Was het Jan De Meulemeester, journalist bij Kanaal Z, die als eerste de vinger op de wonde legde? Op 19 juli, vijf dagen na de eerste overstromingsramp in Wallonië, tweette hij: 'Weetje. Zolang de regendruppel in de lucht hangt, is de regendruppel federaal. Eens op de grond is de regendruppel regionaal. Een regenstorm is federaal, de overstroming van dien regionaal.'
...

Was het Jan De Meulemeester, journalist bij Kanaal Z, die als eerste de vinger op de wonde legde? Op 19 juli, vijf dagen na de eerste overstromingsramp in Wallonië, tweette hij: 'Weetje. Zolang de regendruppel in de lucht hangt, is de regendruppel federaal. Eens op de grond is de regendruppel regionaal. Een regenstorm is federaal, de overstroming van dien regionaal.' Het klonk absurd en cynisch, maar zo zit dit land inderdaad in elkaar. De gevolgen waren dramatisch, zeker in het oosten van de provincie Luik. Ongeziene stortregens leidden er tot overstromingen en regelrechte tsunami's. Wie zich niet tijdig uit de voeten maakte, moest vechten voor zijn leven. In Hamoir weigerde een 72-jarige vrouw te verhuizen naar de noodopvang. Ze werd een paar dagen later verdronken teruggevonden, een kruisbeeld in haar armen geklemd: de Voorzienigheid had haar niet kunnen redden. Maar hoe (weinig) voorzienig waren ambtenaren de dagen voordien geweest in hun kantoren in Brussel, Ukkel, Namen en Luik? Als het verhaal van de Waalse overstromingen ergens moet beginnen, dan op maandag 12 juli. Die dag liet het European Flood Awareness System (EFAS) in een 'informele nota' aan de Waalse administratie weten dat er een grote kans was dat zware neerslag het debiet van de Ourthe dreigde op te stuwen tot een gevaarlijk niveau dat maar één keer om de twintig jaar voorkomt. Nog geen uur later zond het Koninklijk Meteorologisch Instituut (KMI) een waarschuwing ('code geel') uit voor het hele land. Daarop kwamen ook andere overheidsdiensten in actie. De Direction de la Gestion hydrologique, die in Wallonië waterlopen, stuwdammen en dergelijke beheert, waarschuwde maandagmiddag al het (Waalse) Crisiscentrum. Kort na drieën diezelfde dag kregen de vijf Waalse hulpverleningszones en de vijf gouverneurs te horen dat de regenval 'des conséquences significatives' kon hebben. Om grote rampen (overstromingen, branden, chemische ongelukken) te bestrijden, bestaan er in dit land vooraf uitgetekende 'rampenplannen'. Die zijn provinciaal georganiseerd, met de gouverneur als coördinerende figuur. Sinds een aantal jaren kan hij een beroep doen op sterke, regionaal georganiseerde hulpverleningszones. Toen Jan Jambon (N-VA) minister van Binnenlandse Zaken was, kregen die zones veel oude taken van de Civiele Bescherming toegewezen. Ondanks de kritiek die Jambon de laatste dagen kreeg omdat hij de Civiele Bescherming toen heeft afgebouwd, vindt Kamerlid Jan Briers (CD&V) dat een uitstekende hervorming: 'De crisisbestrijding gebeurt nu door mensen die van nabij het terrein kennen.' Briers is ervan overtuigd dat de structuur van de hulpverlening in principe goed zit. Hij is zelf oud-gouverneur van Oost-Vlaanderen (2013-2018) en moest in mei 2013 het Oost-Vlaamse rampenplan coördineren na de beruchte treinramp in Wetteren. Briers: 'Toen heb ik ervaren dat wij gelukkig over uitstekende rampenplannen beschikken. Als er iets fout loopt, kan de bestrijding van de ramp in handen genomen worden door lokale bestuurders. Dat is een sterk punt in ons systeem.' Tegelijk heeft die provinciale aanpak ook een ingebakken zwakte: in België is de functie van gouverneur te vaak een troostprijs of een uitweg voor een (middelmatig) politicus - Briers zelf was een uitzondering op die regel. In 2015 voldeed Hervé Jamar (MR) bijvoorbeeld niet als federaal minister van Begroting en parkeerde zijn partij hem als gouverneur van Luik. Toen halfweg juli de waterellende begon, zat Jamar in het buitenland. Zo begon het drama: met rampenplannen die de echte crashtest nog moesten doorstaan. In een opmerkelijke reconstructie van de waterramp diepte Le Soir vorige week data op waaruit bleek dat in het zwaar getroffen oosten van de provincie Luik een regenval werd genoteerd die slechts één keer in de tweehonderd jaar voorkomt. Dinsdag 13 juli werden de voorlopige vooruitzichten van maandag bevestigd en zelfs overschreden - vandaar dat er nieuwe waarschuwingen werden uitgezonden en het dreigingsniveau van 'geel' veranderde naar 'oranje'. Bij het KMI steeg de ongerustheid: de diverse berekeningsmodellen kwamen allemaal tot uiteenlopende voorspellingen. Eén rekenmodel leek een soort zondvloed te voorspellen - wat 48 uur later helaas bewaarheid zou worden. Maar die voorspelling werd tegengesproken door andere cijfers. Dat er plaatselijk ongewoon veel neerslag zou vallen, was wel zeker. Maar hoeveel? Toen VTM- en RTL-weerman David Dehenauw, hoofd van de Wetenschappelijke Dienst Weersvoorspellingen van het KMI, dinsdag uiteindelijk wilde afkloppen 'op een te verwachten neerslag van 150 millimeter en plaatselijk zelfs méér', kreeg hij van zijn directeur de verbaasde vraag of er geen tikfout in zijn cijfers was geslopen, zo ongelofelijk klonk die voorspelling. Zo veel regen - 150 liter per vierkante meter - valt er normaal in twee maanden, niet in twee dagen. En opeens was het zover. In de vroege ochtend van woensdag 14 juli werd in alle spoed 'code rood' afgekondigd. Het land lag nog in zijn bed, maar het water viel al bij bakken uit de hemel. In een mum van tijd liep het debiet van de Vesder in Pepinster op tot 800 kubieke meter per seconde - het tot dan opgemeten record (uit 1998) bedroeg 'amper' 275 kubieke meter. Het feit dat de weervoorspellingsmodellen tilt draaiden, zou best het gevolg kunnen zijn van de klimaatverandering en de opwarming van de aarde. Als zich een fenomeen voordoet dat nog nooit werd vastgesteld, draaien de logaritmes dol, want zij halen hun kracht precies uit het analyseren van opgeslagen data uit het verleden. Maar je hoeft geen klimaatscepticus te zijn om in te zien dat het niet om het klimaat alleen gaat. In een vrije tribune in De Morgen legde de Leuvense geograaf Manuel Sintubin het helder uit: 'Een natuurramp is het resultaat van een mix van een potentieel gevaarlijk natuurfenomeen (hazard), een bevolking die hieraan kan worden blootgesteld (exposure), en de kwetsbaarheid van die bevolking voor dit natuurfenomeen (vulnerability). Als die drie samenkomen, kan een natuurfenomeen vervellen tot een natuurramp. Er is dan ook niets natuurlijks aan een natuurramp. Natuurrampen worden steeds door menselijk handelen veroorzaakt.' Wie die analyse aanvaardt, weet dat er gevraagd mag worden naar wie in juli mee verantwoordelijk was. Meteen na de overstromingen beschuldigde de Luikse professor en energiespecialist Damien Ernst de beheerders van de stuwdam van Eupen (het Waals Gewest) een 'kolossale fout' te hebben gemaakt, door niet vooraf water te hebben laten weglopen uit het stuwmeer. Toen het stuwmeer dreigde vol te lopen - met het apocalyptische risico dat op een bepaald moment de dam het zou begeven - is men toch extra water beginnen te lozen in een al overvolle Vesder. Die beschuldiging leidde tot een zware polemiek tussen voor- en tegenstanders van het voortijdig water lozen en zo kwam ook Philippe Henry (Ecolo), minister van Klimaat, Mobiliteit, Infrastructuur en Energie, in het oog van de storm. Hij beval een intern onderzoek - want stel maar eens dat er door nalatigheid van een paar ambtenaren tientallen doden zijn gevallen en talloze gemeenten zijn verwoest. Er werd ook een onderzoeksrechter aangesteld. Het afgelopen weekend gaf de Waalse overheid een rapport vrij dat haar van alle fouten vrijpleit, maar de uitleg was onvoldoende om alle twijfels weg te nemen. Wordt ongetwijfeld vervolgd. Op 25 juli, tien dagen na de zondvloed in de streek van Eupen en Verviers, kregen Dinant en Namen de volle laag: het leverde opnieuw hallucinante beelden op, met metershoog bruin rivierwater dat door de straten kolkte en auto's onder een metershoge modderlaag achterliet. Burgemeesters wezen op de oorzaak van die ellende, en opnieuw ging het om een nalatige overheid: het onderhoud van de plaatselijke wachtbekkens voor de opvang van overtollig water was al jaren verwaarloosd. Jan Briers merkt op dat ook Vlaanderen zijn infrastructuur niet naar behoren verzorgt. 'Dit land beschikt over een uitgebreide wetgeving die de burgers beschermt, maar niet de gemeenschap. Onze waterstand wordt geregeld door sluizencomplexen. Daarin wordt weliswaar geïnvesteerd, maar toch is het niet wat het zou moeten zijn. Ik blijf ongerust. Ook in Vlaanderen is een nieuwe watersnood niet uitgesloten.' Vanuit zijn ervaring als kabinetschef (1988-1991) en minister van Binnenlandse Zaken (1994-1998) is Johan Vande Lanotte (Vooruit) eerder sceptisch over de vraag of een overheid veel meer kan doen tegenover zo'n ongeziene ramp dan de voorbije weken is gebeurd: 'In theorie kun je je op alles voorbereiden. In de praktijk werkt het zo niet echt. Onze rampenplannen zijn voorzien op rampen die we al hebben meegemaakt. Het eerste wat men na een ramp doet, is kijken hoe die plannen kunnen worden aangepast voor de volgende keer. Zo'n overstroming hebben we nog nooit meegemaakt, dus waren we niet goed voorbereid. Een van de ergste rampen die ik heb meegemaakt, was de beruchte kettingbotsing op de E17 nabij Nazareth. Op 27 februari 1996 vielen er 10 doden, 56 zwaar- en 30 lichtgewonden. Het was het ergste verkeersongeluk in België ooit. Maar twee dagen later was die plek al opgeruimd en lag er een behapbaar aantal slachtoffers in het ziekenhuis. Nu moet de overheid voor vele duizenden mensen nog maanden en zelfs jaren nieuwe huisvesting vinden. Dat is in België nog nooit voorgekomen.' Urgentiearts Marc Sabbe (UZ Leuven), de voorzitter van de universitaire opleiding rampenmanagement, beaamt dat rampen nog te vaak worden voorbereid vanuit oude ervaringen. 'Meestal wordt er ook een voorraad hulpgoederen aangelegd die nuttig was om de laatste ramp te bestrijden, terwijl bij een volgende ramp iets helemaal anders nodig blijkt te zijn. In de kazernes van de Civiele Bescherming stonden tot voor kort vrachtwagens van twintig jaar oud die maar 2000 kilometer op de teller hadden staan. Het is soms belangrijk stocks aan te houden, maar het is nog belangrijker om de expertise te hebben om in noodsituaties aan het geschikte materiaal te kunnen komen. Bij buitenlandse missies liep dat vroeger soms ook mis. Ik herinner mij dat België bij een aardbeving in Armenië eens medicijnen gestuurd heeft, met bijsluiters in het Nederlands. Uiteindelijk hebben ze daar een put gegraven, die medicijnen er allemaal ingesmeten en die put weer dichtgegooid. De coördinatie die er vandaag internationaal wel is, ontbreekt nu nationaal.' Sabbe hoorde bij de experts die een rapport schreven voor de Bijzondere Kamercommissie covid-19, met aanbevelingen om grootschalige rampen beter aan te pakken. 'Eigenlijk is België in vergelijking met het buitenland best goed voorbereid op klassieke rampen zoals een grote brand. Alleen zijn complexe rampen zoals de coronacrisis of zware overstromingen van een totaal andere aard. In de coronacrisis moesten ministers soms een paar uur discussiëren over wie er verantwoordelijk was voor welke bevoegdheid. Tijdens een ramp kan dat echt niet. In onze staatsstructuur vindt een kat haar jongen niet terug. Er is eenheid in commando nodig: een centraal orgaan dat de leiding en de coördinatie op zich neemt.' Had minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden (CD&V) die boodschap begrepen? Op 15 juli kondigde ze in de Kamer aan dat de regering 'de federale fase' had afgekondigd: in de plaats van de gouverneurs zou het Nationaal Crisiscentrum de strijd tegen het water coördineren. Maar al op 26 juli kondigde diezelfde minister aan dat de federale fase voorbij was. Dat zou gebeurd zijn op verzoek van de Waalse minister-president Elio Di Rupo (PS). Hij richtte meteen een eigen 'commissariaat voor de Wederopbouw' op. Di Rupo had bovendien geen zin in een parlementaire onderzoekscommissie - dat was toen al een eis van de N-VA en het VB. 'Het was niet onze bedoeling om mensen uit het werkveld naar de Kamer te roepen op een moment dat alle handen nodig waren op het terrein. We willen in het najaar starten', zegt N-VA-fractieleider Peter De Roover. 'Maar nu stellen we vast dat minister Verlinden de federale rampenfase al ophief toen de acute nood echt nog niet voorbij was.' Kamerlid Yngvild Ingels (N-VA) bezocht vorige week met een konvooi het rampgebied. Zij was ontsteld over wat ze daar zag. 'In sommige gemeenten zijn de mensen echt in de steek gelaten. Dat is het rechtstreekse gevolg van de federale overheid die zich te snel heeft teruggetrokken. Vandaar dat de minister nu met een nieuwe federale ondersteuningscel komt. Daarover willen we haar minstens ondervragen, maar de meerderheid weigert daarvoor de commissie Binnenlandse Zaken bijeen te laten komen.' Ook die nieuwe ondersteuningscel verraadt een communautaire gevoeligheid: het federale niveau mag de regionale, provinciale en gemeentelijke niveaus in Wallonië ondersteunen, maar vooral niet leiden of coördineren. Toch is er veel voor zo'n eengemaakte leiding te zeggen. Sabbe: 'Politici moeten inzien dat de complexe rampen die op ons afkomen niet te managen zijn met tijdelijke structuren. Alle departementen en kabinetten moeten voorbereid zijn op de rampen waarmee zij te maken kunnen krijgen. Minister Verlinden laat vandaag de officieren van de Civiele Bescherming een inventaris opmaken van wat er nodig is aan hulp. Dat had al veel eerder gebeurd moeten zijn.' Johan Vande Lanotte zit op hetzelfde denkspoor: 'In Zwitserland kan men beslissen om een crisis aan te pakken op het federale niveau. Dat gebeurde tijdens de coronacrisis, hoewel volksgezondheid een bevoegdheid is van de kantons. In Duitsland kan dat niet: bondskanselier Angela Merkel moest blijven overleggen met de deelstaten. België zou het best ook zo'n Zwitsers systeem hebben: de Kamer zou met een tweederdemeerderheid kunnen beslissen om het crisisbeheer onder het commando van de federale overheid te brengen.' Behalve de officiële coördinatie van de rampenbestrijding was er ook een opvallende golf van spontane hulp, ook uit Vlaanderen. Vele duizenden vrijwilligers trokken naar Wallonië om te helpen, burgers maar ook bedrijven. Al snel kwamen er vragen. Het Rode Kruis kon de vele helpende handen niet altijd zinvol werk geven. Burgemeesters klaagden na een tijd over de kwaliteit van het voedsel: te weinig ontbijten, te vaak spaghetti, pizza en ander veredeld junkfood. Maar dat waren slechts 'klachten'. Zeker bij het reddingswerk deden zich ook enkele drama's voor. Ook Vlaamse brandweermannen lieten zich verrassen door de kracht van het water. In Pepinster kantelde bij een reddingsactie het bootje met daarin Gentse pompiers en oudere inwoners. Die verdronken daarop onder de ogen van hun redders. De kracht van het water in combinatie met de apocalyptische vervuiling - stenen, bomen, auto's, huisraad, kadavers - had iedereen met verstomming geslagen. 'Het zwakke punt van de noodplannen', zegt Briers, 'is dat er te weinig wordt geoefend. Zogenaamde sevesobedrijven (die werken met gevaarlijke chemische stoffen, nvdr) doen dat bijvoorbeeld wel. Maar in Wallonië en ook in Vlaanderen wordt er te weinig geoefend op grote schaal. Destijds bij de treinramp in Wetteren moesten wij 1500 mensen uit hun huis zetten: dat kun je eigenlijk alleen maar goed doen als je daarop hebt getraind. Maar ik ken geen enkele burgemeester die in het kader van een oefening rond een potentiële kernramp in Doel of een chemisch ongeluk in het havengebied een paar uur lang in een straal van tien kilometer alle wegen wil laten afzetten.' De getroffen bevolking in Wallonië merkt nu al wekenlang dat de hulp trager en minder goed op gang komt dan verhoopt, en dat maakt hen boos. Die woede haalt de media en zo verspreidt zich langzaam een groeiende ergernis over het land. Waar is de overheid, de regering? Het is een noodlottige samenloop van omstandigheden: deze natuurramp voltrok zich net in de weken dat de voltallige Wetstraat zich opmaakte voor de zomervakantie. Na de aanslepende regeringsformaties van 2019 en 2020, die overliepen in de slopende coronacrisis van 2020-'21, keken veel ministers, kabinetsmedewerkers, parlementsleden, topambtenaren én hun gezinnen uit naar de eerste 'zorgeloze' vakantie sinds 2018. Van premier Alexander De Croo (Open VLD) tot PVDA'er Raoul Hedebouw: iedereen vertrok de voorbije weken op vakantie. Vraag is of het verstandig was om, een beetje in een business-as-usualsfeertje, in populaire kranten de klassieke 'welke politicus neemt waar vakantie'-lijstjes af te drukken. Mensen met de voeten in het water en hun huis in puin moeten lezen aan welke warme kust de ene minister vertoeft en welke buitenlandse ruïnes een andere partijvoorzitter wil bezoeken. Twee kleine berichtjes van het voorbije weekend waren zo illustratief voor het gevoel van de afwezige overheid. Eén: een koppel uit Pepinster dat al een tijdje de kranten haalde omdat het al weken in een tent op een spoorwegberm leefde, had 'eindelijk een onderkomen'.Goed nieuws, behalve dat 'niet het OCMW of het Rode Kruis voor hen een hotelkamer heeft gereserveerd, maar de kleine vzw Brothers of Solidarity. Ze kunnen er zeker tot 17 augustus verblijven.' Waar was de overheid? Twee: minister van Defensie Ludivine Dedonder (PS) kondigde aan dat het leger 'vanaf vandaag zondag een bijkomende hulp start in Chaudfontaine en Pepinster met de installatie van veldkeukens'. Bijna een maand nadat in honderden straten en duizenden huizen het gas en de elektriciteit uitvielen, denkt men eraan om mensen te voorzien van een warme hap. Zo slaat de politiek in haar geheel telkens opnieuw een modderfiguur, ook al wordt er doorgaans hard gewerkt. Al zijn er nog altijd politici die blind blijven voor de groeiende mate van vervreemding tussen het bestuur en de burgers. Dan zegt een toppoliticus als Jean-Luc Crucke (MR), als minister van Financiën en Begroting een zwaargewicht in de Waalse regering, in een interview met De Standaard: 'Je kunt niet zeggen dat de politiek niets gedaan heeft na de watersnood.' Daarin heeft de minister honderd procent gelijk. De man in de (ondergelopen) straat denkt: dat had er nog aan gemankeerd.