Het begon allemaal op de warme zomeravond van 18 augustus 1950. Rond half negen 's avonds schemerde het al in de Rue de Vecquée te Seraing toen twee mannen in beige gabardine aanbelden bij Julien Lahaut. De voorzitter van de Kommunistische Partij van België (KPB) verscheen in het deurgat, en terstond werd hij met kogels doorzeefd. Zijn vrouw Géraldine kwam aangelopen, de buren keken toe. De daders werden opgewacht door twee kompanen in een auto. Ze verdwenen met de noorderzon. 'Hou ze tegen!' riep Géraldine nog, 'Het zijn bandieten.' Een paar dagen later volgden 150.000 mensen de rouwbaar van Julien Lahaut naar het kerkhof van Seraing.
...

Het begon allemaal op de warme zomeravond van 18 augustus 1950. Rond half negen 's avonds schemerde het al in de Rue de Vecquée te Seraing toen twee mannen in beige gabardine aanbelden bij Julien Lahaut. De voorzitter van de Kommunistische Partij van België (KPB) verscheen in het deurgat, en terstond werd hij met kogels doorzeefd. Zijn vrouw Géraldine kwam aangelopen, de buren keken toe. De daders werden opgewacht door twee kompanen in een auto. Ze verdwenen met de noorderzon. 'Hou ze tegen!' riep Géraldine nog, 'Het zijn bandieten.' Een paar dagen later volgden 150.000 mensen de rouwbaar van Julien Lahaut naar het kerkhof van Seraing. Destijds bracht de pers de moord in verband met de kreet 'Vive la République'. Een week eerder, op 11 augustus 1950, hadden een paar communistische parlementsleden die woorden uitgeroepen tijdens de eedaflegging van Boudewijn als koninklijke prins. Een van hen was Julien Lahaut. Toch was de 65-jarige Lahaut meer een symbolische figuur dan een politicus met reële macht - die had hij wel gehad tijdens de jaren twintig en dertig, als secretaris van de socialistische metaalbond en als Kamerlid voor de KPB. Tijdens de Tweede Wereldoorlog belandde Lahaut in Duitse kampen: eerst in Neuengamme, dan in Mauthausen. Bij zijn terugkeer in België was de leiding van zijn partij in handen van een nieuwe generatie. Het was eigenlijk een halve verrassing dat Julien Lahaut de nieuwe voorzitter werd. In de Moskougezinde communistische partijen was de titel van 'voorzitter' namelijk taboe: officieel verkoos men een collectief leiderschap. Een Centraal Comité en een Politiek Bureau hielden de touwtjes in handen, de echte sterke man heette 'secretaris-generaal'.Dat Julien Lahaut toch 'voorzitter' werd, wees vooral op het politieke belang van zijn naam. Met een overlevende van de kampen benadrukte de KPB haar leidende rol in het verzet, en vooral haar bijdrage aan 'de verdediging van de democratie'. In de late jaren veertig was dat van levensbelang voor westerse communistische partijen. Naarmate de Koude Oorlog op gang kwam, werden communisten er steeds luider van beschuldigd 'antidemocraten' te zijn. Zeker na het uitbreken van de Koreaanse Oorlog, op 25 juni 1950, gingen stemmen op voor een verbod op communistische partijen. Communisten waren bondgenoten van de nieuwe vijand: Moskou.In België viel het begin van de Koreaanse Oorlog (25 juni 1950 - 27 juli 1953) samen met de ontknoping van de Koningskwestie, dus met het geforceerde aftreden van koning Leopold III. Op 12 maart 1950 had een meerderheid van de Belgen zich in een referendum uitgesproken voor de terugkeer van Leopold III. Maar toen de koning dat in juli deed en naar België terugkeerde, organiseerden socialisten en communisten het verzet. Er braken rellen uit en bij een anti-Leopoldistische betoging in Grâce-Berleur, nabij Luik, vallen er op 30 juli 1950 vier doden. Een deel van het establishment was er rotsvast van overtuigd dat het anti-Leopoldisme werd opgestookt door agenten van Moskou. Zelfs vele jaren na de feiten hield Jacques Pirenne, de invloedrijke secretaris van Leopold III, dat nog altijd vol in zijn memoires: Daar klopte uiteindelijk niets van, maar dergelijke scenario's werden wel geloofd, tot in de hoogste kringen van het land.In dat verhitte klimaat hield een aantal toppolitici het hoofd koel. CVP'ers als Gaston Eyskens, Frans Van Cauwelaert en Jean Duvieusart oefenden zware druk uit op Leopold om af te treden ten voordele van zijn zoon Boudewijn. Zo gebeurde uiteindelijk ook, in de dramatische nacht van augustus. Leopold III had nog een ultieme poging gewaagd om een onwettige tegenregering op de been te brengen die hem zou steunen, met als ministers aan hem verknochte hardliners als Paul Van Zeeland, Joseph Pholien, Maurice Schot of Albert De Vleeschauwer. Maar uiteindelijk durfde hij geen nieuwe confrontatie aan met de echte regering en bond hij in. Het was de ultieme politieke nederlaag van de Leopoldisten.Zoals dat in een complex land als België gaat, werd er na de machtsoverdracht een nieuwe regering aangesteld, en die werd dan geleid door één van Leopold's vurigste supporters, de Franstalige christendemocraat Joseph Pholien. Pholien was eigenlijk een veredelde B-figuur: Het jaar voordien was hij er niet eens in geslaagd zich te laten kiezen tot CVP-fractieleider in de senaat. Maar als ultra-Leopoldist genoot Pholien het volste vertrouwen van de entourage van Laken, en hij genoot ook de steun van dat rechts-katholieke deel van de publieke opinie dat Leopolds aftreden niet kon verkroppen: in die kringen bleef men het ongehoord vinden dat het wettelijke land gezwicht was voor links straatgeweld.In die dubbele context van de Koningskwestie en de Korea-crisis ging binnen- en buitenlands anticommunisme hand in hand. De nieuwe eerste minister Joseph Pholien was van oordeel dat 'België betrokken was in een genadeloze oorlog tegen het rode gevaar en communistische subversie die een bedreiging vormen voor het hele Westen.' De sfeer bleef overspannen, en drie dagen na de eedaflegging van de regering-Pholien werd Julien Lahaut neergekogeld. Zoals historici Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeyen al in 1985 opmerkten, in hun boek over de moord op Lahaut: 'Er werd vanop een halve meter geschoten, niet echt fanatiek, maar met blinde haat.'Maar wie Julien Lahaut doodde, en waarom: daarnaar hadden zijn familie en het gerecht nog jarenlang het raden. Dat het onderzoek zo moeilijk resultaten boekte, kwam deels door de uiteenlopende verklaringen van ooggetuigen vlak na de moord. De vluchtauto van de daders varieerde van 'groot' tot 'klein' en kreeg alle mogelijke kleuren mee. Getuigen spraken zowel van een oude Renault Juvaquatre als van een 'moderne Peugeot'. Anderen zagen - terecht - een Amerikaanse wagen, maar maakten er 'een Ford of een Studebaker' van.In werkelijkheid ging het om een grijze Vanguard (te zien op de cover van het boek hierboven - met daarin de daders), een Brits-Belgische wagen die duidelijk niet zo bekend was in de arbeidsbuurt waar Lahaut woonde. De nummerplaat, '100.109', behoorde ooit toe aan busbedrijf Van Looy uit Ekeren, maar was tijdens de oorlog zoek geraakt. Het wapen, een Colt.45, was toen het meest verspreide revolver. Het was zoeken naar een speld in een hooiberg.Een doorbraak was nochtans al vroeg mogelijk geweest. Op 3 oktober 1950 ontving onderzoeksrechter René Louppe een nota van de Staatsveiligheid. Daarin werd de aandacht gevestigd op twee potentiële verdachten. Een zekere André Verbrugge had in Frankrijk laten vallen dat hij in België gezocht werd voor de moord op Lahaut. Verder meldde de Staatsveiligheid dat 'de genaamde Goossens François', een verzekeringsagent uit Halle, 'er zich onlangs op beroemd heeft dat hij deel heeft genomen aan de moord op Julien Lahaut'. Die laatste informatie is juist. Toen in 1985 het boek De moord op Lahaut verscheen, identificeerden auteurs Verhoeyen en Van Doorslaer al Goossens als een van de moordenaars. In overleg met zijn familie (Goossens was in 1977 overleden) noemden ze hem bij zijn codenaam: 'Adolphe'. Pas in 2003 maakte het jonge Kamerlid Vincent Van Quickenborne (Open VLD) zijn echte naam bekend. Hij was erop gestoten in een andere nota van de Staatsveiligheid. De cruciale vraag is dan: waarom werd Goossens dan niet gevat in 1950?Onderzoeksrechter Louppe had commissaris Joseph Dessaucy van de Gerechtelijke Politie van Luik aangesteld om dit spoor na te trekken. Na ondervraging besloot die dat Verbrugge een fantast was. Op 4 november 1950 schreef hij ook een pv over Goossens. De toon is geruststellend: Goossens is inderdaad een verzekeringsagent. Als voormalig lid van de weerstand beschikt hij over een wapenvergunning. En hij rijdt in een wagen van het type Vanguard. Impliciet gaf Decaussy de Staatsveiligheid een sneer toen hij Goossens beschreef als 'een nogal uitbundig en opschepperig karakter' dat 'niet zou aarzelen zich interessant te maken door te beweren dat hij bij bepaalde zaken betrokken is waarvan hij in werkelijkheid slechts een beperkte kennis heeft'. Besluit: 'Behalve een grote mond valt er niets op hem aan te merken.'De naam 'Goossens' werd dus afgevinkt van het lijstje verdachten. Dessaucy had hem niet eens ondervraagd. Zijn alibi werd niet nagetrokken. Maar met dit pv was de onderzoeksrechter terug bij af.Had commissaris Dessaucy alles geschreven wat hij wist? In het archief van de Staatsveiligheid stootten Emmanuel Gerard, Widukind De Ridder en Françoise Muller, de auteurs van het boek Wie heeft Lahaut vermoord?, op een merkwaardige vondst. In 1949 al had de Sûreté beslag kunnen leggen op het notitieboekje van Goossens. Daarin schreef die dat hij spionagewerk verrichtte voor een niet nader genoemd netwerk. Goossens noteerde ook de codenamen van zijn medewerkers, twee rijkswachters: 'VHC: Massant L.' en 'VHD: Devillé A.' Leopold Massant ging door het leven als pater Gregorius van het klooster van de conventuelen in Halle. Alex Devillé was de zoon van Jan-Nikolaas Devillé, een ex-verzetsman en de populaire CVP-burgemeester van Halle. Alex (of Alexis) Devillé was een broer van Eugène Devillé. In 2007 getuigde die in een documentaire voor Keerpunt op Canvas dat hij de man was die de eerste fatale schoten loste op Julien Lahaut, en dat François Goossens pas begon te schieten tijdens het weglopen, en dat de twee mannen in de auto zijn broer (Alex Devillé dus) en toekomstige schoonbroer (Jan Hamelrijck) waren. Die bekentenis kwam dus pas een halve eeuw na de moord, hoewel de documentatie van de Staatsveiligheid al in 1950 vrij concrete aanwijzingen bevatte naar de daders. Alleen had het gerecht de informatie ernstig moeten onderzoeken. Maar door het pv van commissaris Dessaucy was het onderzoek naar dit spoor vakkundig stilgelegd.De daders waren wél gealarmeerd. Ze vermoedden een lek bij de Staatsveiligheid. In een scène die zo uit een thriller van Dan Brown kan komen, lokten ze een zekere Pierre Potargent naar het klooster van de conventuelen te Halle. Potargent was namelijk gekend als informant van de Staatsveiligheid - hij was de man die Goossens' zakboekje had weten te pikken - maar tegelijk leidde hij een eigen anticommunistisch netwerk dat gefinancierd werd door François Colin van de Kredietbank en door de Nationale Conferentie van het Bouwbedrijf. François Goossens vermoedde dat deze Potargent de Staatsveiligheid op zijn spoor had gebracht. Geblinddoekt werd Potargent voorwerp van een stevige ondervraging door pater Gregorius, François Goossens en een derde man die niet van Halle afkomstig was maar wiens naam in dit verhaal alleen maar aan belang zal winnen: André Moyen.Een jaar na de moord kreeg het onderzoek een nieuwe impuls. Op 27 augustus 1951 werd in Schaarbeek een zekere Frederika Stern op klaarlichte dag overvallen. Haar handtas en boekentas werden gestolen. De daders vluchtten weg in een auto van een Amerikaans merk. Stern was de bediende van de communistische boekhandel La Librairie du Monde Entier. De advocaat van weduwe Lahaut schreef een brief naar het gerecht waarin hij wees op de parallellen tussen deze overval en de moord op Lahaut: 'Een anticommunistisch doel, een stoutmoedig karakter, het gebruik van een wagen met valse nummerplaat.'Nog een jaar later won de zaak-Stern pas echt aan belang. Een extreemrechts tijdschrift, Europe Amérique, had een artikel gepubliceerd: 'Les espions des Sovjets à Bruxelles'. De auteur, die zich 'kapitein Freddy' liet noemen, beschuldigde daarin zes KPB'ers 'leden van de vijfde kolonne' te zijn en noemde hen 'onwaardige Belgen'. De zes dienden een klacht in. Tijdens het daaropvolgende onderzoek troffen speurders bij een huiszoeking op de redactie documenten aan die gestolen waren uit de tas van mevrouw Stern. Ze ondervroegen ook 'Kapitein Freddy'. Zijn echte naam was... André Moyen. De speurders beseften het niet, maar André Moyen zou dé sleutelfiguur blijken achter de moord op Lahaut. Met veel talent en bravoure zou hij tot zijn dood in 2008 zijn eigen rol blijven minimaliseren, de echte daders uit de wind zetten, en gerecht, historici en journalisten op een dwaalspoor zetten.André Moyen (foto links, met dank aan Maison du Souvenir) was een echte Ardennees: koppig - têtu, zeggen ze van zichzelf. Toen hij in 1934 zijn legerdienst deed bij de Ardense jagers, maakte hij indruk met zijn interesse voor internationale militaire vraagstukken. Zijn oversten brachten hem in contact met majoor René Mampuys van het zogenaamde 'Tweede Bureau': de Militaire Veiligheid. Onder zijn eerste schuilnaam, 'Freddy Bastogne', werd de piepjonge Moyen een paar keer op missie gezonden naar nazi-Duitsland. Op aanraden van Mampuys verschoof zijn aandacht naar de Sovjet-Russische spionage in België. Mampuys prees Moyen aan als een 'uiterst betrouwbare informant' die hij geschikt achtte voor 'elke vorm van occulte contraspionage'. Hij moest 'aangewend worden buiten de normale acties van de politie en de Rijkswacht'.Nog in de jaren dertig koppelde de jonge Moyen zijn inlichtingenwerk aan zijn andere passie: die van schrijver en journalist. In 1938 schreef hij zijn eerste artikel in de katholieke krant Vers l'Avenir. Paus Pius XI had het jaar voordien in zijn encycliek Divini Redemptoris gewezen op het gevaar van het 'goddeloze communisme', en de jonge Moyen legde zijn lezers uit dat ze dringend in actie moesten komen: Zo begon een dubbelleven van geheimagent en veelschrijver-publicist. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam Moyen terecht bij de verzetsgroep Athos, een aparte tak ('lijn zestien') van het belangrijke 'Réseau Zéro'. Zéro was een verzetsnetwerk van rechtse tot extreemrechtse signatuur: zelfs het fascistische Nationaal Legioen van Paul Hoornaert werkte ermee samen. Het werd gefinancierd door een aantal van de belangrijkste bankiers en industriëlen van het land, zoals baron Paul de Launoit en ridder Marcel De Roover, beiden van Brufina, de holding boven de Bank Brussel Lambert.Toen Fernand Strubbe in 1992 zijn standaardwerk over de Belgische geheime diensten publiceerde (Geheime oorlog 40/45. De inlichtingen- en actiediensten in België), schreef hij over Athos: Frederika Stern liet Moyens antecedenten natrekken. Hij had zijn activiteiten in het verzet beschreven in een boek, Service 8 (foto met dank aan Maison du Souvenir). Stern twijfelde niet meer: ook bij de aanval op haar was er een wagen gebruikt, volgens getuigen 'een grijze Standard-Vanguard 1950'. Haar advocaat vroeg aan het Luikse gerecht om te onderzoeken of de zaak-Stern niet de sleutel was voor de moord op Lahaut.Het Luikse parket stuurde opnieuw commissaris Dessaucy op onderzoek uit. In zijn pv aan de onderzoeksrechter concludeerde hij: Onderzoeksrechter Louppe raakte zo geen meter verder. Volgens de inlichtingen die hij kreeg was Moyen een eenvoudige journalist en was in het dossier-Lahaut geen sprake van een Vanguard. Strikt genomen klopte dat. Maar, zo stellen de auteurs van Wie heeft Lahaut vermoord?: Toch zinde het gerechtelijk onderzoek André Moyen niet. Had hij daarom zo geïnvesteerd het uitbouwen van uitstekende relaties met het Brusselse gerecht? De auteurs van Wie heeft Lahaut vermoord? stootten in het goed bewaarde archief van de politieke sectie van de Brusselse brigade op niet minder dan 1800 rapporten en nota's van André Moyen. Hij verstuurde zijn inlichtingen naar een mysterieuze 'Monsieur Durand'. Dat was de codenaam van commissaris Roger Fretin. Fretin ontving die rapporten met medeweten van hoofdcommissaris Firmin Franssen. En uit de correspondentie tussen Franssen en het Brusselse parket, bleek zelfs procureur des Konings Lucien Beirs duidelijk weet had van de samenwerking met André Moyen. Moyen was hun topinformant, en werd als zodanig behandeld: toen het Luikse parket inlichtingen over hem verzamelde, wist de gerechtelijke politie van Brussel van niets. Maar zo goed de samenwerking was met de gerechtelijke politie, zo slecht was die met de Staatsveiligheid. De animositeit tussen het netwerk van Moyen en de diensten van de Staatsveiligheid oversteeg de klassieke guerre des flics: bij de Staatsveiligheid vond men het - niet eens onterecht - niet kunnen dat een privépersoon als Moyen zich op het terrein van de inlichtingendiensten begaf. Niet dat de Staatsveiligheid veel waarde hechtte aan de kwaliteit van zijn inlichtingen, maar hinderlijk was hij wel. Zelfs zo hinderlijk, dat hij onderwerp werd van een bizarre correspondentie tussen twee topfiguren van de Staatsveiligheid, adjunct-administrateur Ludo Caeymaex en directeur Paul Woot de Trixhe. Hun diensten deden dat wel, en op 23 mei 1950 had de Staatsveiligheid bij het Brussele parketgeneraal zelfs formeel klacht ingediend tegen André Moyen wegens onrechtmatige toe-eigening van een officiële functie. De Staatsveiligheid ving bot - het onderzoek werd namelijk gevoerd door... commissaris Roger Fretin, alias Monsieur Durand. Hoewel het onderzoek op een sisser afliep, gaf het een interessante inzage in Moyens modus operandi. Zo schaamde hij er zich niet voor om de echtgenote van een man die hij schaduwde 'een beetje het hof te maken.' Het ging om de vrouw van een zekere Mojzesj Rawicz (zijn naam alleen was voor Moyen voldoende om hem ervan te beschuldigingen een 'gevaarlijke agent van Moskou' te zijn). Mevrouw Rawicz zei ook: Moyen heeft mij ooit een revolver getoond die hij in zijn aktentas had zitten. Hij vertelde mij dat hij die steeds bij zich had. Moyen vertelde ook dat hij met valse sleutels bij mensen binnendrong om in hun papieren te neuzen.' Ook dat was Moyen: een mythomaan die graag uitpakte met het belang van zijn werk, het geheime van zijn opdrachten en het belang van zijn netwerk en zijn beschermheren. Alleen zat er in dat gesnoef en die verhalen een harde kern van waarheid. André Moyen was dus niet de 'eenvoudige journalist' die de gerechtelijke politie van hem maakte. Zijn specialiteit waren periodieken met beperkte oplage, clubblaadjes van allerlei organisaties van de katholieke rechterzijde zoals Vrai, Septembre en Europe Amérique. Als Moyen schreef, was dat meestal onder schuilnamen als 'Cincinnatus' of 'André de Sain-Michel'. Zeer opvallend is dat die bladen toen al Julien Lahaut in het vizier hadden. Nadat Lahaut in juli 11945 was teruggekeerd uit de nazi-kampen, blokletterde Septembre: 'Julien Lahaut doit être arêté'. In december 1945 was het André Moyen in persoon die de lezers van Septembre eraan herinnerde dat al bij de eedaflegging van Leopold III in 1934 Julien Lahaut zich had bezondigd aan uitingen van 'antimonarchisme'.In 1947 overspeelde Moyen nochtans zijn hand toen hij uit een eenvoudig fait divers - het laag overvliegen van een vliegtuig in de streek van Namen - de conclusie trok dat dit moest gaan om droppings van wapens voor sovjetorganisaties. Hij schreef daarover in zijn blaadjes - 'Les Sovjets parachutent des armes en Belgique' - maar toen dat tot een angstpsychose leidde in Namen en omstreken, was het welletjes voor de autoriteiten. De Rijkswacht en de Staatsveiligheid zetten een grootscheepse actie op. Moyen en zijn companen vallen door de mand. De hoofdcommissaris van Namen rapporteerde: 'We hebben tijdens ons onderzoek gemerkt dat deze verhalen voortkomen van extreemrechtse leden van het Geheim Leger. Ze wilden hun werk na de bezetting voortzetten en meenden dat 'het werk nog niet af was' en dat het land hen nog nodig had.' Pas tien jaar later, in 1961, kwam er nog een kans op een doorbraak in het moordonderzoek. Ditmaal ging het om een Antwerps spoor. Commissaris Alfred Van der Linden, hoofd van de moordsectie van de Gerechtelijke Politie van Antwerpen, stoot in een onderzoek naar een roofmoord toevallig op een veertien jaar oud onderzoek van een van zijn collega's, inspecteur Germain Deloof. In 1947 had die een vooronderzoek gevoerd naar het Belgisch Anti-Communistisch Blok (BACB). In dat dossier ontdekte Van der Linden briefwisseling met een informant uit mei 1948. Daaraan was een handgeschreven nota bevestigd: Nadien maakte inspecteur Deloof een officieel rapport op over het Belgisch Anti-Communistisch Blok. Van der Linden was onthutst toen hij het verslag las. Deloof repte met geen woord over de (mondeling meegedeelde?) plannen voor een moordaanslag. Waarom niet? Zelfs toen Lahaut twee jaar later ook werkelijk werd vermoord, lichtte politieman Deloof zijn oversten of zijn Luikse collega's niet in. Waarom niet? De laatste zin - 'auto-plaat zou meegedeeld worden' - maakt dit Antwerpse kattenbelletje dubbel intrigerend, want twee jaar later zal de nummerplaat van de vluchtauto effectief afkomstig zijn uit... Antwerpen.Commissaris Van der Linden ontdekte nog meer: Van der Linden zocht met veel energie naar de Antwerpse betrokkenen bij de moord op Lahaut. De voorzitter van Belgisch Anti-Communistisch Blok was een zekere Raf Van Os. Van Os was de kleinzoon van Jan Baptist Napolitaan Van Os, de oprichter en eerste hoofdredacteur van de Gazet van Antwerpen. Na de moord vertrok Raf Van Os ineens naar Congo om in Kivu als koffieplanter en restaurantuitbater te werken. Na de onafhankelijkheid in 1960 was hij, zoals zoveel kolonialen, naar België teruggekeerd. Bij zijn ondervraging vertelde Van Os dat het BACB destijds inlichtingen moest inwinnen over communisten. Die goot hij in rapporten die 'overgemaakt zijn aan iemand van het Tweede Bureau of van de regering, want ik was bekend in hogere sferen in Brussel'. Van Os gaf geen namen: 'Mensen van de regering en mensen van euh... Dat mag ik niet zeggen. In de tijd mocht ik het niet vernoemen, en ik zie niet in waarom ik het thans zou zeggen.' Toen de ondervragers bleven aandringen, dreigde Van Os hen af met de opmerking 'dat indien het niet zou ophouden, hij eerstdaags CVP-voorzitter Vanden Boeynants over de zaak zou spreken'. De ondervragingen leverden niets op. De getuigen zwegen. Er werden geen materiële bewijzen gevonden. Van der Linden vermoedde veel en wist zo goed als alles, maar hij kon niets bewijzen. In de vroege jaren zestig was het gerechtelijk onderzoek naar de moord op Lahaut doodgebloed.Het duurde tot de jaren tachtig voor een aantal journalisten en historici de draad weer oppikten. Een van de merkwaardigste feiten die bovengespit werden, staat in Ik alleen, de lezenswaardige biografie van VRT-journalist Bert Govaerts over CVP-politicus Albert De Vleeschauwer. De Vleeschauwer was een ultra-leopoldist die tot een paar dagen voor de moord op Lahaut minister van Binnenlandse Zaken was. Toen hij het nieuws van de moord vernam, nam De Vleeschauwer diezelfde dag nog contact op met... André Moyen. Die moest hem helpen om in het geheim naar Frankrijk te vluchten. De Vleeschauwer vreesde op zijn beurt voor een aanslag.Moyen bezorgde hem een valse identiteitskaart op naam van Albert de Vaux. Voor die schuilnaam was een goede reden, stipt Govaerts aan, en het kenmerkte de getrainde spion die Moyen was: 'Hij had gemerkt dat Albert De Vleeschauwer linnen droeg met zijn initialen.' In echte cloak and dagger-stijl reed op 21 augustus 1950 een klein konvooi bestaande uit een Jeep (Moyen zat zelf achter het stuur), een Chevrolet en een Citroën naar een grensovergang nabij Bouillon. De Franse contactpersoon die op De Vleeschauwer wachtte, identificeerde zich door de tweede helft te tonen van een fiche waarvan de ex-minister de eerste helft bezat. De merkwaardige rol uitspitten van De Vleeschauwer was een van de evidente taken voor de auteurs van Wie heeft Lahaut vermoord? toen ze in 2012 aan het begin stonden van hun historisch onderzoek. Ze wilden ook te weten komen wat in regeringskringen bekend was over Moyen. Ze wisten inmiddels dat Moyen maandelijkse 'activiteitenverslagen' schreef en ze naar 'hogerhand' verstuurde, dus wilden ze graag lezen wat hij in 1950 had geschreven, voor en na de moord op Lahaut.In de papieren van premier Joseph Pholien vonden ze een nota van de Staatsveiligheid uit januari 1951, met een overzicht van alle inlichtingendiensten. Onder 'private diensten' staat helemaal bovenaan: Ook in het archief van de Gerechtelijke Politie van Brussel bevond zich een nota van juli 1948. Daarin staat dat André Moyen 'Brufina (Banque de Bruxelles) en de Société Générale de Belgique onder zijn klanten' had. Hij verstrekte hen 'vooral inlichtingen over vreemdelingen en politieke aangelegenheden'. De informatie die Moyen aan zijn betaalheren leverde, was onschuldig noch vrijblijvend:Stukje bij beetje konden de drie historici de actieradius van Moyen reconstrueren, hoe hij een netwerk uitbouwde als een clandestiene organisatie, naar het model van zijn oude verzetsgroep 'Athos'. Zijn clientèle bestond uit de toplaag van La Belgique à papa.Zo stootte men in de archieven van Union Minière op een verslag van een vergadering uit 1949. Daarin gaf minister van Koloniën Pierre Wigny (CVP) aan André Moyen persoonlijk de opdracht om 'een antisubversief netwerk met de naam Crocodile' op te richten in Congo. De contactpersoon was kabinetschef Léon Bruneel. Die bedankte inderdaad 'mijnheer Richard' (nog een codenaam van Moyen) wegens 'de ontvangst van documenten die ons in staat hebben gesteld om interessante contacten te leggen in Congo'. Bij de agenten die Moyen rekruteerde voor Crocodile waren gewestbeheerders en koloniale ambtenaren, bedienden van Union Minière, en zelfs de apostolische vicaris van Katanga, monseigneur Felix de HemptinneEen andere Congolese agent van Moyen was... Germain Deloof: de Antwerpse inspecteur van wie commissaris Van der Linden in 1961 had ontdekt dat hij de moordplannen op Lahaut had 'vergeten' te vermelden aan het gerecht. Nog een agent was de uitbater van een restaurant in Kivu. Inderdaad: BACB-voorzitter Raf Van Os.De puzzelstukken vallen op hun plaats. De historici vinden nog een cruciale nota van de Staatsveiligheid. Op 12 november 1949 beschreef de Antwerpse commissaris voor de veiligheid, een zekere A.V.F, de actieradius van het Belgisch Anti-Communistisch Blok: 'Naar uit zekere bron werd vernomen, is het BACB opgericht door toedoen van André Moyen, alias Kapitein Freddy.' Zijn steunpilaar in Antwerpen is 'Van Os, Rafaël, Pierre, bestuurder van het plaatselijk bijhuis der melkerij Stassano.' Bij de medewerkers die 'met zekerheid werkzaam zijn voor Moyen. A., en tevens daadwerkelijk optreden in het kader van het BACB' staat op de eerste plaats: Wat Van der Linden in 1961 intuïtief aanvoelde maar hij niet kon bewijzen, stond al vijftien jaar zwart op wit in een nota van de Staatsveiligheid: Moyen was de echte chef van BACB, en Frans Goossens - de moordenaar van Lahaut - werkte in zijn opdracht. Dat document heeft Van der Linden nooit bereikt, en net zomin de opeenvolgende onderzoeksrechters in Luik. Bij het doorploegen van de archieven van de gerechtelijke politie stootten de onderzoekers tot hun grote verbazing op tientallen, honderden nota's van André Moyen, en merken zij dat de politie meer dan eens in actie komt op zijn commando. Zowel in Brussel als in Antwerpen wist de Gerechtelijke Politie goed wie Moyen was, wat hij deed en wat hij dacht. Maar als onderzoeksrechter Louppe de GP om inlichtingen naar Moyen vroeg, loog ze hem bewust voor en deed alsof hij alleen als 'journalist' werkte. Zelfs binnen de onderzoekscel-Lahaut had Moyen zijn mannetje, mogelijk commissaris Decaussy.Dat het netwerk van Moyen geïnfiltreerd is bij de onderzoekers naar de moord op Lahaut, staat zwart op wit in nog een ander document, de spreekwoordelijke 'speld in de hooiberg' waar de drie historici naar zochten. In de papieren van CVP-toppoliticus Albert De Vleeschauwer vinden ze een exemplaar van het rapport Activité du Reseau pendant le mois d'août 1950. Het belang van die nota kan nauwelijks overschat worden. André Moyen lichtte zijn contacten in over wat zijn mensen hadden gedaan. Hij wond er geen doekjes om: De inhoud van deze nota is cruciaal. Het lijkt erop alsof André Moyen in dialoog en/of discussie gaat met al die hooggeplaatste CVP'ers, premier Joseph Pholien op kop. Zij huldigden volgens de auteur wel een anticommunistische retoriek, maar als er een topcommunist als Lahaut geliquideerd werd, wasten zij hun handen in onschuld en, erger nog, veroordeelden zij zelfs die daad. Moyen spreekt trouwen niet van een 'moord', maar van een 'executie'. Voor een generatie die had geleefd met oorlog en repressie, betekende 'executie' een militaire straf voor verraders. Vandaar het onverholen dreigement van Moyen aan zijn netwerk: als het onderzoek naar 'zijn' mensen te ijverig zou worden gevoerd, dan vallen er nog meer doden - bij de communisten, en bij die leden van het gerecht op wiens bescherming ze kunnen rekenen.Even cruciaal is wat er niet geschreven werd. De tekst bevatte niet één verwijzing naar Leopold III, de eedaflegging van Boudewijn of de Koningskwestie. Het mag duidelijk zijn: Julien Lahaut werd helemaal niet gedood omdat hij 'Vive La République' had geroepen. Hij werd geëxecuteerd omdat hij een communist was.Dat gebeurde dus onder de dekmantel van een genootschap dat André Moyen omschreef met dat intrigerende woord: synarchie. Het Nederlands kent er geen echt synoniem voor. In het Frans is synarchie een vage term voor een vorm van oligarchie, een netwerk met vertakkingen tot in de hoogste kringen van de samenleving. Dat klinkt snoeverig, maar het was de waarheid. De onderzoekers ontdekken dit verslag niet alleen bij een toppoliticus als Albert De Vleeschauwer , maar ook in de papieren van Herman Robiliart. Die naam doet vandaag geen belletje meer rinkelen, maar in de naoorlogse decennia was hij een van de allerbelangrijkste bedrijfsleiders van België. Tot zijn plotse dood in 1963 was Robiliart de gedelegeerd bestuurder en dus de operationele leider van Union Minière en zetelde hij in het directiecomité van de Generale Maatschappij. In zijn nota's noemt Moyen Herman Robiliart (Union Minière) en Marcel De Roover (Brufina) zijn 'chefs'. Ze waren ook zijn belangrijkste betaalheren.De drie historici wijzen erop dat het netwerk van André Moyen - of toch de tak 'inlichtingen' ervan - wellicht werd opgericht op initiatief van de topfiguren van de Generale Maatschappij zelfs. Voor de Tweede Wereldoorlog financierde het Centraal Nijverheidscomité (als belangrijkste werkgeversorganisatie de voorloper van het VBO) samen met verschillende banken een geheime inlichtingen- en actiedienst, de 'Société d'Etudes Politiques, Economiques et Sociales' (SEPES). In werkelijkheid verzamelde SEPES inlichtingen over communistische agenten en hun activiteiten en speelde die door aan de parketten en inlichtingendiensten. Marcel De Roover was er al bij betrokken. In augustus 1944 (dus in de laatste weken voor de bevrijding van het land) schreef Gaston Blaise, de gouverneur van de Generale Maatschappij, in een nota aan Herman Robiliart of het niet nuttig zou zijn opnieuw een organisatie à la SEPES op te richten: 'Ik denk dat een discrete inlichtingendienst noodzakelijker is dan ooit. Indien u het met mij eens bent, moeten we daar eens concreet over nadenken.' Waarschijnlijk was het resultaat van dit overleg dat Union Minière overging tot de financiering van (het netwerk van) André Moyen. Uit de archieven van Union Minière blijkt dat Moyen al in 1946 rapporten schreef aan beide hooggeplaatste mannen. Robiliart kreeg als codenaam 'Monsieur R.', en net als in een spionageroman werd gouverneur Blaise 'Djumbo'. Omgekeerd verwijzen zij naar 'Monsieur Richard' als ze het over Moyen hebben.Namens Union Minière ontpopte Herman Robiliart zich als de mecenas van Moyen. Robiliart zorgde ervoor dat Moyen kon beschikken over een kantoor. Hij regelde de financiering van zijn organisatie. Aanvankelijk werd er betaald in baar geld, nadien per overschrijving. Union Minière betaalde niet alles zelf. De andere belangrijke structurele financier was Brufina, met Marcel De Roover als contactpersoon. Occasioneel werd er ook betaald door andere bedrijven van de Generale Maatschappij, zoals Forges de Zeebrugge of ACEC. In ruil gaf André Moyen zijn betaalheren allerlei inlichtingen. De onderzoekers vonden 1.787 rapporten, van diverse aard en omvang (van ettelijke pagina's tot een paar lijntjes), en troffen verwijzingen aan naar nog eens 190 andere rapporten. Er zijn maandverslagen, thematische rapporten en persoonlijke nota's. Vaak stuurde Moyen inlichtingen op uit eigen initiatief, maar soms ging hij ook op onderzoek uit na een specifieke vraag van zijn opdrachtgevers. In regel stuurde Moyen zijn rapporten door naar Herman Robiliart. Die bewaarde ze in een brandkast in zijn eigen kantoor. Na lezing stuurde Robiliart de meest interessante informatie door naar Jules Dubois-Pelerin, de secretaris-generaal van de Generale Maatschappij. Die maakte ze vervolgens over aan de gouverneur: eerst Gaston Blaise (1944-1950), nadien aan Paul Gillet (1950-1961), en soms ook naar de vicegouverneurs. Zij schreven er zo nodig aan- en opmerkingen bij, en zo belandden die stukken terug bij Robiliart. De onderzoekers vonden verschillende van dergelijke memo's van de top van de Generale. Daarbij viel op dat de kring van ingewijden die de nota's van Moyen onder ogen kreeg, uiterst beperkt bleef. Robiliart schreef bijvoorbeeld als commentaar bij twee rapporten van Moyen: Tegelijk zorgde Moyen ervoor dat zijn werk geen eenrichtingsverkeer bleef. Hij huurde in Brussel een postbus - natuurlijk onder een valse naam - waar zijn correspondenten hem konden bereiken. Het ministerie van Koloniën wendde zich tot die postbus als men contact zocht met 'Crocodile', en ook de onvermijdelijke Albert De Vleeschauwer maakte er gebruik van.Bovendien leverde Moyen indien nodig ook gespecialiseerde schaduw- en bewakingsopdrachten aan Union Minière en andere dochterondernemingen van de Generale Maatschappij. Zo lichtte in 1951 Monsieur Richard (André Moyen dus) 'Monsieur R.' (Robiliart) in dat hij inlichtingen zou laten inwinnen over een werknemer van Forges de Clabecq door zijn agent 'Adolphe' - dus door François Goossens, een van de moordenaars van Lahaut. De vraag stelt zich natuurlijk hoe 'hooggeplaatst' Moyens andere contacten waren. Het was duidelijk dikke mik met een top-CVP'er als Albert De Vleeschauwer. Op het moment van de moord op Lahaut was De Vleeschauwer weliswaar geen minister meer, maar als ex-minister van Koloniën en Binnenlandse Zaken was hij een zwaargewicht. Hij was ook de enige ex-minister uit het Londense oorlogskabinet van Hubert Pierlot die het vertrouwen van Laken had weten te herwinnen. In totaal kreeg hij meer dan duizend nota's en rapporten van Moyen, en hij nam diens netwerk in bescherming tegenover de Staatsveiligheid. Ook met zijn ex-kabinetschef Henri Adam (codenaam: 'Abel') waren de contacten uitstekend. Adam was ook kabinetschef van de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken Maurice Brasseur. Ook aan Brasseur maakte Adam een zestigtal rapporten over die hij ontvangen had van Moyen. Nadien verkaste Adam naar de administratie als directeur-generaal Binnenlandse Zaken, een scharnierfunctie inzake binnenlandse veiligheid. Het stopt zelfs niet bij De Vleeschauwer en zijn entourage. Volgens de auteurs is het plausibel, zelfs aannemelijk dat niemand minder dan premier Joseph Pholien zelf weet had van de moordenaars. Moyen stuurde al zijn rapporten door naar zijn oude strijdmakker en ontdekker, majoor - nu kolonel, later generaal - Mampuys. In 1950 was Mampuys het hoofd van de Militaire Veiligheid en rapporteerde hij rechtstreeks aan de eerste minister. Zou Mampuys echt deze cruciale informatie achter gehouden hebben?Vooral omdat er een materieel spoor is dat Pholien en Moyen elkaar kenden. Ook dat was zoeken naar een naald in de hooiberg, want het nochtans omvangrijke archief van Pholien bevat niet één document betreffende de moord op Lahaut - alles wijst erop dat het 'uitgekuist' is.Maar zoals zo vaak, zag men daarbij één detail over het hoofd. Het gaat om een korte opmerking in het dagboek van Pholien. Op 18 december 1950 moest de hele regering aanwezig zijn in Antwerpen om het Korea-bataljon uit te wuiven. Pholien noteerde: Gezien de context kan Richard niemand anders zijn dan 'meneer Richard', dus André Moyen. De laconieke formulering van zijn naam, wijst erop dat Pholien hem kende. Het feit dat hij effectief gevolg geeft aan de inlichtingen die 'Richard' hem verstrekte, leert dat de eerste minister er geloof en belang aan hechtte. De drie auteur zijn formeel: 'Pholien heeft met andere woorden al eerder berichten van Richard ontvangen.'Tenslotte had André Moyen zelfs een paar geprivilegieerde contacten aan het Hof. Met zekerheid werden de rapporten doorgestuurd naar kolonel Hubert Rombouts, een naaste medewerker van Leopold III. Rombouts was de broer van de echtgenote van Henri Adam. Moyen pochte nog wel over andere contacten aan het Hof en beweerde dat Rombouts echt als tussenpersoon met Leopold en zelfs met Boudewijn heeft gefunctioneerd, maar dat hebben de onderzoekers nergens kunnen hard maken. Toch is er weer dat ene, zo intrigerende detail. In april 1949 bracht prinses Joséphine Charlotte, het oudste kind van koning Leopold, een belangrijk bezoek aan Brussel. De hele koninklijke familie bevond zich immers nog in ballingschap in het Zwitserse Prégny, de Koningskwestie woedde in alle hevigheid, de prinses was de eerste royal die terug voet aan land zette in België - een kapitaal belangrijk charme-bezoek dat de echte terugkeer van Leopold III moest inleiden.De zenuwen bij de veiligheidsdiensten waren dus strak gespannen: een aanslag werd niet uitgesloten. In dat klimaat beklaagde Moyen zich bij zijn goede vriend De Vleeschauwer, als minister van Binnenlandse Zaken de hoogste verantwoordelijke voor de veiligheid van de prinses - hij begeleidde haar persoonlijk bij haar bezoek - andermaal over de gebrekkige werking van de Staatsveiligheid. Die zouden de bewaking moeten verzorgen, 'maar waren niet aanwezig toen de prinses het vliegtuig verliet, en ze vonden het blijkbaar voldoende om haar per auto te verzorgen.' Iemand anders - wellicht Moyen zelf - had er dus zelf voor gezorgd dat een gewapend maar incognito commando de massa in de gaten hielden die zich voor het paleis van Laken had verzameld. De leiding van deze ad hoc- beveiliging van het koninklijk paleis lag in handen van... François Goossens. Juist.De vriendschap tusen André Moyen en François Goossens bleef intact, tot de dood van die laatste in 1977. In zijn bibliotheek stond nog altijd een exemplaar van Moyens boekje Service 8, met een handgeschreven opdracht van de auteur voor Goossens: 'En souvenir de notre guerre.'Moyen had dus contacten te over, en een groot aantal van hen werden ingelicht over de toedracht van de moord op Lahaut. Hoe divers en hooggeplaatst die contacten waren, bewijzen de drie kopieën van het bewuste 'activiteitenverslag' die meer dan zestig jaar na de feiten nog konden worden teruggevonden. Die waren dus bestemd voor een toppoliticus (De Vleeschauwer), een topindustrieel (Robiliart) en een commissaris van de gerechtelijke politie (Georges Block). Niemand - níémand - dacht eraan het parket en de onderzoeksrechter in te lichten. En ze wisten goed hoe explosief de inlichtingen waren die Moyen hen had verstrekt. Zowel Herman Robiliart als commissaris Block knipten de passage over de 'executie' van Lahaut af van het document - de overige pagina's bleven wel bewaard.De moord op Julien Lahaut bleef dus onopgehelderd. Emmanuel Gerard (red.), Widukind De Ridder & Françoise Muller, Wie heeft Lahaut vermoord? De geheime Koude Oorlog in België, Davidsfonds, 2015.Françoise Carton de Tournai & Gustaaf Janssens (red.), Joseph Pholien. Un homme d'état pour un Belgique en crises, Editions Mols, 2003.Walter De Bock, De mooiste jaren van een generatie. De nieuwe orde in België voor, tijdens en na WO II, Epo - De Morgen, 1982.Bert Govaerts, Ik alleen! Een biografie van Albert De Vleeschauwer (1897-1971), Houtekiet, 2012.Jacques Pirenne, Mémoires et Notes Politiques, Editions Marabout, 1975.Rudi Van Doorslaer - Etienne Verhoeyen. De moord op Lahaut. Het communisme als binnenlandse vijand, Kritak, 1985.Rudi Van Doorslaer - Etienne Verhoeyen, De moord op Julien Lahaut. 25 jaar later, Meulenhoff-Manteau, 2010.