Vroeger werd ik makkelijk door schaamte overvallen, al deed ik niets bijzonders. Een volle vergaderzaal binnenstappen kon volstaan. Van zulke timiditeit ben ik gelukkig verlost. Want schaamte is een droevig gevoel. Je bloost, schuifelt, stottert. Je wendt de blik af, wil door de grond zakken, verdwijnen.
...

Vroeger werd ik makkelijk door schaamte overvallen, al deed ik niets bijzonders. Een volle vergaderzaal binnenstappen kon volstaan. Van zulke timiditeit ben ik gelukkig verlost. Want schaamte is een droevig gevoel. Je bloost, schuifelt, stottert. Je wendt de blik af, wil door de grond zakken, verdwijnen. In Les passions de l'âme schrijft René Descartes dat de schaamte een gebrek aan eigenliefde is. Je denkt dat je tekortschiet, je bent niet wie je zou willen zijn, tegenover jezelf of anderen. Je verbeelding speelt je parten: je kijkt veroordelend naar jezelf, en je gelooft dat anderen dat ook doen. Al is het waarschijnlijker dat die anderen niets denken. Volgens Descartes zijn uitsluitend bescheiden mensen vatbaar voor gêne. Wie aan zelfoverschatting lijdt, kan zich niet voorstellen dat iemand kritiek zou hebben. Dat is onrechtvaardig aan schaamte: de meest onbesuisde opscheppers hebben er geen last van. Schaamte kan op schuld lijken, maar ze is wat anders. Bij schuld ga je gebukt onder een bezwaard geweten, omdat je iets schandelijks hebt gedaan of verlangd. Maar je kunt je generen voor iets waar je niets aan kunt doen. Tieners kunnen zich ongemakkelijk voelen wanneer hun ouders hen afhalen aan de schoolpoort, bijvoorbeeld. Je kunt je zelfs schamen over iets waar een ander schuld aan heeft. Dat overkomt slachtoffers van geweld. Naast de verwondingen is er nog een kwetsuur: de schaamte haalt ook de zelfwaarde van slachtoffers onderuit. Bij verkrachting vrezen veel slachtoffers dat zij er verantwoordelijk voor zullen worden gehouden. Ook bij kindermisbruik speelt dat mechanisme: perverse daders praten hun slachtoffers schaamte aan, en ontlopen zo hun eigen verantwoordelijkheid. Schaamte verkleint niet alleen, ze isoleert ook: ze verhindert dat je naar buiten komt en hulp zoekt. Toch wordt schaamte vaak als een deugd gezien. Het klopt wel dat die emotie een sociale functie heeft: een samenleving vol met schaamteloze mensen wordt onleefbaar. Maar de echte deugd lijkt me eerder schroom te zijn. Bij schroom weerhoud je jezelf ervan om iets te doen. In Pudeur et intimité definieert Eric Fiat haar als 'l'esprit qui rougit du corps' - de geest bloost vanwege het lichaam. Je ervaart een innerlijk conflict tussen wat je verlangt en wat je van jezelf wilt toelaten. Uit schroom stel je geen al te indringende vragen, bijvoorbeeld. Want je voelt empathie voor de ander, je denkt aan het effect van je daden. Schroom is een zelfbeheersing waarmee je een schaamte bij jezelf of bij de ander wilt voorkomen. Je verbergt dus iets van jezelf, maar zonder kwaadwilligheid. Anders ben je niet bedeesd, maar heimelijk. Schroom laat zich niet opleggen, want in dat geval wordt ze onoprecht. Zo eisen schijnbaar vrome mannen soms dat vrouwen preuts rondlopen en hun lichaam bedekken. Maar dan gedragen zulke mannen zich schaamteloos, niet de vrouwen die weigeren op hun eisen in te gaan. Schroom verschilt ook van de koketterie, de kunst om iets te verbergen opdat je het des te meer zou kunnen tonen. Vandaag de dag kun je jezelf mateloos etaleren via sociale media. Facebook en Instagram hebben met schroom niets te maken. Daarom is die deugd ontzettend relevant: opdat mensen zelf op de rem staan en niet elk detail of elke ingeving openbaar maken. Die remming helpt ook bij ander gedrag. Schaamte mag dan wel een achtervoegsel zijn geworden voor ecologisch belastende gewoonten, zoals vliegschaamte of vleesschaamte. Maar mensen die zich schamen, veranderen hun gedrag daarom nog niet ten goede. De wereld heeft meer baat bij schroom: een terughoudendheid uit achting en aandacht voor jezelf en voor anderen. Kortom, schaamte beschouw ik als een droefheid, schaamteloosheid als een plaag en schroom als een deugd.