Wanneer het meldpunt effectief bericht krijgt over een vermoeden dat een jongere het slachtoffer werd van een tienerpooier - en dus mensenhandel - volgt er in principe een assessment om na te gaan of dat inderdaad het geval is. Die procedure kan maanden aanslepen, zeker als het mogelijke slachtoffer er zelf weigerachtig tegenover staat. Wanneer inderdaad wordt vastgesteld dat er mensenhandel in het spel is, kunnen politie en parket daar verder mee aan de slag en wordt er begeleiding opgestart voor het slachtoffer.

Dit jaar was er volgens het meldpunt uiteindelijk sprake van een tiental begeleidingstrajecten. Eind 2021 waren er ook de eerste veroordelingen in zaken waar Payoke de slachtoffers van bij aanvang bijstond en het meldpunt ook burgerlijke partij was. Er werden trouwens stevige straffen uitgesproken. Begin 2022 staan er nog een aantal zittingen op stapel.

Of de cijfers van Payoke enigszins representatief zijn voor de problematiek in Vlaanderen, is maar zeer de vraag. 'In onze contacten merken we dat heel wat organisaties, ondanks de ministeriële omzendbrief in 2019, nog steeds niet op de hoogte zijn van de te volgen procedure en van onze werking', zegt Payoke-directeur Klaus Vanhoutte. 'Dit betekent concreet dat de detectie van mogelijke slachtoffers nog steeds verre van optimaal is en veel slachtoffers door de mazen van het net vallen. Als je ziet welk een aandacht dit fenomeen krijgt in Nederland, dan hinken wij echt wel achterop wat onderzoek en communicatie daaromtrent betreft.'

Nood aan gespecialiseerde opvang

Het is bovendien nog steeds behoorlijk onduidelijk waar tienerpooierslachtoffers terechtkunnen voor gespecialiseerde opvang, aldus Vanhoutte. 'Er is de laatste jaren echt wel geïnvesteerd in het creëren van extra plaatsen in het kader van deze problematiek', erkent hij. 'Maar het is niet duidelijk over hoeveel plaatsen het nu precies gaat en waar, en met welke in- en uitstroomcriteria er wordt gewerkt. Net zomin zijn er cijfers voorhanden over de aantallen slachtoffers die in de afgelopen jaren in betreffende plaatsen zijn gepasseerd en waar ze nadien terecht zijn gekomen. Het zou goed zijn mocht dat alles eens helder worden opgelijst.'

Vanhoutte heeft de indruk dat specifiek voor tienerpooierslachtoffers bedoelde middelen dreigen in een grotere pot te belanden vanwege de algemene nood aan plaatsen in de jeugdzorg. 'We moeten opletten dat de ene doelgroep de andere niet doet ondersneeuwen', zegt hij.

Wanneer het meldpunt effectief bericht krijgt over een vermoeden dat een jongere het slachtoffer werd van een tienerpooier - en dus mensenhandel - volgt er in principe een assessment om na te gaan of dat inderdaad het geval is. Die procedure kan maanden aanslepen, zeker als het mogelijke slachtoffer er zelf weigerachtig tegenover staat. Wanneer inderdaad wordt vastgesteld dat er mensenhandel in het spel is, kunnen politie en parket daar verder mee aan de slag en wordt er begeleiding opgestart voor het slachtoffer. Dit jaar was er volgens het meldpunt uiteindelijk sprake van een tiental begeleidingstrajecten. Eind 2021 waren er ook de eerste veroordelingen in zaken waar Payoke de slachtoffers van bij aanvang bijstond en het meldpunt ook burgerlijke partij was. Er werden trouwens stevige straffen uitgesproken. Begin 2022 staan er nog een aantal zittingen op stapel. Of de cijfers van Payoke enigszins representatief zijn voor de problematiek in Vlaanderen, is maar zeer de vraag. 'In onze contacten merken we dat heel wat organisaties, ondanks de ministeriële omzendbrief in 2019, nog steeds niet op de hoogte zijn van de te volgen procedure en van onze werking', zegt Payoke-directeur Klaus Vanhoutte. 'Dit betekent concreet dat de detectie van mogelijke slachtoffers nog steeds verre van optimaal is en veel slachtoffers door de mazen van het net vallen. Als je ziet welk een aandacht dit fenomeen krijgt in Nederland, dan hinken wij echt wel achterop wat onderzoek en communicatie daaromtrent betreft.' Nood aan gespecialiseerde opvangHet is bovendien nog steeds behoorlijk onduidelijk waar tienerpooierslachtoffers terechtkunnen voor gespecialiseerde opvang, aldus Vanhoutte. 'Er is de laatste jaren echt wel geïnvesteerd in het creëren van extra plaatsen in het kader van deze problematiek', erkent hij. 'Maar het is niet duidelijk over hoeveel plaatsen het nu precies gaat en waar, en met welke in- en uitstroomcriteria er wordt gewerkt. Net zomin zijn er cijfers voorhanden over de aantallen slachtoffers die in de afgelopen jaren in betreffende plaatsen zijn gepasseerd en waar ze nadien terecht zijn gekomen. Het zou goed zijn mocht dat alles eens helder worden opgelijst.' Vanhoutte heeft de indruk dat specifiek voor tienerpooierslachtoffers bedoelde middelen dreigen in een grotere pot te belanden vanwege de algemene nood aan plaatsen in de jeugdzorg. 'We moeten opletten dat de ene doelgroep de andere niet doet ondersneeuwen', zegt hij.