Volgens cijfers van het OCAD zitten vier tot zes mannelijke Belgische strijders opgesloten in de cel in Noord-Syrië. Van een overige 150 Belgische IS-strijders is de toestand tot op heden onbekend. De vraag die momenteel gesteld wordt, is hoe het met deze IS-strijders verder moet. Ze zijn nog steeds landgenoten, maar begingen vaak de gruwelijkste misdaden, en vormen mogelijk een blijvend veiligheidsrisico. De oplossing van N-VA lijkt simpel: hen de Belgische nationaliteit ontnemen, en laten berechten in Irak. Meerdere zaken pleiten echter sterk tegen dit voorstel.

Nationaliteit Syriëstrijders afnemen en laten berechten in Irak is motie van wantrouwen tegen Belgisch systeem.

In eerste instantie, mag men niet uit het oog verliezen dat de nationaliteitsontneming juridisch niet steeds mogelijk zal zijn. Onder de Belgische wet kunnen Belgen immers niet van hun nationaliteit ontnomen worden indien dat hun enige nationaliteit is. Er zal altijd eerst nagegaan moeten worden of ze een tweede nationaliteit genieten, anders ligt deze optie sowieso niet op tafel. Minstens in een deel van de gevallen verhindert het recht de lege lata dus dat dit voorstel wordt toegepast.

In de hypothese dat nationaliteitsafname juridisch mogelijk is, dringt de vraag hoe we het voorstel van N-VA dan dienen te evalueren? In het beste geval houdt dit een motie van wantrouwen tegen het eigen systeem in; een veronderstelling dat het Belgische strafsysteem onvoldoende slagkracht heeft. De bezorgdheid dat ex-Syriëstrijders ooit op vrije voeten in onze samenleving zullen terugkeren, is terecht. Het antwoord daarop ligt echter niet in het proberen ontlopen van de eigen verantwoordelijkheid door hun berechting door te schuiven. Een responsabilisering van ons strafrechtelijk apparaat en de uitbouw van een pertinent deradicalisatieprogramma is dit wel.

In het slechtste geval, doet de filosofie aan dit voorstel terugdenken aan Guantanamo Bay of de befaamde CIA black sites, namelijk 'terroristen' koste wat het kost buiten de jurisdictie van een democratisch functionerende staat houden.

Hoewel N-VA zich hiervan uitdrukkelijk distantieerde, kan uit de verklaringen van zowel voorzitter Bart De Wever als Kamerlid Koen Metsu begrepen worden dat men deze misdadigers misschien toch liever buiten het bereik van het eigen apparaat en bijhorende waarborgen houdt. 'Ik zou m'n joker willen inzetten omdat ik principieel tegen de doodstraf ben. Maar men wist heel goed waar men aan toe was', zo klonk het bij Koen Metsu toen hij op Radio 1 voor de keuze werd gesteld tussen 'de doodstraf in Irak of terugbrengen naar België'.

Maar de doodstraf is een straf waar België uitdrukkelijk afstand van heeft gedaan in 1996. Is er 23 jaar later dan opnieuw een bepaalde categorie Belgen die deze opnieuw terug zou verdienen? Niet alleen ondermijnen we hiermee onze eigen democratische waarden, maar dit lijkt bovendien discriminatie in te houden.

Een voorstel zoals dit lijkt immers te pleiten voor verschillende waaiers straffen, toepasselijk op verschillende soorten Belgen. Natuurlijk omzeilt de afname van nationaliteit deze discriminatie-kritiek. Het discriminatie-argument sneuvelt namelijk wanneer de persoon in kwestie geen ('tweederangs'-)Belg meer is. Maar het theoretisch doorknippen van banden, van de ene dag op de andere, verandert niets aan de situatie dat deze individuen ooit deel hebben uitgemaakt van onze samenleving. Het is net dit deeluitmaken dat de verantwoordelijkheid van de Belgische overheid met zich meebrengt.

Het inleggen van een luchtbrug, de oprichting van een speciaal tribunaal met Europese samenwerking, zijn stuk voor stuk valabele ideeën. Het grondidee is daar immers hetzelfde: de individuen in kwestie terughalen. Waar het voorstel hierboven elke verantwoordelijkheid voor Belgische staatsburgers wil verschuiven naar gebieden buiten de landsgrenzen door afstand te nemen van die burgers, getuigen deze alternatieven van een opname van diezelfde verantwoordelijkheid. Bovendien getuigen deze ook van een opname van verantwoordelijkheid ten aanzien van onze Belgische staatsburgers zelf; misdadiger of niet, het lijkt onwenselijk terug te keren naar een maatschappij waar we individuen die ons niet (langer) zinnen simpelweg verstoten.

Realitisch veiligheidsbeleid

Zelfs voor wie bovenstaande bezwaren niet onderschrijft en voornamelijk streeft naar het vrijwaren van de eigen veiligheid, lijkt de terugkeer van deze individuen de betere (lees: veiligere) optie. Jan Jambon bepleit dat de afname van nationaliteit "het moeilijker [zou] maken voor hen om terug te keren naar ons grondgebied". Wordt aan de veiligheids-bezorgdheid niet vollediger tegemoet gekomen wanneer we ze terughalen en onder eigen auspiciën berechten, monitoren en controleren? Is het niet naïef om ervan uit te gaan dat het gebrek aan een louter juridische band iemand echt zal tegenhouden aan de grens? Het probleem van illegale migratie toont als geen ander aan dat onze landsgrenzen niet waterdicht zijn.

Zowel ideologisch als pragmatisch valt het voorstel van N-VA dus kritisch te bekijken. Onze regering bevindt zich op een kruispunt: de beslissing die men in dit dossier zal maken, zegt veel over de grondwaarden die wij als land onderschrijven, alsook over de rol die we onszelf nog willen aanmeten op het internationale toneel. Zo vlak voor de verkiezingen lopen politici op eieren, uit vrees voor kritiek. Maar laten we weerstaan aan de tred van de gemakzucht van dit voorstel dat simpelweg onze verantwoordelijkheid en bijhorende consequenties ontloopt.