Afgaande op de vele mediaberichten zou u het niet zeggen, maar het is lang niet alleen maar kommer en kwel in de Belgische economie. Soms presteren we beter dan gedacht en hier en daar behoren we tot de Europese of zelfs wereldtop. Acht experts zetten onze beste financieel-economische prestaties in de verf.
Wim Van Lancker: ‘Onze levensstandaard ligt hoger dan in de meeste Europese landen’

‘De levensstandaard van de meeste Belgen is van een hoog niveau. Op vele vlakken is die beter dan in onze buurlanden en zelfs dan in Scandinavische landen die tot voor enkele jaren nog als gidsland golden’, zegt socioloog Wim Van Lancker (KU Leuven). ‘Neem het aantal huishoudens dat geen gezondheidszorg kan betalen: bij ons gaat het om 2,5 procent van de gezinnen, in Frankrijk om 4,5 procent, in Denemarken en Zweden om 3,9 procent en in Finland zelfs om 12,4 procent.’
In ons land kan 22 procent van de huishoudens zich geen onverwachte uitgaven veroorloven, stelt Van Lancker. ‘Dat is een vijfde van de bevolking en dus veel. Maar in vergelijking met andere landen is dat relatief weinig. We scoren hier even goed als Zweden en Noorwegen, en veel beter dan Frankrijk, waar bijna 30 procent geen onverwachte uitgaven kan doen. Dat is ook het Europese gemiddelde.’
Van Lancker trekt nog een laatste blik cijfers open: ‘In België worstelt 4 procent van de gezinnen met achterstallige betalingen, in Duitsland, Denemarken en Zweden 7 procent, Noorwegen 8 procent en Finland zelfs 11 procent.’
Welke indicator je ook neemt, steeds zie je hetzelfde beeld: de levensstandaard in België ligt erg hoog. ‘En dat geldt zowel voor de kortgeschoolden als voor de hooggeschoolden,’ zegt Van Lancker, ‘terwijl er in de meeste andere Europese landen voor de welvaartsindicatoren wel een duidelijke kloof in de samenleving bestaat.’
België heeft van oudsher een zeer brede, stabiele middenklasse, verduidelijkt Van Lancker. ‘In heel wat Europese landen is de middenklasse kleiner geworden en zie je meer polarisatie: je hebt meer mensen aan de top én aan de onderkant van de samenleving. Daarmee vergeleken is ons land een baken van stabiliteit.’
Ook de levenstevredenheid ligt bij ons hoog, geeft Van Lancker aan. ‘Als je de mensen dat zelf laat inschatten, scoren we hoger dan de Fransen, Duitsers of Zweden. Onze levensstandaard en levenstevredenheid liggen hoger dan in de meeste landen waarmee we ons doorgaans graag vergelijken.’
Geert Langenus: ‘Onze economie is een voorbeeld van rustige vastheid’

‘Als je de alarmistische berichten in de media leest, lijkt het wel of onze economie op instorten staat’, zegt macro-econoom Geert Langenus van de Nationale Bank van België. ‘Maar dat is niet zo. Onze economie bleef in 2025 vrij robuust en veerkrachtig, met een licht herstel van de industrie.’
Onze economie groeide dit jaar afgerond met 1 procent. ‘We doen het minder goed dan Spanje,’ zegt Langenus, ‘waar de groei rond de 3 procent lag, maar duidelijk veel beter dan Duitsland, waar de economie bijna stagneerde. We denken dat de economische groei in ons land ook de volgende jaren rond de 1 procent zal bedragen.’
Het is zeker geen goednieuwsshow, stelt Langenus. ’Een wat sterkere groei zou beter zijn om alle toekomstige uitdagingen aan te gaan. Maar de Belgische economie blijft wel groeien, ondanks de vele schokken, zoals de oorlog in Oekraïne of het Amerikaanse beleid, dat ingaat tegen de economische consensus en allerlei afspraken op de helling zet. We vangen die schokken vrij goed op. Onze economie wordt niet helemaal uit koers geslagen.’
Hoe komt het dat onze economie meer groeit dan die van Duitsland? Langenus: ‘Als het in de wereld economisch wat slechter gaat, hebben wij allerlei mechanismen om die schokken op te vangen, zoals de automatische loonindexering. Onze gezinnen zijn gemiddeld ook relatief rijk en onze vastgoedprijzen zijn niet zo volatiel als elders. De keerzijde van de medaille is wel dat als het economisch goed gaat, de Belgische economie juist wat minder hoog opveert. Onze economie is een voorbeeld van rustige vastheid.’
Ive Marx: ‘De armoede is bij ons spectaculair gedaald’

‘Onze economische groei is de laatste jaren niet slecht, zeker in vergelijking met een land als Duitsland, maar we blinken vooral uit in het feit dat die groei ook ten bate komt van de meeste gezinnen’, zegt econoom Ive Marx (UAntwerpen). ‘België en zeker Vlaanderen scoort zeer goed qua inclusieve groei: de algemene welvaart neemt toe én de voordelen daarvan worden gelijkmatig verdeeld over de bevolking.’
Volgens Marx hebben we hoge private vermogens. ‘Netto beschikken de Belgen over 1300 miljard euro, wat neerkomt op 118.700 euro per Belg en dat is best veel. Natuurlijk heeft niet iedere landgenoot evenveel, maar het is toch vrij gelijk verdeeld. Een doorsnee huishouden uit de middenklasse heeft een vrij groot vermogen. Of het nu gaat over loon-, inkomens- of vermogensongelijkheid, telkens behoort die bij ons tot de laagste van de wereld.’
Marx: ‘De armoede is in België de voorbije jaren ook spectaculair gedaald. In 2019 leefde 15 procent van onze bevolking onder de armoedegrens, nu heeft 11,5 procent een inkomen dat te laag is om behoorlijk van te leven. Dat betekent dat 350.000 mensen in die periode uit de armoede zijn getild. Dat is ronduit spectaculair, nergens in Europa daalde de inkomensarmoede zo sterk.’
Hoe kwam dat? ‘Door een samenloop van omstandigheden’, zegt Marx. ‘Tijdens de coronapandemie en de energiecrisis heeft de overheid veel geld uitgegeven aan steunmaatregelen om de koopkracht te behouden. Maar er waren ook structurele maatregelen van de regering-De Croo, met de verhoging van uitkeringen en minimumlonen. Ook onze loonnormwet, die bepaalt hoeveel onze lonen mogen stijgen, speelt een rol: de lonen zijn daardoor niet zo fel gestegen als ze zouden kunnen stijgen met een goed draaiende economie, terwijl de uitkeringen wel feller stegen. Het is natuurlijk uitkijken wat er met de armoedecijfers gebeurt onder de regering-De Wever. Die heeft de minimumlonen verhoogd maar een rem gezet op de verhoging van de uitkeringen. Maar het blijft een feit dat we op Tsjechië na vandaag de laagste armoedegraad in Europa hebben.’
Willem Sas: ‘Onze productiviteit neemt weer toe’

‘In België wordt veel efficiënter gewerkt dan vaak wordt gedacht’, zegt econoom Willem Sas (Universiteit Hasselt). ‘Onze werkweken van zo’n 38 uur zijn niet uitzonderlijk kort en ook niet overdreven lang, maar in die tijd creëren we veel waarde. We produceren per uur aanzienlijk meer dan het Europese gemiddelde, en zelfs meer dan in de Verenigde Staten. Het gevolg is dat we meer vrije tijd of vakantie hebben om ook iets te doen met het geld dat we verdienen.’
De economische welvaart van een land wordt uitgedrukt in het bruto binnenlands product (bbp), de totale waarde aan goederen en diensten die in een jaar worden geproduceerd. Sas: ‘België heeft een bbp van 662 miljard dollar, waarmee we op plaats 24 in de wereld staan. Maar het bbp zegt niet veel, want doorgaans heeft een land met meer inwoners ook een hoger bbp. Daarom kun je beter kijken naar het bbp per inwoner en dan klimt België naar de 15e plaats, met een bbp per hoofd van 53.500 dollar.’
Om landen echt goed te kunnen vergelijken, stelt Sas, ‘moet je ook rekening houden met de lokale prijzen en met het aantal gewerkte uren. En dan zie je dat België het zeer goed doet. The Economist heeft de ranglijst recent nog eens opgemaakt en dan blijkt België op de vierde plaats ter wereld te staan, alleen voorafgegaan door Noorwegen, Luxemburg en Qatar. Zweden staat op 10, Nederland op 11, Duitsland op 12, Frankrijk op 14, Finland op 17.’
Volgens Sas is België altijd al een productief land geweest. ‘Samen met Nederland, Denemarken en Zwitserland produceren we het meest in het kleinste aantal gewerkte uren. Even is het wat minder gegaan met onze productiviteit, maar uit het net verschenen rapport van de Nationale Raad voor de Productiviteit blijkt dat ze in de meeste sectoren weer toeneemt en dat is natuurlijk goed nieuws.’
Gert Peersman: ‘We staan aan de top met investeringen in onderzoek en ontwikkeling’

‘De meest hoopgevende evolutie in ons land is voor mij dat we de voorbije jaren internationaal aan de top stonden met onze investeringen in onderzoek en ontwikkeling.’ Econoom Gert Peersman (UGent) haalt er de recentste cijfers bij: ‘In 2024 gaven we 3,36 procent van ons bbp aan onderzoek en ontwikkeling. Alleen Zweden besteedde met 3,57 procent in Europa daar nog meer aan. Het Europese gemiddelde is 2,3 procent, we besteden dus de helft meer. Wereldwijd gezien doen alleen Israël, de Verenigde Staten, Zweden en Zuid-Korea het beter dan België.’
Peersman wijst ook op de positieve evolutie: ‘Rond de eeuwwisseling gaven we maar 1,9 procent van ons bbp uit aan onderzoek en ontwikkeling, maar sindsdien is dat gestaag gestegen. Ter vergelijking: het gemiddelde in de Europese Unie was rond de eeuwwisseling ongeveer hetzelfde als bij ons, en is sindsdien nauwelijks gestegen.’
Onze overheid zit in de Europese middenmoot met het investeren in onderzoek en ontwikkeling. ‘De grote inspanning komt van de privébedrijven,’ zegt Peersman, ‘gesteund door het beleid van lagere loonlasten voor mensen die aan onderzoek en ontwikkeling doen en Vlaamse subsidies. Veel van dat onderzoek in ontwikkeling gebeurt bij ons in de chemie en de farmacie, maar het zit toch echt wel breder.’
We trekken dus veel geld uit voor onderzoek en ontwikkeling en dat zal zich vroeg of laat vertalen in een hogere productiviteitsgroei. ‘We zullen met minder middelen meer produceren en dat is cruciaal voor onze welvaart’, besluit Peersman.
Selien De Schryder: ‘Onze leningen tegen vast rentetarief zorgen voor financiële stabiliteit’

‘De voorbije jaren is de rente gestegen, dus ook de rente op hypotheekleningen. In heel veel landen, niet alleen in Europa maar wereldwijd, heeft dat voor veel stress gezorgd’, stelt econome Selien De Schryder (UGent). ‘In veel landen lenen mensen voor de aankoop van een huis of appartement vaak tegen een variabele rentevoet: stijgt de rente, dan stijgt ook de rente van hun hypotheeklening en moeten ze meer afbetalen. In België is dat anders. Al meer dan twintig jaar lenen huishoudens bij ons overwegend tegen een vaste rentevoet: zodra de lening is afgesloten blijf je lenen tegen een vaste rente, met als gevolg dat we in ons land minder getroffen worden door de stijgende rente.’
De Schryder haalt er de cijfers bij: vorig jaar werd bijna 90 procent van de leningen afgesloten met een volledig vaste rentevoet en nog eens 6 procent met een rentevoet die tien jaar vast lag. De rest was met een variabele rentevoet. In Duitsland had 11 procent van de leningen een jaarlijks herzienbare rentevoet, in Nederland 16 procent, in Zweden zelfs 85 procent en Noorwegen 97 procent.
‘Het is echt goed nieuws voor onze economie dat de huizenmarkt daardoor wordt gestabiliseerd’, vervolgt De Schryder. ‘Als de rente stijgt, hoeven de mensen bij ons niet te beknibbelen op consumptie of investeringen om hun lening te kunnen aflossen. In landen met veel leningen met variabele rentevoeten komen heel wat mensen bij een stijgende rente in de financiële problemen, waardoor banken te maken krijgen met wanbetalers en de vastgoedmarkt in een crisis kan terechtkomen. Onze leningen tegen een vast rentetarief zorgen voor grote financiële stabiliteit, voor de mensen, voor de banken, voor de hele economie.’
Sarah Vansteenkiste: ‘We hebben een grote sprong gemaakt in de werkzaamheidsgraad’

‘Zowel de federale als de Vlaamse regering heeft een werkzaamheidsgraad van 80 procent naar voren geschoven’, vertelt Sarah Vansteenkiste, directeur van Steunpunt Werk (KU Leuven). ‘Het streefdoel is dat tachtig op de honderd mensen tussen 20 en 64 jaar aan de slag zijn. We zijn daar nog niet, maar we hebben de voorbije jaren wel een spectaculaire sprong gemaakt. In 2017 haalden 37 steden en gemeenten in ons land die 80 procent werkzaamheidsgraad, in 2023 waren er dat 152. Dat goede nieuws blijft onderbelicht.’
Streven naar een werkzaamheidsgraad van 80 procent is belangrijk: meer werkende mensen zorgen voor meer economische groei en meer belastinginkomsten. Zo verstevigt de financiële basis voor investeringen in bijvoorbeeld het onderwijs, de gezondheidszorg, de welzijnssector of de klimaattransitie. Op het niveau van individuen en huishoudens zorgt betaald werk voor koopkracht, de opbouw van sociale rechten en bestaanszekerheid en biedt het kansen op zelfontplooiing, sociale integratie en zingeving.
De groei van de werkzaamheidsgraad heeft zeker te maken met de conjunctuur die sinds 2017 aantrekt, maar ook met het gevoerde beleid, dat erop gericht is mensen lokaal te helpen om geschikt werk te vinden.
De mooie groei van het aantal steden en gemeenten met 80 procent werkzaamheid is vooral een Vlaams verhaal, betoogt Vansteenkiste: ‘In Wallonië haalde in 2017 alleen Amel, een Duitstalige gemeente in de provincie Luik, 80 procent werkzaamheidsgraad. Die vrij spectaculaire sprong zien we dus vooral in Vlaanderen, al zijn ook daar nog grote lokale verschillen. Steden en gemeenten in West- en Oost-Vlaanderen doen het bijzonder goed, de centrumsteden en steden en gemeenten in Limburg blijven wat achter.’
Stijn Baert: ‘De loonongelijkheid tussen mannen en vrouwen ligt lager dan in bijna alle andere Europese landen’

‘In ons land is er amper nog een loonkloof tussen mannen en vrouwen’, zegt arbeidseconoom Stijn Baert (UGent). ‘Die kloof is de laatste jaren sterk verminderd, waardoor we op dat vlak nu veel beter presteren dan de meeste andere Europese landen.’
Baert snort de cijfers op: ‘In 2010 verdienden vrouwen in ons land gemiddeld 10 procent minder dan mannen. In 2019 was dat gedaald tot 6 procent en volgens de laatste gegevens verdienen vrouwen gemiddeld 0,7 procent minder per uur dan hun mannelijke collega’s. Vergelijk dat even met het Europese gemiddelde: in 2010 bedroeg de loonkloof 16 procent, in 2019 14 procent en nu nog steeds 12 procent. We hebben in België dus een fenomenale weg afgelegd. De loonongelijkheid tussen mannen en vrouwen ligt lager dan in bijna alle andere Europese landen. Alleen Luxemburg heeft een kleinere loonkloof.’
Voor hem hoeft een loonverschil tussen mannen en vrouwen niet volledig te verdwijnen, zegt Baert. ‘Een deel van de verschillen is het gevolg van individuele keuzes, zoals de sector of functie waarvoor men kiest, waarbij bepaalde jobs nu eenmaal beter betaald worden dan andere. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat vrouwen gemiddeld minder vaak dan mannen de competitie aangaan voor hoogbetaalde functies. Als die factoren leiden tot iets lagere lonen voor vrouwen, zie ik dat niet als problematisch. Omgekeerd zou een loonkloof die mannen benadeelt — bijvoorbeeld doordat vrouwen gemiddeld hoger opgeleid zijn of vaker in lucratieve sectoren werken — wat mij betreft zelfs een positieve evolutie zijn.’