwerij te hoog? Dan kan je als uitbater weinig klagen, je kan niet naar andere brouwerijen of drankcentrales. Enkel bij de eigen brouwerij mag je afnemen, wat leidt tot woekerprijzen: een café onder contract betaalt ongeveer 20 tot 22 euro voor een bak pils, die in de supermarkt in promotie vaak aan 8 tot 10 euro te koop staat. Bovendien kan je als cafébaas bij zo'n contracten amper beslissen om een lokaal biertje te verkopen, of een nieuwe ijsthee. Ben je dan wel baas? Collega Katrien Houtmeyers (N-VA) heeft het in een opiniestuk over een evenwicht tussen cafés en brouwerijen. Ik vraag me af wat zij bedoelt. Het heeft er alle schijn van dat N-VA zich met deze argumenten voor de kar van de brouwerslobby laat spannen. Nochtans zijn er al hoorzittingen over het thema georganiseerd in het parlement, waar ons voorstel om komaf te maken met dergelijke wurgcontracten positief werd onthaald, zowel door Horeca Vlaanderen als door de vrederechters die zich dagelijks moeten uitspreken over de huurgeschillen tussen cafébazen en grote brouwerijen. N-VA werpt zich, ook in coronatijden, nochtans op als verdediger van de horeca maar op het moment dat ze mee echt het verschil kunnen maken, gooien ze alle argumenten overboord en gaan ze mee met de grote spelers in het nadeel van de vele uitbaters. De brouwerijen zijn het afgelopen jaar solidair geweest, dat klopt. Maar wat hebben zij ook aan lege cafés na corona, zonder uitbater?Met onze voorstellen koppelen we de afnameverplichting los van het huurcontract en maken we de afnameverplichting een stuk minder strikt. Doordat een grote brouwerij het huurcontract niet meer kan beëindigen wanneer de caféhouder even niet aan de zware afnameverplichtingen kan voldoen, dwing je die eerste om zijn drank aan redelijke prijzen aan te bieden. Tegelijk geef je meer speelruimte aan de kleinere Belgische brouwerijen en verleen je ook hen toegang tot deze afzetmarkt, in plaats van deze exclusief over te laten aan de grote brouwerijen. Dàt is evenwicht. Ik kijk, net zoals iedereen, uit naar de opening van onze terrassen: een frisse getapte pint en niet langer eten uit een take-away schaaltje. Eindelijk loskomen van onze keukentafel, terug mensen zien en met mensen praten. Alleen gaat samen met de heropening van onze horeca ook onzekerheid gepaard. Want dan valt de steun weg voor de horecaondernemers, samen met de solidariteit van die brouwerijen. Onze cafés en restaurants zullen het zelf moeten zien te redden. Met ons voorstel hertekenen we het landschap waarin ze dat doen. Ze krijgen meer vrijheid en ruimte voor experiment. We verzelfstandigen de sector, zodat het levenswerk van velen ook echt van hen is.