Iemand die de pech van het faillissement gekend heeft wordt in België nog altijd met een scheef oog bekeken. De ex-ondernemer wordt met diverse problemen geconfronteerd. De financiële problemen voeren de rangorde aan, gevolgd door de juridische problemen en de inkrimping van het sociaal netwerk van de gefailleerde. Er is een psychische schok die samengaat met een verlies aan zelfvertrouwen. Vele gefailleerden hebben slapeloze nachten.

Stop de stigmatisering rond het faillissement.

Nochtans verdient de integere gefailleerde die pech heeft gehad alle respect: hij heeft de moed gehad een zaak op te starten, en risico's genomen. Daarbij zijn faillissementen ook niet zo nadelig voor de economie. Op korte termijn is een faling een pijnlijke zaak voor het bedrijf en zijn werknemers daar ze hun job verliezen. Maar op lange termijn is een faillissement positief. Faillissementen ondersteunen immers de turbulentie in de economie. Dit laatste is de som van de stopzettings- en oprichtingsgraad met betrekking tot bedrijven in de economie. Turbulentie sluit aan bij het fenomeen van "Creatieve destructie" zoals beschreven door Schumpeter. Dit wordt veroorzaakt door het dynamische proces van technische innovatie, de werkelijke bron van economische groei. Hoe meer oudere bedrijven vervangen worden (o.a. via faillissementen) door nieuwe (turbulentie in de economie), hoe sterker de innovatieve kracht van een economie. In België maken de faillissementen slechts 15 % uit van het totaal aantal stopzettingen per jaar: we hebben ook nog de fusies en overnames, de ontbinding en vereffeningen, ...

In België bedroeg de turbulentie volgens Eurostat slechts 9,42%, en is daarmee de laagste in Europa. In Frankrijk en Duitsland bevindt het zich rond 14,7%. Dit is toe te schrijven aan het feit dat het ondernemerschap in België op een laag pitje staat. De belangrijkste reden is volgens Eurostat de vrees om failliet te gaan (28%), gevolgd door de onzekerheid over geen regelmatig inkomen te beschikken (22%). Volgens de Global Entrepreneurship Monitor vreest 47 % in België voor een mislukking, terwijl dit in de Verenigde Staten slechts 31 % is. Vandaar ook dat er in de Verenigde Staten tweemaal zoveel mensen eigenaar van een nieuwe of gevestigde zaak zijn als in België. Het faillissement wordt er niet zozeer als een mislukking beschouwd, maar eerder als een leerproces.

Het komt er dus op aan het stigma rond het faillissement te doen verdwijnen, en zo tegelijk het ondernemerschap aan te moedigen. De nieuwe insolventiewet van 11 augustus 2017, van toepassing sinds 1 mei 2018, komt daar enigszins aan tegemoet. Zo kan een gefailleerde (als natuurlijke persoon) nu binnen de drie maand na het vonnis de kwijtschelding van zijn schulden aanvragen bij de Ondernemingsrechtbank, die binnen de zes maand erop uitspraak moet doen.

Het houdt in dat de gefailleerde een nieuwe zaak kan beginnen (de tweede kans), en dit reeds tijdens de afwikkeling van het faillissement zonder dat de nieuwe inkomsten door de curator of de schuldeisers aangesproken kunnen worden. Deze kwijtschelding vervangt de vroegere verschoonbaarheid die pas op het einde van de faillissementsprocedure werd toegekend. Deze procedure duurt gemiddeld 2,5 jaar in België, maar Europa wil dit beperken tot maximum 3 jaar. Immers, hoe sneller de gerechtelijke procedure hoe minder stigmatisering. Men moet er wel voor oppassen dat deze kwijtschelding automatisch wordt toegekend. Enkel ondernemers ter goede trouw met pech verdienen een tweede kans. De onbekwame ondernemer kan wel kwijtschelding krijgen, maar zou afgeremd moeten worden om het opnieuw te proberen, tenzij een bijkomende opleiding zijn kennis op financieel-economisch vlak verbetert. Aan de frauduleuse gefailleerde moet in ieder geval kwijtschelding geweigerd worden. De stigmatisering moet verdwijnen, maar dit betekent niet dat men het faillissement moet minimaliseren.

De stigmatisering moet verdwijnen, maar dit betekent niet dat men het faillissement moet minimaliseren.

Op wetgevend vlak worden dus goede initiatieven genomen, maar de overheid kan op andere terreinen nog veel meer doen om het ondernemerschap te ondersteunen bij falingen. Leveranciers hebben in tegenstelling tot de banken weinig zekerheden, en riskeren dus hun ganse vordering op de gefailleerde te verliezen wat hun liquiditeitspositie serieus kan aantasten. Nochtans kunnen de leveranciers dit verlies pas op het einde van de procedure fiscaal in rekening brengen wanneer het 'zeker en vaststaand' is. Waarom dan niet het fiscaal attest kort na de uitspraak van het faillissement afgeven, en mocht er later toch betaald worden de reëel betaalde inkomsten dan belasten?

Tijdens de faillissementsprocedure zou de overheid meer terughoudend moeten zijn. De overheid heeft sinds lang het voorrecht van schuldvordering. Bij de gerechtelijke reorganisatie verloren de belastingen en de sociale zekerheid na veel moeite hun bevoorrechte rang. Tijdens de faillissementsprocedure zou dit ook moeten gelden, zodat leveranciers meer kans hebben nog iets te recupereren. Daarnaast zouden de nalatigheidsintresten tot een normaal niveau moeten gebracht worden: waarom volstaat niet de geldende wettelijke intrest van het ogenblik ?

De overheid is eveneens geen toonbeeld van betalingsdiscipline. Bij faillissementen kan de leverancier van de debiteur erin meegetrokken worden door het domino-effect. Volgens 29 % van de gefailleerden is wanbetaling de voornaamste oorzaak van hun faling. Bij de curatoren geldt dit voor 13 % van de gevallen (na gebrekkig management dat de hoofdoorzaak is met 38%). Het is dus belangrijk dat de leveranciers door hun klanten op tijd betaald worden, ook door de overheid. Volgens Intrum Justitia is België, met een vertraging van 50 % op de contractueel voorziene termijn in 2017, op 29 onderzochte landen in Europa de slechtste betaler na vier grote zuiderse landen. Onze bedrijven leiden daardoor een concurrentienadeel in vergelijking met andere landen. Positief is wel dat sinds twee jaar de buitengerechtelijke administratieve invorderingsprocedure voor onbetwiste schulden van toepassing is: ze verkortte de incassoprocedure van gemiddeld 6 maand tot 2 maand.

Paul Becue is visiting fellow bij Itinera. Hij werkte eerst veertien jaar in de banksector, en sinds juli 1998 in de kredietverzekeringssector waar hij verschillende managementfuncties bekleedde. Hij schreef tijdens zijn carrière artikelen voor diverse kranten, financiële en wetenschappelijke tijdschriften. Zijn boeken over kredietverzekering gelden als dé referentie en werden in verschillende talen vertaald.