De pers maakt melding van de grote stijging van het aantal gepensioneerde leerkrachten die terug voor de klas staan: het gaat om een stijging van 58% in een jaar tijd. Enerzijds kunnen we enkel toejuichen dat sommige gepensioneerde leerkrachten uit moreel plichtsbesef onze scholen ut de nood helpen. Anderzijds duidt deze sterke stijging ook op een onderliggend probleem dat maar niet opgelost raakt: het totale gebrek aan een professioneel personeelsbeleid.

Doekje voor het bloeden

Het feit dat bepaalde gepensioneerde leerkrachten bereid zijn om opnieuw voor de klas te staan is enerzijds een goede zaak. Ik heb dan ook het grootste respect voor deze mensen die vanuit hun oprechte gedrevenheid en loyaliteit onze scholen uit de nood helpen. Het feit dat zij dankzij hun inzet er mee voor zorgen dat leerlingen niet voor lange periodes zonder bepaalde lessen zitten, valt enkel toe te juichen. Hierdoor lopen deze leerlingen geen onoverbrugbare achterstand op inzake de eindtermen en krijgen ze toch de leerstof die ze zouden moeten zien. Bovendien kunnen deze leerkrachten hun jarenlange expertise ook nog ten goede aanwenden en doorgeven aan de collega's. Op dat vlak is het dus een pure win-winsituatie.

Is het blijven inschakelen van gepensioneerde leerkrachten wel een goede zaak voor ons onderwijs?

Anderzijds is het groeiend aantal gepensioneerden voor de klas ook een serieuze indicatie van een aanslepend probleem in het onderwijs: de totale discrepantie tussen beschikbare leerkrachten en (tijdelijk) openstaande plaatsen. Het klinkt misschien vreemd in het licht van hierboven vernoemde cijfers, maar er zijn nog steeds leerkrachten gedwongen werkzoekend of ongewild deeltijds aan de slag.

Het inzetten van gepensioneerden gebeurt helemaal niet altijd omdat er geen enkele andere leerkracht beschikbaar is. In sommige situaties kan het inzetten van gepensioneerden gebeuren uit pure noodzaak: voor bepaalde vakken en in bepaalde regio's zijn op bepaalde momenten geen vervangers voor handen. In dergelijke gevallen, en enkel in dergelijke gevallen, ben ik het eens met directeurs dat zij een oud-leerkracht vragen om de school te komen depanneren.

In sommige scholen is het inzetten van oud-leerkrachten echter een keuze uit pure gemakzucht van de directie. In zo'n gevallen doet men niet eens de moeite om op zoek te gaan naar een vervanger, maar doet men quasi automatisch beroep op een oud-leerkracht. Een noodgedwongen werkzoekend leerkracht vertelde mij onlangs nog dat zij tot tweemaal toe spontaan gesolliciteerd had in een school zonder enige reactie te ontvangen. Nadien hoorde ze dat er een gepensioneerd leerkracht in de betrokken school een vervanging had gedaan, terwijl zij daar ook voor in aanmerking kwam.

Zelf beleefde ik ook iets gelijkaardigs toen ik nog in het secundair onderwijs werkte. Ik kwam op een bepaald moment in een school terecht voor een vervanging en kreeg te horen dat aansluitend met de interim een andere leerkracht (voor hetzelfde vak) in ziekteverlof ging. De directie had echter al op voorhand besloten om een gepensioneerd leerkracht op te roepen omdat 'het minder moeite kostte dan iemand anders te zoeken'. In dergelijke gevallen waarbij directeurs handelen uit pure gemakzucht, heb ik niet het minste begrip of respect voor een dergelijke beslissing. Zo'n directeurs, die wat mij betreft die titel en functie niet waard zijn, duwen immers (al dan niet) jonge leerkrachten doelbewust in de werkloosheid en bezorgen andere directeurs een slechte naam.

We kunnen en moeten ons dus afvragen of het inschakelen van gepensioneerde leerkrachten een echt goede zaak is voor ons onderwijs. Draagt dit bij tot een verdere professionalisering van ons educatief systeem of net niet? Waarderen wij hierdoor de expertise van onze oud-leerkrachten of misbruiken we hen als een doekje voor het bloeden?

Amateurisme troef

Vooral de vraag over de professionalisering van ons educatief systeem verdient verdere aandacht. Ik bedoel hier voor alle duidelijkheid niet mee dat gepensioneerden die opnieuw voor de klas staan niet professioneel met de job bezig zijn. Integendeel zelfs, oud-leerkrachten die opnieuw komen lesgeven zijn dikwijls gemotiveerder dan sommige andere figuren die nog dagelijks op scholen rondlopen.

De echte discussie hierbij gaat over het personeelsbeleid. Het ontbreken aan een serieus personeelsbeleid die naam waardig in het onderwijs heb ik al eerder besproken. Al te vaak worden lesopdrachten toegewezen aan leerkrachten met de beste kennissen en niet met de beste kennis. Sommige scholen staan erom bekend dat ze jobs toewijzen aan vrienden en familie van de directie. Dit gebeurt uiteraard niet in alle scholen en soms gaan directeurs oprecht professioneel om met het aanwerven van nieuw personeel, maar de vriendjespolitiek is vandaag nog steeds schering en inslag in ons onderwijs.

Op dat vlak knelt dus het schoentje: ons onderwijs kan pas echt professionaliseren wanneer dergelijke excessen die gebeuren omwille van gemakzucht of incompetentie van sommige directeurs radicaal onmogelijk worden. We zijn dit niet enkel verplicht aan onze leerlingen die resoluut de best mogelijke leerkrachten verdienen, maar ook aan alle oprecht capabele en integere directeurs die zich steeds volledig inzetten voor hun school, leerkrachtenkorps en leerlingen en die momenteel hun goede naam besmeurd zien.

Daarnaast is er ook sprake van puur amateurisme bij de beleidvoerders. Deze problemen bestaan immers al vele jaren en blijven aanslepen. Waarom blijven de opeenvolgende onderwijsministers (al dan niet bewust) de andere kant uit kijken en het probleem negeren? Waarom beperken zij zich tot wollige verklaringen bij hun aantreden en plots opnieuw in aanloop naar verkiezingen? Waarom vullen ze legislaturen met cosmetische ingrepen, in plaats van de problemen ten gronde aan te pakken? Waarom verschuilt men zich achter de vrijheid van onderwijs om de eigen incompetentie te verdoezelen?

Naar een professioneel personeelsbeleid

Aangezien in bepaalde scholen personeelsbeleid synoniem is voor vriendjespolitiek dringt een grondige hervorming zich op. Deze zal noodzakelijk zijn om de ontegensprekelijke neerwaartse spiraal waarin ons onderwijs zich bevindt te kunnen breken. Daarom pleit ik ervoor om het personeelsbeleid volledig uit handen van de scholen te halen en hiervoor een pedagogische personeelsdienst op te richten. Dat leg ik ook uit in mijn boek Scholen laten schitteren.

Concreet wordt het probleem als volgt aangepakt: alle beschikbare personeelsleden worden door deze dienst per provincie op een centrale lijst geplaatst op basis van anciënniteit in iedere school waar men gewerkt heeft. Alle vacatures worden door de scholen aan deze dienst overgemaakt. Daarna krijgen zij zonder inspraak een leerkracht toegewezen volgens het voorrangsprincipe gebaseerd op anciënniteit, aangevuld met het nabijheidsprincipe: wanneer twee kandidaten over dezelfde anciënniteit beschikken, gaat de voorkeur uit naar de kandidaat uit de omgeving van de school in kwestie.

Het wordt dringend tijd dat we allemaal samen beginnen na te denken en te werken aan een beter onderwijs. Daarbij kan het belang van een goed personeelsbeleid niet genoeg benadrukt worden.

Stijn Van Hamme (1985) stapte na het behalen van zijn licentiaatsdiploma Romaanse Talen in het onderwijs. Hij gaf les in verschillende vakken aan leerlingen van de eerste, tweede en derde graad van het secundair onderwijs in verscheidene scholen in Vlaanderen, zowel in aso, tso als bso. Daarnaast was hij gedurende enige tijd lector in het hoger onderwijs. Sinds september 2015 werkt hij als praktijkassistent aan de UGent, waar hij Frans geeft in de opleiding Bestuurskunde en Publiek Management. Zijn boek 'Scholen laten schitteren' is uitgegeven bij Beefcake Publishing.