Eerder deze week fileerde professor Gert Peersman (UGent) in Knack de prestaties van de Belgische economie tijdens de voorbije legislatuur. Dat leverde een aantal ontnuchterende conclusies op. De regering Michel koos duidelijk voor de goeie richting met onder meer ingrepen om de concurrentiepositie van onze exportbedrijven te herstellen, een verlaging van de torenhoge belastingdruk op arbeid en maatregelen die moeten aanzetten tot langer werken. De rode draad doorheen de analyse was evenwel dat de Zweedse coalitie toch vooral veel geluk gehad heeft met het meevallende economische klimaat. Zowel de verbetering van de begroting als de stevige jobcreatie was toch in belangrijke mate te danken aan de gunstige conjunctuur. Wat structurele inspanningen betreft, liet de regering Michel toch heel wat kansen liggen.

Meer mensen aan het werk? Er is een hemelsbreed verschil tussen de prioriteiten en de verkiezingsbeloftes.

Professor Peersman geeft ook een aantal aanbevelingen over hoe het dan wel moet, nuttige tips voor de volgende regering. De belangrijkste economische prioriteiten voor ons land zijn al langer gekend en worden door de professor opnieuw bevestigd: veel meer mensen aan het werk en inzetten op een sterkere productiviteitsgroei. Die combinatie is essentieel om onze welvaart op te krikken en de beste manier om onze welvaartsstaat te vrijwaren.

Over de recepten om die prioriteiten te realiseren is in academische kringen ook een vrij brede eensgezindheid: opleiding, onderzoek en ontwikkeling, infrastructuur, mobiliteit via slim rekeningrijden, langer werken en meer prikkels om niet-werkenden aan de slag te krijgen, bijvoorbeeld via een fiscale stimulans voor de laagste lonen. Maar de analyse wordt pas echt ontnuchterend als we die aanbevelingen naast de huidige verkiezingscampagne plaatsen.

Voor de duidelijkheid: alle partijen zijn op papier voorstander van meer mensen aan het werk. Voor een hogere productiviteit is dat al iets minder duidelijk, hoewel ook dat op goedkeuring van de meeste partijen kan rekenen. Helaas blijkt er een hemelsbreed verschil tussen deze prioriteiten en de verkiezingsbeloftes die de voorbije weken gelanceerd werden.

Het lijstje beleidsvoorstellen die niet zullen helpen om meer mensen aan het werk te krijgen en evenmin zullen bijdragen tot een hogere productiviteit is bedroevend lang: fors hogere minimumlonen, overstappen op een 30-uren werkweek met loonbehoud, het terugdraaien van de geplande verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd, een lagere BTW op elektriciteit, hogere belastingen op economische activiteit, wilde plannen voor belastingverlagingen die niet gefinancierd zijn, meer geld voor openbaar vervoer zonder concreet plan om de efficiëntie ervan gevoelig te verhogen, hopen dat de files min of meer vanzelf zullen verdwijnen, ...

De volgende regering zal allicht minder geluk hebben met de externe omstandigheden.

De volgende regering zal allicht minder geluk hebben met de externe omstandigheden. Het ziet er op dit moment alvast naar uit dat ze op z'n minst zal starten met een zwakkere economische groei. Bovendien ligt er al een belangrijke factuur te wachten. De nieuwe regering start met een structureel begrotingstekort dat geraamd wordt op een kleine 9 miljard en de vergrijzing schakelt de volgende jaren een paar versnellingen hoger. Tegen het einde van de legislatuur zullen de jaarlijkse overheidsuitgaven voor onder meer pensioenen en zorg 5,6 miljard (in euro's van vandaag) hoger liggen dan vandaag. Tegen die achtergrond zal het belang van structurele hervormingsinspanningen alleen maar toenemen. Voor allerlei cadeautjes zal geen ruimte zijn. Eerder dan de noodzakelijke inspanningen ontkennen, zouden we vandaag moeten debatteren over hoe we die gaan verdelen. Helaas komt dat in de campagne voorlopig veel te weinig aan bod.