Eén tweet van Donald Trump was voldoende om een aantal Vlaamse politici te activeren die de voorbije maanden en jaren aan het dutten waren, terwijl op enkele duizenden kilometers van Brussel duizenden Europese jihadi's met lijf en leden het zelfverklaarde kalifaat van Abu Bakr al-Baghdadi verdedigden.

De Amerikaanse president stelde, vanuit zijn perspectief enigszins terecht, dat een aantal Europese landen best snel de FTF's (Foreign Terrorist Fighters) terug zouden verwelkomen, zodat de gevangenissen en tentenkampen in de streek van het voormalige IS-kalifaat in Irak en Syrië, bevrijd kunnen worden van individuen die er uiteindelijk niets te zoeken hebben. Of dat werkelijk zo is, is een iets complexere zaak dan op het eerste zicht lijkt.

Zo rijst al meteen de vraag of de Islamitische Staat nu definitief verslagen is: alhoewel haar grondgebied tot minieme grootte is gereduceerd, blijft de zelfverklaarde kalief in leven, en blijven er her en der bijzonder actieve commandocellen verspreid. Te vroeg victorie kraaien lijkt ten zeerste ongepast, want indien de Amerikanen zich snel terugtrekken, en de leemte niet deftig opgevangen zou worden, en/of indien andere belanghebbende partijen foute strategisch-militaire stappen zetten, zou het IS-kalifaat wel eens erg snel kunnen heropleven. Het lijkt onwaarschijnlijk, maar het is niet onmogelijk. Daarbij mogen we niet vergeten dat de organisatie leunt op miljarden die het tijdens de voorbije jaren verdiende. Er blijft dus zowel ideologische sterkte, financiële ruggengraat, en een rekruteringsvijver die zeker niet volledig opgedroogd is.

Het is tijd om een internationaal tribunaal op te richten voor de berechting van jihadi's.

Ook indien IS een andere vorm aanneemt, en de focus zou verleggen als internationaal opererende terreurbeweging, al dan niet in concurrentie met broedergroepen als Al Qaeda, is het momenteel moeilijk en zelfs gevaarlijk naïef te stellen dat de organisatie werkelijk klein gekregen is. We hebben enkele maanden geleden gesteld dat wantrouwen en voorzichtigheid betreffende de jihadi's aan de orde is, en die visie blijft geldig, ook in dit debat.

Betreffende het huidige vraagstuk over de eventuele terugkeer van de jihadi's en hun partners, dringen zich drie potentiële pistes op, waarbij beleidspolitici zich genoodzaakt zien om niet enkel politico-juridische maar ook morele afwegingen te maken. Een eerste mogelijkheid is de toepassing van de 'lex talionis', principe uit het Oude Testament, dat stelt "een oog voor een oog, een tand voor een tand".

In die zin, zou men kunnen stellen dat in principe een vrijheidsberoving, bestraffing, inclusief een eventuele doodstraf, ter plaatse in Irak of Syrië de beste oplossing zou zijn. Indien men dat koppelt aan de gerechtvaardigde idee dat het snel ontnemen van de nationaliteit een gepaste maatregel is, is de klus vrij snel geklaard, althans in de gedachten van een aantal Vlaamse politici. In die optiek is het simpelweg niet 'ons probleem'. Dat is de oplossing die het makkelijkst lijkt; er hoeft zelfs niets voor gedaan te worden. Geen moeilijke knopen die moeten doorgehakt worden, geen risico op een slechte perceptie bij het electoraat midden in een kiescampagne, en geen problemen bij eventuele minieme bestraffing of terugkeer in onze samenleving.

Maar de medaille heeft een tweede kant: dergelijke (non-)beslissing staat ver van de idee van mensenrechten en de garanties op een fair proces. Het geeft ook de autonomie van het bestraffen uit handen aan lokale autoriteiten in Irak en/of Syrië, terwijl we weten dat de rechtszekerheid, fundamentele rechten en vrijheden, en rechterlijke onafhankelijkheid, eerder beperkt zijn ginder, en op zijn minst minder goed georganiseerd lijken dan de rechterlijke orde in België.

Maar het argument dat de jihadi's er zelf voor gekozen hebben om ginder hun leven op te bouwen en hun lot in handen te leggen van een rechterlijk systeem dat anders is dan het onze, blijft sterk. Het feit dat ze in de feiten ginder gebleven zijn tot na de quasi-ondergang van het zogenaamde kalifaat versterkt dat argument nogmaals.

Filosofisch vraagstuk

Om het simpel te stellen: ze hebben gekozen voor een nieuw leven ginder, en ze dragen daar nu de gevolgen van. Die bikkelharde visie is niet zonder merite, maar het is niet de traditionele manier waarop Westerse mensenrechten geconcipieerd werden, en het blijft verraderlijk om het lot van de jihadi's in handen te leggen van rechters die ze misschien levenslang zullen opsluiten, maar evengoed na zes maanden of een jaar kunnen vrijlaten. Daarbij blijft de vraag of het ter plaatse toepassen van de doodstraf een element is dat we in de weegschaal zouden moeten leggen; het is een filosofisch vraagstuk waarop men niet zo makkelijk een sluitend antwoord kan geven.

Een tweede piste, wellicht de minst goede, doch misschien degene die het meeste kans maakt het te halen in de huidige Vlaamse context onder Amerikaanse druk, is het terugbrengen van de jihadi's om ze hier door Belgische rechters te laten bestraffen. Daarbij dienen we al meteen te stellen dat noch ons justitieel systeem met bijzonder beperkte straffen, noch ons veiligheidsapparaat, voorbereid zijn voor hun taak. De rechterlijke orde kan niet anders dan de bestaande wetgeving toepassen, en dat betekent dat de meeste jihadi's voor vijf jaar (of minder) van de vrijheid zullen beroofd worden. Een gevangenisstraf van amper enkele jaren is surrealistisch weinig voor een kalifaatstrijder die naam waardig. Straffen van drie à vier keer zoveel lijken eerder gepast - ook hierover zou het debat mogen geopend worden.

Geradicaliseerd vrijkomen

Vervolgens zouden de teruggebrachte strijders vrijkomen, dus na hooguit vijf jaren gevangenis. We hebben recent gezien bij ex-ronselaar Jean-Louis Denis dat het risico bestaat dat de strijders even radicaal, zo niet nóg meer geradicaliseerd, zouden vrijkomen. Dat betekent dat ze op zijn minst erg nauw opgevolgd zullen moeten worden door bevoegde veiligheidsdiensten. Noch de Staatsveiligheid, noch de militaire inlichtingendienst functioneren momenteel optimaal; er werd recent uitvoerig over bericht in de pers. Ook daar zijn we dus niet grondig uitgerust noch voorbereid.

Opnieuw zien we in een context van religieus geïnspireerd radicalisme en terreur een amateuristisch gebrek aan voorbereiding en de gehele afwezigheid van langetermijndenken.

Indien we dat kader schetsen, namelijk een beperkte bestraffing, en een opvolging die sowieso gebrekkig zal verlopen, lijkt het geen goede keuze om ons eraan te wagen tientallen mannen en vrouwen terug te brengen naar België. Het argument dat Frankrijk dat wel doet is in deze visie niet toepasbaar op ons land: Frankrijk doet dat als pionier in de mensenrechten uitstekend, maar is vooral ook beter uitgerust: er zijn strengere straffen en het veiligheidsapparaat werkt er op vlak van opvolging van geradicaliseerden anders dan bij ons.

Een derde, in ons inziens veel beter scenario, is de ad hoc oprichting van een internationaal tribunaal, dat enerzijds de expertise zou bezitten om correct en grondig te vervolgen, en anderzijds op uniforme wijze deftig te straffen. Het zou een samenwerkingsverband betekenen in een breed Europees of internationaal kader, bijvoorbeeld zoals het Joegoslaviëtribunaal of het Rwandatribunaal.

Er dient dan een initiatief genomen te worden, en bijvoorbeeld op niveau van de Verenigde Naties, of in Europees verband, een speciale rechtbank opgericht te worden, een International Criminal Tribunal for Foreign Terrorist Fighters. Het zou de rechtszekerheid goed doen, het zou tonen dat er bereidheid is om dit professioneel en met daadkracht aan te pakken. Het zou voorts garanderen dat de feiten niet straffeloos blijven en de misdaden werkelijk gevolgen hebben. En het zou op menswaardige wijze een oplossing bieden aan een netelige kwestie die ons anders nog jaren zal achtervolgen.

Met verkiezingen in aantocht, en een daaropvolgende heikele regeringsvorming die wellicht meerdere maanden zal duren, lijkt een grondig doordachte en welvoorbereide oplossing in 2019 weinig waarschijnlijk. Opnieuw zien we in een context van religieus geïnspireerd radicalisme en terreur een amateuristisch gebrek aan voorbereiding en de gehele afwezigheid van langetermijndenken; wat baten kaars en bril als de uil niet zien en lezen wil.

Montasser AlDe'emeh is onderzoeker aan de KULeuven en deed in het kader van zijn onderzoeken veldwerk in Syrië (2014), Jordanië (2014), Tunesië (2015, 2017) en Irak (2017). Werner de Saeger is jurist en theoloog en doceert aan de Hogeschool PXL en de universiteit van Cambridge.