Dat blijkt uit een onderzoek waaraan het gezondheidsinstituut Sciensano heeft meegewerkt en dat vrijdag aan bod kwam tijdens de persconferentie over de corona-epidemie.

Tijdens de studie van de Universiteit Antwerpen, l'Université de Liège en Sciensano worden huisartsen, en andere eerstelijnszorgverleners die in een huisartsenpraktijk werken, een jaar opgevolgd. Er wordt nagegaan hoeveel van hen antistoffen tegen het coronavirus ontwikkelen.

Een eerste testmoment vond plaats tussen 24 december 2020 en 8 januari 2021, dus nog voor de start van de vaccinatiecampagne. Daar bleek 15,1 procent van de eerstelijnszorgverleners antistoffen tegen SARS-CoV-2 te hebben aangemaakt. Er zijn wel duidelijke regionale verschillen. In Vlaanderen werd slechts bij 11,3 procent van de huisartsen antistoffen vastgesteld, in Brussel en Wallonië liep dat op naar respectievelijk 18,5 en 20,4 procent.

'Deze resultaten zijn vergelijkbaar met de bevindingen bij bloeddonoren in diezelfde periode', zegt viroloog Steven Van Gucht. Ook de regionale verschillen lopen gelijk. De bloeddonoren worden gezien als een indicator voor de volledige bevolking.

'Eerstelijnszorgverleners worden dus niet vaker besmet dan de algemene bevolking, ondanks het feit dat ze vaak in contact komen met besmette patiënten', stelt Van Gucht. 'Dit wijst erop dat ze goed beschermd zijn geweest, dankzij correct gebruik van mondmaskers en andere hygiënemaatregelen.'

Resultaten bij gezondheidswerkers in ziekenhuizen tonen aan dat daar in een iets latere periode, namelijk eind januari, 24 procent over antilichamen beschikte. 'In september, nog voor de tweede golf, bedroeg dit maar acht procent', aldus Van Gucht. 'We zien een duidelijke stijging, maar die volgt opnieuw het patroon dat we zien bij de algemene bevolking.

Dat blijkt uit een onderzoek waaraan het gezondheidsinstituut Sciensano heeft meegewerkt en dat vrijdag aan bod kwam tijdens de persconferentie over de corona-epidemie.Tijdens de studie van de Universiteit Antwerpen, l'Université de Liège en Sciensano worden huisartsen, en andere eerstelijnszorgverleners die in een huisartsenpraktijk werken, een jaar opgevolgd. Er wordt nagegaan hoeveel van hen antistoffen tegen het coronavirus ontwikkelen. Een eerste testmoment vond plaats tussen 24 december 2020 en 8 januari 2021, dus nog voor de start van de vaccinatiecampagne. Daar bleek 15,1 procent van de eerstelijnszorgverleners antistoffen tegen SARS-CoV-2 te hebben aangemaakt. Er zijn wel duidelijke regionale verschillen. In Vlaanderen werd slechts bij 11,3 procent van de huisartsen antistoffen vastgesteld, in Brussel en Wallonië liep dat op naar respectievelijk 18,5 en 20,4 procent. 'Deze resultaten zijn vergelijkbaar met de bevindingen bij bloeddonoren in diezelfde periode', zegt viroloog Steven Van Gucht. Ook de regionale verschillen lopen gelijk. De bloeddonoren worden gezien als een indicator voor de volledige bevolking. 'Eerstelijnszorgverleners worden dus niet vaker besmet dan de algemene bevolking, ondanks het feit dat ze vaak in contact komen met besmette patiënten', stelt Van Gucht. 'Dit wijst erop dat ze goed beschermd zijn geweest, dankzij correct gebruik van mondmaskers en andere hygiënemaatregelen.'Resultaten bij gezondheidswerkers in ziekenhuizen tonen aan dat daar in een iets latere periode, namelijk eind januari, 24 procent over antilichamen beschikte. 'In september, nog voor de tweede golf, bedroeg dit maar acht procent', aldus Van Gucht. 'We zien een duidelijke stijging, maar die volgt opnieuw het patroon dat we zien bij de algemene bevolking.