We gaan er misschien te onkritisch van uit dat iemand die euthanasie vraagt voor psychisch lijden een weloverwogen, geïnformeerde beslissing heeft genomen. Een denkoefening: je hebt het mentaal zeer zwaar, je bent eigenlijk verloren, je weet niet meer waaraan je je moet refereren in je leven, je weet niet meer of je juist denkt, je bent de grond kwijt, het is zeer donker. Kortom: 'je weet het niet meer'. Maar je neemt toch een logisch redelijke beslissing: je zoekt hulp.

Nemen we niet snel aan dat wie euthanasie vraagt voor psychisch lijden weloverwogen keuze maakt?

De eerste hulpverlener luistert amper en schrijft pillen voor. Bij een tweede loopt het anders: die luistert, maar oordeelt ook, en geeft je advies over hoe je moet leven. Je denkt: 'zoveel had ik ook kunnen bedenken.' Je probeert je toch naar dat advies te richten, maar het lukt je niet, en ten slotte denk je: 'Ik ben een complete mislukkeling, want zelfs dat advies - van de andere, de weldenkende mensen - kan ik niet opvolgen. Ik ben wellicht een soort van uitschot van de samenleving.' Met de moed der wanhoop, ga je toch nog op zoek naar een derde hulpverlener, naar iemand die luistert zonder oordelen. Je komt inderdaad terecht bij een psycholoog die luistert, maar bij de eerste sessie sfinxachtig niets zegt. Die mens toch een paar kansen gevend, kom je ook naar een tweede sessie en een derde sessie, maar de hulpverlener blijft zwijgen, zegt quasi niets. Ondertussen zit je wel helemaal aan de grond, en raak je er volledig van overtuigd dat het probleem bij jou ligt, dat je algeheel niet deugt. Het kan niet dat al die hulpverleners systematisch verkeerd handelen, dat is jezelf een te makkelijk excuus geven. Nee, het besluit is duidelijk, de ondeugd ligt bij jou.

Een aantal mensen zijn op dat ogenblik kleine verfrommelbare vodjes, die hun eigen wil en denken ten gronde wantrouwen. Op dat ogenblik komen we in een delicate zone terecht omdat de hechting aan het leven zeer broos is geworden.

Merk op dat in de denkoefening de volgende ironie geldt: deze mens die zich helemaal verloren voelt, en zich zelfs soms een uitschot voelt, het onwaardig te leven, heeft steeds de juiste, logische stap gezet, maar is gebotst - deels toevallig, maar zo onzelden is het niet - tegen de wreedaardigheid van een sector, die zich veelal defensief heeft georganiseerd.

'Draaideurpatiënten'

Ook in het geval van mensen in instellingen gaat men er te onkritisch van uit dat de beslissing voor euthanasie een weloverworgen, autonome uiting zou zijn van zelfbeschikking. In instellingen worden patiënten, in het bijzonder 'de moeilijkste' - zij die aan wreedaardige existentiële verscheurdheden ten prooi vallen - vaak ook van afdeling of zelfs van instelling veranderd, en dus ook van de ene hulplener naar de andere doorgestuurd. Dat zijn de zogenaamde 'draaideurpatiënten', de mensen die vaak als 'onbehandelbaar' of 'therapieresistent' worden bestempeld. Vaak zijn het mensen met vroeg of zwaar trauma: zij zijn veelal snel bereid om te denken dat, gezien niemand hen kan verdragen, ze in feite in se ondraaglijk zijn, en ze trekken daar vaak voor zichzelf de conclusies uit. Je zou kunnen zeggen dat dat pas de patiënten zijn die voorop de lijst moeten staan voor professionele hulp, maar - o ironie - de sector zit zo ineen, dat pas wie zich iets of wat kan handhaven, het makkelijkst hulp krijgt. De zwaarst getroffenen worden er vaak 'uitgespuwd' en komen zo in een herhaling van hun oorspronkelijk trauma terecht.

Ik wil een beeld schetsen van hoe het er kan aan toe gaan als je je mentaal heel slecht voelt en professionele hulp zoekt. Het kan ook heel anders verlopen - en gelukkig verloopt het dikwijls ook heel anders - maar de beschreven taferelen zijn beslist geen uitzonderingen. Het is dan nog een weg van de geschetste situaties naar euthanasie toe bij psychisch lijden, en men springt niet van het ene naar het andere.

Voorzorgsmaatregelen?

Veel psychiaters zijn alert wat euthanasie betreft en houden gedegen rekening met de moeilijkheden in de hulpverleningssector. Maar de wet geldt voor elke psychiater - dat is het eigene van een wet. Met andere woorden, de wet dwingt een alerte houding niet af en beschermt zowel wie met die complexiteit rekening houdt, als wie de lijdensklacht al te eenduidig hoort. Dat op zich is niet geruststellend. Ook mogen we niet al te gerust zijn in de voorzorgsmaatregelen die de wet voorschrijft: controle op de dossiers komt na de dood van de patiënt, de wettelijke periode tussen aanvraag en uitvoering is één maand, en de twee bijkomende adviezen bij niet-terminaal lijden hoeven niet met het euthanasie-advies van de eerste arts instemmend te zijn.

Wie de geschiedenis van de mentale hulpverlening erop nakijkt, wie Foucault leest, weet dat de mentale hulpverlening heel vaak een vrij wreedaardige sector is. Laten we niet denken: er bestaat een goed georganiseerde sector, daar hoef ik al niet verder bij stil te staan. Of: die mensen weten het beter, tenslotte zijn ze daarvoor opgeleid. Om een beeld te scheppen: was de kankerzorg nu op het huidige niveau van de mentale zorg, dan zouden kankers soms ook behandeld worden met aderlatingen en vogelwichelarij.

Er is in de mentale zorg wereldwijd geen enkel handboek dat toelaat diagnoses te stellen die min of meer overeenkomen over de verschillende hulpverleners heen, er is zelfs vrij grote onenigheid over het idee van ziekte en of we te maken hebben met categorische dan wel dimensionele verschillen bij 'ziekte'. Maar in die context vinden we toch dat, net als bij kanker, kan overgegaan worden tot euthanasie.

Die onzorgvuldige redenering vind ik zo ironisch, zo bitter. Voor draaideurpatiënten - zoals Micha, waarover De Morgen in februari al schreef - willen we strijden dat euthanasie moet kunnen, maar was het niet ethischer geweest - en liefdevoller naar haar toe ook - hadden we onze pijlen gericht op het draaien van de deuren? Het draaien van de deuren maakt ons amper kwaad, wel het feit dat sommigen vinden dat we die laatste deur niet mogen openzetten. Zo liefdevol vind ik dat niet.