Binnen de Vivaldi-regering kan de onderhandelingsstrijd over de pensioenplannen van minister Lalieux losbarsten. Het centrale strijdveld lijken de pensioenrechten van wie geen volledige loopbaan kan voorleggen te worden. Voor minister Lalieux volstaat 10 jaar effectief werken voor toegang tot het minimumpensioen, de liberalen zetten in op 20 jaar. Omdat een onvolledige carrière meestal het gevolg is van het opnemen van zorg voor anderen, komt dat in de praktijk neer op een strijd voor de waardering van onbetaald werk. Bewustzijn over de meerwaarde van onbetaalde arbeid leert ons dat het eindeloos optrekken van de werkgelegenheid niet de enige, noch de heilige graal is in het opbouwen van een samenleving die toekomstbestendig, sociaal en intergenerationeel rechtvaardig is. Er vallen ook productiviteits-, welzijns- en welvaartswinsten te rapen bij meer vrije tijd, en een betere balans tussen werk en privé. Tijd is een kostbaar goed, en het loont de moeite -voor alle generaties- de vraag te stellen hoeveel ervan we willen inruilen tegen meer economische groei en consumptie.

In het teken van het pensioendebat en de werkgelegenheidsconferentie op 6 en 7 september bracht denktank Minerva verschillende vormen van onbetaalde arbeid in kaart. Onze analyses tonen klaar en duidelijk dat betaald werk niet de enige nuttige bijdrage die mensen leveren aan de welvaart en het welzijn in onze maatschappij. Het opnemen van huishoudtaken, zorg voor kinderen en zieke, invalide of oudere gezins- en familieleden is werk, dat meestal onzichtbaar en ondergewaardeerd blijft. Wie dit soort taken op zich neemt, ongeacht motivatie, levert in op inkomen, carrièrekansen, sociale rechten en pensioenrechten. Dat maakt hen kwetsbaar en afhankelijk van anderen aan het eind van hun leven. Terwijl deze bijdragen nuttiger zijn voor de samenleving dan die van de gemiddelde consultant of belegger.

Intergenerationele solidariteit drukt zich uit op manieren die de overheidsbegroting niet vat.

Onbetaalde zorgarbeid is bovendien nog altijd bijzonder ongelijk verdeeld binnen de samenleving. Vrouwen werken dubbel zo vaak deeltijds omwille van 'verantwoordelijkheden binnen de familie' of 'zorg voor kinderen of hulpbehoevenden binnen het gezin'. Een beleid dat weinig rekening houdt met informeel werk, door deeltijds werk en loopbaanonderbrekingen financieel te ontmoedigen, bestendigt op gender gebaseerde onevenwichten binnen gezinnen en op de arbeidsmarkt.

Ook mantelzorg, vrijwilligerswerk en informele kinderopvang door grootouders zijn verweven met het pensioen- en eindeloopbaanbeleid. Bijna één op vijf van de vijftigplussers geeft aan regelmatig onbetaald in te staan voor zorg van hulpbehoevenden in hun nabije omgeving. Terwijl juist in deze groep (tussen vijftig en zestig) veruit de hoogste toppen scheert in statistieken van langdurige arbeidsongeschiktheid omwille van ziekte en invaliditeit.

Tegelijkertijd worden zeven op tien baby's en kleuters regelmatig opgevangen door hun grootouders. Alleen dankzij die hulp krijgen jonge ouders de combinatie van werk en gezin voor elkaar. Hoe langer deze groep voltijds werkt, hoe minder ze jonge ouders kunnen ondersteunen, een groep waarbij uitval nu al disproportioneel hoog is. Zo kunnen maatregelen om mensen langer aan het werk te houden, paradoxaal genoeg ook leiden tot een nog grotere uitval, of meer deeltijds werk in de jongere beroepsbevolking, en dus tot productiviteitsverlies.

Hetzelfde geldt voor vrijwilligerswerk. In 2019 werden er in België 142,6 miljoen uren onbetaalde arbeid geleverd door vrijwilligers. Daarmee is het 'economisch belang' (uitgedrukt in arbeidsuren) van deze sector drie keer zo groot als die van de landbouwsector, en bijna even groot als de sector van financiële dienstverlening of de ICT-sector. Bijna een kwart van de vrijwilligers is met (vervroegd) pensioen.

Als bij wonder wordt onzichtbare arbeid overigens wel zichtbaar wanneer er zich een of andere ramp voordoet. Het waren vrijwilligers die de zorg en ziekenhuissector overeind hielden op de hoogtepunten van de gezondheidscrisis, de volledige vaccinatiecampagne steunt op hun inzet. Zo ook in de opvang en hulpverlening voor slachtoffers in overstroomde gebieden in Wallonië.

In het pensioendebat wordt sterk ingespeeld op een belangenconflict tussen generaties. Terwijl de jongeren zich afvragen of ze nog wel een dag rust krijgen na een slopende carrière, nippen de boomers aan de Costa Brava aan hun derde piña colada. Meer bewustzijn en waardering van onzichtbaar werk leert ons dat intergenerationele solidariteit zich uitdrukt op manieren die de overheidsbegroting niet vat. Deeltijds werk, loopbaanonderbreking of een vervroegd pensioen biedt mensen tijd om elkaar te helpen, op allerlei onzichtbare, maar waardevolle manieren.

Economische projecties over de houdbaarheid van de pensioenpost in de begroting van 2050 zou niet de grootste zorg van jongere generaties moeten zijn. Waar we pas echt wakker van zouden moeten liggen, is het feit dat méér, langer en harder werken voorlopig het enige antwoord is dat politici te bieden hebben op de grote maatschappelijke vragen van de toekomst.

Louise Hoon is wetenschappelijk medewerker bij Denktank Minerva.

Binnen de Vivaldi-regering kan de onderhandelingsstrijd over de pensioenplannen van minister Lalieux losbarsten. Het centrale strijdveld lijken de pensioenrechten van wie geen volledige loopbaan kan voorleggen te worden. Voor minister Lalieux volstaat 10 jaar effectief werken voor toegang tot het minimumpensioen, de liberalen zetten in op 20 jaar. Omdat een onvolledige carrière meestal het gevolg is van het opnemen van zorg voor anderen, komt dat in de praktijk neer op een strijd voor de waardering van onbetaald werk. Bewustzijn over de meerwaarde van onbetaalde arbeid leert ons dat het eindeloos optrekken van de werkgelegenheid niet de enige, noch de heilige graal is in het opbouwen van een samenleving die toekomstbestendig, sociaal en intergenerationeel rechtvaardig is. Er vallen ook productiviteits-, welzijns- en welvaartswinsten te rapen bij meer vrije tijd, en een betere balans tussen werk en privé. Tijd is een kostbaar goed, en het loont de moeite -voor alle generaties- de vraag te stellen hoeveel ervan we willen inruilen tegen meer economische groei en consumptie. In het teken van het pensioendebat en de werkgelegenheidsconferentie op 6 en 7 september bracht denktank Minerva verschillende vormen van onbetaalde arbeid in kaart. Onze analyses tonen klaar en duidelijk dat betaald werk niet de enige nuttige bijdrage die mensen leveren aan de welvaart en het welzijn in onze maatschappij. Het opnemen van huishoudtaken, zorg voor kinderen en zieke, invalide of oudere gezins- en familieleden is werk, dat meestal onzichtbaar en ondergewaardeerd blijft. Wie dit soort taken op zich neemt, ongeacht motivatie, levert in op inkomen, carrièrekansen, sociale rechten en pensioenrechten. Dat maakt hen kwetsbaar en afhankelijk van anderen aan het eind van hun leven. Terwijl deze bijdragen nuttiger zijn voor de samenleving dan die van de gemiddelde consultant of belegger.Onbetaalde zorgarbeid is bovendien nog altijd bijzonder ongelijk verdeeld binnen de samenleving. Vrouwen werken dubbel zo vaak deeltijds omwille van 'verantwoordelijkheden binnen de familie' of 'zorg voor kinderen of hulpbehoevenden binnen het gezin'. Een beleid dat weinig rekening houdt met informeel werk, door deeltijds werk en loopbaanonderbrekingen financieel te ontmoedigen, bestendigt op gender gebaseerde onevenwichten binnen gezinnen en op de arbeidsmarkt. Ook mantelzorg, vrijwilligerswerk en informele kinderopvang door grootouders zijn verweven met het pensioen- en eindeloopbaanbeleid. Bijna één op vijf van de vijftigplussers geeft aan regelmatig onbetaald in te staan voor zorg van hulpbehoevenden in hun nabije omgeving. Terwijl juist in deze groep (tussen vijftig en zestig) veruit de hoogste toppen scheert in statistieken van langdurige arbeidsongeschiktheid omwille van ziekte en invaliditeit. Tegelijkertijd worden zeven op tien baby's en kleuters regelmatig opgevangen door hun grootouders. Alleen dankzij die hulp krijgen jonge ouders de combinatie van werk en gezin voor elkaar. Hoe langer deze groep voltijds werkt, hoe minder ze jonge ouders kunnen ondersteunen, een groep waarbij uitval nu al disproportioneel hoog is. Zo kunnen maatregelen om mensen langer aan het werk te houden, paradoxaal genoeg ook leiden tot een nog grotere uitval, of meer deeltijds werk in de jongere beroepsbevolking, en dus tot productiviteitsverlies. Hetzelfde geldt voor vrijwilligerswerk. In 2019 werden er in België 142,6 miljoen uren onbetaalde arbeid geleverd door vrijwilligers. Daarmee is het 'economisch belang' (uitgedrukt in arbeidsuren) van deze sector drie keer zo groot als die van de landbouwsector, en bijna even groot als de sector van financiële dienstverlening of de ICT-sector. Bijna een kwart van de vrijwilligers is met (vervroegd) pensioen. Als bij wonder wordt onzichtbare arbeid overigens wel zichtbaar wanneer er zich een of andere ramp voordoet. Het waren vrijwilligers die de zorg en ziekenhuissector overeind hielden op de hoogtepunten van de gezondheidscrisis, de volledige vaccinatiecampagne steunt op hun inzet. Zo ook in de opvang en hulpverlening voor slachtoffers in overstroomde gebieden in Wallonië. In het pensioendebat wordt sterk ingespeeld op een belangenconflict tussen generaties. Terwijl de jongeren zich afvragen of ze nog wel een dag rust krijgen na een slopende carrière, nippen de boomers aan de Costa Brava aan hun derde piña colada. Meer bewustzijn en waardering van onzichtbaar werk leert ons dat intergenerationele solidariteit zich uitdrukt op manieren die de overheidsbegroting niet vat. Deeltijds werk, loopbaanonderbreking of een vervroegd pensioen biedt mensen tijd om elkaar te helpen, op allerlei onzichtbare, maar waardevolle manieren. Economische projecties over de houdbaarheid van de pensioenpost in de begroting van 2050 zou niet de grootste zorg van jongere generaties moeten zijn. Waar we pas echt wakker van zouden moeten liggen, is het feit dat méér, langer en harder werken voorlopig het enige antwoord is dat politici te bieden hebben op de grote maatschappelijke vragen van de toekomst. Louise Hoon is wetenschappelijk medewerker bij Denktank Minerva.