Er verschijnt een monkellachje om de mond van Mark Van den Wijngaert wanneer hij vertelt hoe hij een van 's lands meest gevraagde 'kenners van de monarchie' werd: 'Ik schreef meer dan vijftig boeken, en slechts een handvol gaan over het koningshuis.' Maar hoe gaat dat? Als jonge historicus doctoreert Van den Wijngaert in 1973 op een studie over de rol van de secretarissen-generaal tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vanuit die expertise wordt hij een aantal jaren later door de openbare omroep gecontacteerd om lid te worden van het 'wetenschappelijk begeleidingscomité' van onderzoeksjournalist Maurice De Wilde, op dat moment dé vedette van de nieuwsdienst. De Wilde was de auteur van opzienbarende tv-series over de collaboratie en de repressie. De uitzendingen waren gebaseerd op gedetailleerde en soms beenharde interviews met de protagonisten van weleer. Voor de rechterzijde was Maurice De Wilde een onredelijke inquisiteur van bejaarde mannen en vrouwen, de linkerzijde ziet hem sindsdien als een halve legende, de meest iconische onderzoeksjournalist die de openbare omroep ooit rijk was. Van den Wijngaert denkt daar anders over: 'Maurice De Wilde was verplicht om ons, de leden van zijn 'begeleidingscomité', inzage te geven in de letterlijke weergave van zijn interviews. Zo hebben we hem op zware deontologische fouten betrapt. We merkten dat hij voor de antwoorden van de betrokkenen vaak vragen plakte die helemaal niet gesteld waren. (cynisch) Dat was het echte geheim van zijn 'spraakmakende' interviews.'
...