Een zomerse ochtend in Falticeni, oostelijk Roemenië, in precoronatijd. Aan de fabriekspoort stromen tientallen arbeiders toe, vooral vrouwen. 'Buna ziua' - 'goeiedag' - klinkt het hier en daar voorzichtig. De meeste blikken zijn argwanend. De pogingen van onze Roemeense collega om arbeidsters te benaderen, kennen weinig succes. Bij het woord 'journalist' versnellen de passen.
...

Een zomerse ochtend in Falticeni, oostelijk Roemenië, in precoronatijd. Aan de fabriekspoort stromen tientallen arbeiders toe, vooral vrouwen. 'Buna ziua' - 'goeiedag' - klinkt het hier en daar voorzichtig. De meeste blikken zijn argwanend. De pogingen van onze Roemeense collega om arbeidsters te benaderen, kennen weinig succes. Bij het woord 'journalist' versnellen de passen. Ten tijde van het communisme was hier een spinnerij, vandaag huist Motexco in het gebouw, een kledingfabriek met 338 werknemers van dezelfde holding als het Tieltse bedrijf Seyntex, een bekend producent van kogelvrije en chemische beschermingskledij. Via de Roemeense journaliste Laura Stefanut, die goed thuis is in de textielindustrie, komen we erachter dat bij Motexco uniformen worden gemaakt voor Belgische militairen. Op basis van de Wet op de Openbaarheid van Bestuur verkrijgen we aankoopdocumenten van Defensie. Die bevestigen dat uniformen voor het Belgische leger bij Seyntex worden besteld. Seyntex produceert ze bij Motexco. Bij Siorom, 120 kilometer verderop, worden nog meer Belgische overheidsuniformen gemaakt: die van de politie. Siorom is een dochter van het bekende Sioen Industries, een beursgenoteerd familiebedrijf met hoofdkwartier in het West-Vlaamse Ardooie en een belangrijk Belgisch producent van technisch textiel en veiligheidskledij. Waarom produceren Belgische bedrijven de kledij van overheidspersoneel op ruim tweeduizend kilometer van ons land? De loonbriefjes van de arbeiders, die we konden inkijken, geven het antwoord. De naaisters verdienen omgerekend zo'n 260 euro netto per maand, voor een voltijdse baan. Friedrich-Ebert-Stiftung, een Duitse ngo met kantoren in meer dan honderd landen die zich bezighoudt met onderzoek naar en vorming over sociale, economische en politieke thema's, schat het 'leefbaar loon' voor Roemenië - het bedrag waarmee een werknemer basiskosten als huisvesting, voeding, verzorging en onderwijs kan betalen - op 530 euro. De berekeningen van andere ngo's komen op nog hogere bedragen uit. ' Made in Europe' mag dan beter klinken dan ' Made in Bangladesh', een duurzaamheidslabel is het niet. In de praktijk blijkt een land als Roemenië vooral een lagelonenparadijs dicht bij huis - alleen de Letten en de Bulgaren moeten het binnen de Europese Unie met een nog lager minimumloon stellen. Bovendien krijgt ruim 25 procent van de Roemeense werknemers een loon dat rond het minimum schommelt. Nergens in de EU is dat percentage zo hoog. Volgens berekeningen van de Clean Clothes Campaign, een internationale organisatie die ijvert voor betere werkomstandigheden in de textielindustrie, verdienden de 200.000 textielarbeiders in Roemenië in 2018 zelfs minder dan hun collega's in Bangladesh, in verhouding tot de kosten van levensonderhoud. Om zicht te krijgen op de werk- en leefomstandigheden van het personeel bij Motexco en Siorom, zijn we naar Roemenië getrokken. Aan de fabriekspoort van Motexco wil niemand praten. In de hoop toch getuigenissen te verzamelen, volgen we de route van de personeelsbus. Die voert door ruraal gebied in de grensstreek met Moldavië. We passeren boeren met paard en kar en zien verzorgde akkers, huizen en tuintjes. In een dorp op tien kilometer van de fabriek stoppen we. De eigenares van een kruidenierszaak kent mensen die bij Motexco werken. Ook via Facebook zoeken we contact met arbeiders. Na lang aandringen is één vrouw bereid tot een persoonlijk gesprek, een andere wil enkel via de telefoon spreken, met nog andere vrouwen voeren we chatgesprekken. Wat in die gesprekken altijd terugkomt, zijn de hoge werkdruk, de onaangename werkomstandigheden en het loon dat nauwelijks volstaat om van te leven. Verschillende vrouwen vertellen dat het in de zomer ondraaglijk warm kan worden in de fabriek van Motexco en dat de maaltijdcheques die elke maand wat extra koopkracht moeten bieden, worden gekoppeld aan volgens hen onhaalbare productiequota. De enige vrouw die ons thuis wil ontvangen is een prille vijftiger die inwoont bij haar schoonfamilie - we noemen haar Florentina om haar identiteit te beschermen. Zij en haar man hebben een eigen, piepkleine leef- en slaapruimte in het eenvoudige huis. Haar man is er niet, hij werkt in het buitenland en komt maar één keer om de drie maanden naar huis.' Imposibil', zegt Florentina als we haar vragen of ze kan leven van de 260 euro die ze bij Motexco verdient. Zelfs al stuurt haar man iedere maand 700 à 800 euro naar huis, dan nog blijft het rekenen. Wanneer we vragen naar de maaltijdcheques, maakt ze zich kwaad. 'De voorbije maanden heb ik er nooit meer dan vijf gekregen, terwijl ik volle maanden heb gewerkt. Andere collega's kregen er zes, nog andere tien. En niemand die ons kan uitleggen waar die verschillen vandaan komen.' Florentina toont een Ticket Restaurant-boekje waar al cheques zijn uitgescheurd. 'Ik heb het in deze staat gekregen, met maar vijf tickets erin. Er zijn ook maanden dat ik losse cheques krijg, met een paperclip aan elkaar vastgemaakt.' Elke ochtend stapt Florentina om kwart voor vijf op de bus. Tien uur later is ze weer thuis, en dan begint haar tweede shift, op het veld achter het huis. Dankzij de boomgaard, kippen en een moestuin kan ze in haar levensonderhoud voorzien. Tot 's avonds laat is ze in de weer met spitten, zaaien, planten, oogsten en dieren verzorgen. Florentina klaagt ook over de werkomstandigheden bij Motexco. Er is geen ventilatie of fris drinkwater, zegt ze, wat vooral bij de snikhete temperaturen in de zomer een probleem is. 'Maar er is weinig werk hier in de stad voor vrouwen van mijn leeftijd. Mannen kunnen in de bouw terecht, jonge vrouwen in een winkel of een kiosk, maar ik heb weinig opties.' Florentina is geen uitzondering. Verschillende vrouwen vertellen ons dat hun man in West-Europa werkt en geld opstuurt. Ook haast iedereen die we op straat aanspreken, heeft wel een partner, dochter of vriend die in het Westen aan de slag is. Volgens een rapport van de Verenigde Naties uit 2018 zijn al 3,5 miljoen Roemenen geëmigreerd sinds het land in 2007 lid werd van de EU. Dat komt neer op een daling van 17 procent van de bevolking, de snelste volksverhuizing in vredestijd in de Europese geschiedenis. Het land heeft zelfs een minister die verantwoordelijk is voor Roemenen in het buitenland. Van Falticeni rijden we verder naar Iasi, de op twee na grootste stad van Roemenië. Een autosnelweg is er niet, alleen een soort doorgangsweg met in elke rijrichting een halve extra rijstrook. Het landschap is groen en vlak, met lintbebouwing, smalle akkerstroken en velden met ovalen strobalen, typisch voor de streek. ' Traiasca Republica Socialista Romania' - 'Leve de socialistische republiek Roemenië'. De communistische leuze uit het tijdperk van president Nicolae Ceausescu prijkt nog altijd aan de ingang van het industrieterrein waar Siorom met zijn 365 werknemers zit. Ook de fabrieksgebouwen stammen uit die tijd en lijken sindsdien weinig gemoderniseerd. De bedrijfsnaam Siorom staat nergens vermeld, maar een bewaker wijst op onze vraag een deel van het gebouwencomplex aan. Hij meldt dat er bezoekers zijn en luttele minuten later komt Jan de Graeve het terrein opgereden, de Belgische ceo van Siorom. Tijdens een kort gesprek voor de deur van de fabriek beaamt hij dat zijn bedrijf voor overheden werkt. Dat er een link is met Sioen Industries wil hij niet bevestigen, ook al staat die informatie gewoon op de website van Sioen. Een rondleiding in de fabriek zit er niet in, hoezeer we ook aandringen. Een filmpje op de YouTube-pagina van Sioen Industries biedt een inkijk in de Siorom-fabriek. In een nette fabriekshal bevestigen vrolijk lachende naaisters ' Made in Europe'-labels op kledingstukken en geven ze blauwe jassen met het logo van de Belgische politie aan elkaar door. Via Facebook leggen we contact met Maria - opnieuw een schuilnaam, want ook zij wil anoniem blijven. De late dertiger werkt al enkele jaren voor Siorom. We ontmoeten haar op een caféterras aan een van de drukke boulevards in Iasi. Thuis kan ze ons niet ontvangen: met haar man en twee zonen woont ze in een kamer van 17 vierkante meter. Maria is momenteel de enige kostwinner in huis. Haar man, die bouwvakker is, revalideert na een arbeidsongeval in het buitenland. Maria haalt een recent loonbriefje uit haar portefeuille. Net zoals Florentina verdient ze het minimumloon van 260 euro netto, maar zij krijgt wel netjes één maaltijdcheque per gewerkte dag, ter waarde van 2,5 euro per stuk. Wanneer haar team zijn quota haalt, komt daar een bonus van 42 euro bovenop. Maar dan nog haalt het gezin met haar loon het einde van de maand niet. 'Gelukkig krijg ik hulp van mijn zus, die op het platteland woont. Zij stuurt ons elke week melk, eieren, vlees en kaas.' Naast haar job bij Siorom gaat Maria drie keer per week schoonmaken bij gezinnen. In het weekend staat ze urenlang te koken voor klanten die bij haar maaltijden bestellen, in het zwart. 'Voor een paar honderd sarmale (opgerolde koolbladeren gevuld met rijst, tomaten en gehakt, nvdr) draai ik mijn hand niet om.' Ze is lang niet de enige die haar fulltimebaan bij Siorom combineert met andere jobs. 'Zeker als je kinderen hebt, krijg je van ons loon onmogelijk alle rekeningen betaald.' Maria klaagt ook over het gebrek aan airco en fris drinkwater bij Siorom. En over de hitte, die volgens haar zo extreem kan zijn dat er weleens mensen flauwvallen. In de zomer van 2018 deed Corina Ajder als onafhankelijk researcher in opdracht van de Clean Clothes Campaign onderzoek naar zeven Roemeense textielfabrieken. Ze sprak toen ook met 12 personeelsleden van Siorom en 16 van Motexco. Hun verhalen bevestigen die van de arbeidsters die wij spraken, zo blijkt uit Ajders nog niet gepubliceerde rapport, dat wij konden inkijken. De vrouwen die Ajder interviewde, gaven allemaal aan exact het Roemeense minimumloon te verdienen. 'Werknemers leven in extreme armoede', schrijft ze. De helft van de arbeidsters die ze sprak, doet na de werkuren aan landbouw om rond te komen. 'Ze leggen uit dat ze iedere maand moeten kiezen tussen even belangrijke zaken als de rekening betalen voor gas, water en elektriciteit, of eten kopen. Velen rekenen op familieleden in West-Europa die geld sturen. Om een koelkast of een nieuw meubel te kopen, of medische kosten te betalen, moeten ze schulden maken.' Roemenië en andere voormalige Oostbloklanden kampen met een historische achterstand. Na de val van de Berlijnse Muur, dertig jaar geleden, werd de arbeidsmarkt er in sneltempo geliberaliseerd. 'Het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank zorgden voor herstelprogramma's, maar hielden hogere minimumlonen tegen', vertelt Marco Rocca, specialist in Europees en internationaal arbeidsrecht en gastprofessor aan de Universiteit Hasselt. 'Daarnaast staan de vakbonden in die landen erg zwak.' In het kantoor van de Friedrich-Ebert-Stiftung in Boekarest ontmoeten we Daniel Nastase van de Roemeense textielvakbond Uniconf. Roemenië heeft nooit een traditie van sterke vakbonden gehad, bevestigt hij, en sinds een wijziging van de arbeidswetgeving in 2011 is de situatie er nog op achteruitgegaan. De cao-onderhandelingen op nationaal niveau werden afgeschaft en vakbonden moeten nu meer dan 50 procent van de werknemers vertegenwoordigen om mee te mogen onderhandelen op bedrijfsniveau. 'Daardoor kunnen ze weinig resultaten voorleggen en zijn werknemers nog minder geneigd om lid te worden, wat de macht van de bonden verder verzwakt.' Bart Vervaecke, ceo van de kledingafdeling van Sioen Industries en Wout Verbeke, chief hr officer, ontvangen ons op het hoofdkwartier van de groep. Liever dan via mail reageren ze persoonlijk op de verhalen van medewerkers in Roemenië. 'Wat jullie zeggen over het Roemeense minimumloon is correct', klinkt het. 'Maar naast dat basisloon betalen wij toeslagen die oplopen van 36 tot 60 procent netto.' De extra's bestaan uit maaltijdcheques, transportvergoedingen en productiviteitsbonussen. De bonussen bedragen tussen 12 en 52 euro en worden betaald wanneer de targets worden gehaald. En dat gebeurt volgens Vervaecke zeer regelmatig. 'Targets moeten ambitieus zijn maar wel haalbaar, anders werken ze demotiverend.' Het lage minimumloon is overigens niet de hoofdreden waarom Sioen zich in Roemenië heeft gevestigd. 'We hadden goedkopere landen kunnen vinden dan Roemenië. Correcte kwaliteit en een relatief korte levertermijn, dat is waarom we Siorom hebben', zegt Vervaecke. Sioen wil naar eigen zeggen behoorlijke lonen betalen, maar dat is door de concurrentie niet eenvoudig. 'We opereren in een wereldmarkt en moeten wedijveren met Aziatische landen die tegen stukloon werken', aldus Vervaecke. 'De meesten van onze concurrenten werken met onderaannemers en hebben geen zicht op hun leveringsketen. Wij doen niet aan onderaanneming, ook al zou dat gemakkelijker zijn', vult Verbeke aan. 'In Roemenië stijgen de lonen tussen de 7 en 10 procent per jaar, terwijl die hogere kosten niet te recupereren zijn door een rendementsstijging. Dat is een probleem voor ons, omdat we dat moeilijk kunnen doorrekenen in aanbestedingen, waarbij prijs een van de belangrijkste elementen is, en omdat de loonkosten in onze niche doorslaggevend zijn. Het heeft geen zin om de lonen nog meer op te trekken als we de fabriek daarna moeten sluiten omdat ze niet rendabel is.' De verhalen over armoede in Roemenië nuanceren Vervaecke en Verbeke. 'Ook in België is er armoede, ook hier zijn er mensen die bijklussen, en ook hier zien we werknemers die in een procedure van loonbeslag zitten. Is het probleem in Roemenië echt groter?' Wanneer we tegenwerpen dat hun medewerkers in Roemenië moeten bijklussen om in hun basisbehoeften te kunnen voorzien, luidt het antwoord: 'Wat zijn basisbehoeften en wat zijn extra's? De Roemenen hebben ook hun consumptiegedrag. Ze willen ook allemaal een iPhone. Bovendien hebben ze vaak inwonende ouders en grootouders, waardoor ze meer kosten hebben.' 'Een groot deel van onze werknemers wil, naast het werk bij Motexco, ook actief blijven in onder meer de familiale landbouw', zegt Seyntex in een schriftelijke reactie. 'We houden rekening met die bijzondere omstandigheden. Zo zijn op verzoek van de werknemers de arbeidsuren aangepast om de combinatie met hun eigen activiteiten mogelijk te maken.' Seyntex beweert dat 95 procent van de werknemers in de Roemeense fabriek gemiddeld 8 procent meer verdient dan het wettelijke minimum. Het bedrijf bevestigt dat maaltijdcheques bij Motexco aan productiequota en gerealiseerde prestaties worden gekoppeld, 'om de medewerkers extra te belonen boven op hun loon'. Ze krijgen iedere maand minimaal vijf maaltijdcheques, aldus het bedrijf. Afhankelijk van de behaalde doelstellingen ontvangen ze er 5 tot 20. In november 2019 werd de digitale maaltijdkaart ingevoerd; sindsdien zijn er geen papieren maaltijdcheques meer uitgedeeld. Dat de opgelegde quota onhaalbaar zouden zijn, spreken ze bij Seyntex tegen. 'Het gebeurt zelden dat medewerkers ze niet halen, en de targets zijn in samenspraak met de verantwoordelijken per afdeling opgesteld. We hebben daar nog nooit discussies over gehad of klachten over gekregen.' Volgens Florentina, en ook volgens het rapport van Corina Ajder, is er bij Motexco nochtans gestaakt in maart 2018, uitgerekend vanwege die maaltijdcheques. Opvallend is ook dat geen van de arbeidsters die wijzelf of Ajder spraken het systeem begreep zoals het hierboven wordt uitgelegd. Uit de gesprekken bleek vooral dat er bij hen onduidelijkheid heerst en frustratie bestaat: over het feit dat ze geen maaltijdcheque per gewerkte dag verdienen, en over het feit dat iedere afdeling een ander aantal cheques krijgt. Een Roemeense advocaat gespecialiseerd in arbeidsrecht bevestigt dat de manier waarop Motexco met de maaltijdcheques omgaat ongebruikelijk is in Roemenië, waar net als bij ons één cheque per gewerkte dag de norm is. Ook de vraag naar de verantwoordelijkheid van de overheid dringt zich op. Hebben overheden, die aankopen doen met belastinggeld, dan geen voorbeeldfunctie? 'In de recente Europese regelgeving is er behoorlijk wat aandacht voor duurzaamheid en sociale kwesties bij de toekenning van overheidsopdrachten', zegt Steven Van Garsse, hoogleraar bestuurs- en publiekrecht aan de Universiteit Hasselt en specialist in overheidsopdrachten. 'De Europese regels zeggen expliciet dat de prijs niet het enige selectiecriterium hoeft te zijn, en de Belgische wet op de overheidsopdrachten van 2016 bevat voldoende mechanismen om aanbestedingen te verduurzamen. Helaas worden overheidsopdrachten, vooral op federaal niveau, nog vaak toegekend aan de goedkoopste aanbieder. Uit budgettaire overwegingen of uit gemakzucht. Het is nu eenmaal gemakkelijker een oud bestek uit de lade te halen en wat aan te passen dan een nieuw bestek te schrijven. Maar prijsverschillen komen altijd ergens vandaan, en te veel druk op de prijzen heeft sowieso een pervers effect. Het probleem is dat men meestal pas wakker wordt wanneer mistoestanden de pers halen. Er is behoefte aan meer controle, sanctionering en bewustwording.' Ook bij Sioen zouden ze het graag anders zien. 'Voor ons zou het beter zijn als er minder op prijs werd gespeeld, dat zou ons meer ademruimte geven voor de lonen', zegt Bart Vervaecke. Sara Ceustermans van de Schone Kleren Campagne, een coalitie van tien ngo's, vakbonden en consumentenorganisaties die de arbeidstomstandigheden in de textielsector wereldwijd willen verbeteren, vindt dat de Belgische overheid bij de omzetting van de Europese richtlijn nogal minimalistisch te werk is gegaan. 'Bij openbare aanbestedingen rekening houden met sociale factoren zou verplicht moeten worden. Sociaal verantwoorde openbare aanbestedingen kunnen een enorme hefboom zijn om de arbeidsomstandigheden in de hele textielsector wereldwijd te verbeteren.' De Schone Kleren Campagne wil nog verder gaan. 'Bedrijven zouden er op Europees niveau toe verplicht moeten worden om de mensenrechten in hun ketens te respecteren. Een leefbaar loon maakt daar deel van uit.' De verhalen van de Roemeense arbeidsters tonen in ieder geval aan dat de intentie van de Europese Commissie om de laagste minimumlonen in de EU op te trekken een antwoord is op een reëel probleem. Na twee overlegrondes met Europese vakbonden en werkgeversorganisaties, een in januari en een in juni, hebben de sociale partners tot begin september de tijd gekregen om na te denken over instrumenten die kunnen leiden tot faire minimumlonen in iedere lidstaat van de Unie. Pas na overleg met de sociale partners zal de Commissie met een concreet voorstel komen. Het is dan nog de vraag of de lidstaten bereid zullen zijn om een deel van hun soevereiniteit op het vlak van arbeidsmarkt en loonbeleid op te geven. Het initiatief komt voor professor Marco Rocca niets te vroeg. 'Het hoogste minimumloon binnen de EU is zeven à acht keer zo hoog als het laagste. Ook als je rekening houdt met de verschillen in kosten van het levensonderhoud blijft dat een enorme kloof. Ze werkt de sociale dumping binnen de EU in de hand.'