Tobias Leenaert

‘Kan een vegetarische organisatie de handen in elkaar slaan met een vleesbedrijf?’

Tobias Leenaert Consulent, activist en oprichter Ethisch Vegetarisch Alternatief (EVA)

‘Het toejuichen van kleine betekenisloze veranderingen van schadelijke bedrijven is niet zinvol. Maar het op voorhand bestempelen van elke inspanning als greenwashing is dat evenmin’, schrijft Tobias Leenaert.

Activistische NGO’s en bedrijven lijken vaak twee verschillende werelden. Vooral wanneer deze partijen totaal tegenovergestelde intenties en belangen hebben, kunnen samenwerkingen tussen de twee op onbegrip en argwaan stoten. Wat, bijvoorbeeld, wanneer een vegetarische organisatie de handen in elkaar slaat met een vleesbedrijf?

Veggiewashing?

Vorige week donderdag lanceerden EVA (Ethisch Vegetarisch Alternatief) en Bond Beter Leefmilieu in Gent The Next Food Chain, een nieuw netwerk van voedingsbedrijven die willen werken aan de transitie naar een meer plantaardig voedingssysteem. Onder de sprekers was niet alleen een vertegenwoordiger van een supermarkt, maar voorwaar ook van een vleesbedrijf. Die laatste verklaarde in een getuigenis hoe het bedrijf zich als doel heeft gesteld om in de nabije toekomst de helft van zijn omzet uit vegetarische producten te halen.

Kan een vegetarische organisatie de handen in elkaar slaan met een vleesbedrijf?

Verdacht? Volgens sommigen ongetwijfeld wel. Misschien doet de vleesproducent wel aan greenwashing – veggiewashing zeg maar – en gebruikt ze NGOs om het eigen blazoen op te poetsen? Dat risico bestaat, en alvorens een NGO een samenwerking met een bedrijf aangaat, zijn degelijke engagementen nodig. Al te vaak komen niet alleen bedrijven maar ook overheden naar buiten met symboolacties. Het toejuichen van kleine betekenisloze veranderingen van schadelijke bedrijven is niet zinvol. Maar het op voorhand bestempelen van elke inspanning als greenwashing is dat evenmin.

Het voordeel van de twijfel

Ik geef doorgaans graag alle partijen het voordeel van de twijfel. Te meer omdat de wereld verbeteren immers een werk is dat geen individu, geen NGO, geen overheid op zichzelf kan doen. Ook de transitie naar een meer plantaardig voedingspatroon – zeer wenselijk voor duurzaamheid, dierenwelzijn en de gezondheid – is een gigantische uitdaging. Daar komen veel stakeholders aan te pas, van consument tot overheid. Sommige daarvan – vooral de veeboeren en vleesproducenten – kunnen ook steakholders genoemd worden. Deze bedrijven hebben het grootste belang bij hoe het met de verkoop van vlees gaat – naast de dieren zelf, uiteraard – en het is dus cruciaal dat ze mee in bad genomen worden.

Uiteindelijk is het zo dat terwijl de NGO’s vaak oplossingen voorstellen (anders eten, groene energie gebruiken…), het doorgaans de bedrijven zijn die de oplossingen moeten ontwikkelen en in de markt zetten.

Maar moet een NGO dan haar naam en imago lenen aan dergelijke bedrijven? Kunnen die laatste het niet zonder de hulp van de wereldverbeteraars? Dat hangt ervan af in welke fase van de verandering we ons bevinden. Producenten en retailers lopen soms voor op de massa, die vaak nog niet staat te springen om alternatieve producten te kopen. In zo’n gevallen kunnen de bedrijven de steun van NGO’s en overheden goed gebruiken, en is samenwerking dus wenselijk. Uiteindelijk is het zo dat terwijl de NGO’s vaak oplossingen voorstellen (anders eten, groene energie gebruiken…), het doorgaans de bedrijven zijn die de oplossingen moeten ontwikkelen en in de markt zetten. In de vegetarische context: activisten en organisaties pleiten voor minder vlees eten, maar de alternatieven worden gecreëerd door commerciële bedrijven. Verandering binnen bedrijven moet aangemoedigd worden, en voor zover NGO’s en overheden daar een steentje aan kunnen toe bijdragen, is dat zeer welkom.

We mogen niet blind zijn voor de schade die een bedrijf kan aanrichten, en voor de vaak moedwillige tegenstand die sommige van hen bieden tegenover positieve verandering. Het zaaien van twijfel omtrent klimaatverandering, onder meer door oliegigant ExxonMobil, is daarvan een voorbeeld. Terzelfdertijd moeten we ons realiseren dat hoe groter een bedrijf is, hoe groter het potentieel is voor positieve impact. Neem vleesvervangers. Wanneer reuzen als Unilever of Nestlé het spel komen meespelen, heeft dat vele voordelen. Ze hebben een groter budget voor het adverteren en mainstreamen van hun producten. Ze hebben meer geld om in R&D te stoppen en nog betere producten te maken. En ze hebben vaak betere contacten en contracten met retailers en allerhande partners, om te zorgen voor een goede distributie. En ook niet onbelangrijk: wanneer ze van twee walletjes eten – vlees en veggie verkopen, bijvoorbeeld – hebben ze veel minder redenen om de groei van het alternatief te bestrijden.

Soms vraag ik aan activisten wat een multinational als McDonald’s moet doen eer zij de duimen omhoog zouden steken. Vaak is het antwoord dan: ophouden te bestaan. Los van de gevolgen voor tewerkstelling is een plots bankroet evenmin realistisch als verwachten dat een dergelijk bedrijf zich van de ene dag op de andere transformeert tot honderd procent duurzaam, fair of veggie. Het enige wat dus kan gebeuren is een stapsgewijze evolutie.

Juiste en verkeerde redenen

Het wantrouwen richting bedrijven is voor een groot stuk te verklaren vanuit het gepercipieerde verschil in intenties. NGO’s zetten zich in voor een ‘hoger doel’, en voor hen gaat het per definitie niet om financieel gewin, terwijl dat laatste juist de raison d’être van een bedrijf is.

We mogen ons echter niet blind staren op deze verschillende motivaties. Ook in de bedrijfswereld lopen veel mensen rond die het goed voorhebben met onze planeet en de mensheid. Bovendien zijn goede intenties of beweegredenen niet alles. Soms volstaan die helemaal niet om oplossingen te bieden. En andersom: soms gebeuren goede dingen om niet optimale redenen. In 1846 vond de Canadees Abraham Gessner kerosine uit. Het was een brandstof die veel efficiënter was dan de tot dan toe gebruikte walvisolie. Dat walvisolie na de uitvinding van kerosine minder en minder gebruikt werd, maakte dat het mogelijk werd om de walvisjacht in 1986 bijna wereldwijd af te schaffen. Dat had wellicht niet kunnen lukken zonder Gessners uitvinding, ook al was de man er niet in de eerste plaats op uit om de walvissen te beschermen.

De legendarische activist Saul Alinksy schrijft in zijn boek “Rules for Radicals“: “Met zeer zeldzame uitzonderingen worden de juiste dingen gedaan om de verkeerde redenen (…). De activist moet weten en accepteren dat de juiste reden enkel wordt geïntroduceerd als een morele rationalisering nadat het juiste doel werd bereikt, ook al werd het bereikt om de verkeerde reden. Hij of zij moet daarom op zoek gaan naar en gebruik maken van de verkeerde redenen om de juiste doelen te bereiken.”

Alinksy mag hier misschien een beetje cynisch klinken en stelt het mogelijks op zijn beurt wat te zwart wit, maar wat hij schrijft bevat een mooie les voor alle wereldverbeteraars: we kunnen beter niet te hard vasthouden aan één bepaalde manier waarop de verandering moet verlopen, en moeten openstaan voor het feit dat die betere wereld er misschien niet komt op de manier die we idealiter verwachten.

Maar ze komt er.

Tobias Leenaert is oprichter van EVA vzw en auteur van How to Create a Vegan World.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content