Het debat rond de verengelsing van het hoger onderwijs laait weer op. Professor Bart Maddens (KU Leuven) schreef enkele weken geleden dat de volgende Vlaamse regering de taalwetgeving voor het hoger onderwijs onder geen beding mag versoepelen. Hij verzette zich hevig tegen de 'sluipende verengelsing' van het hoger onderwijs. Nu hekelt ook professor Yves T'Sjoen (UGent) de taalverschraling in het hoger onderwijs.

Dat er problemen zijn met het niveau van het academisch Nederlands van instromende studenten staat als een paal boven water. Dat er derhalve een rem moet worden gezet op het academisch Engels in het hoger onderwijs is minder vanzelfsprekend. Bovendien dient één en ander te worden genuanceerd in dit debat.

Slippery slope

Vooreerst is het belangrijk om te stellen dat de keuze tussen het Nederlands en het Engels als wetenschappelijke lingua franca een valse tegenstelling is. Dat blijkt ook uit het advies van de Raad Hoger Onderwijs binnen de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) over taalbeleid in 2017. Daarin benadrukken de hogeronderwijsinstellingen dat ze én het Nederlands als wetenschappelijke taal willen bestendigen en beschermen, én studenten willen voorbereiden op een rol in de internationale kennismaatschappij via anderstalig onderwijs. Professor T'Sjoen vindt in de Vlor dus een partner in zijn pleidooi voor meertaligheid.

Het gebruik van Engels in het onderwijs leidt net tot méér toegankelijkheid.

Geert De Hoon, oud-voorzitter Studentenraad Universiteit Antwerpen.

Professoren T'Sjoen en Maddens schermen ook met het hellend vlak (of slippery slope) van de anglicisering in Nederland om ons te waarschuwen voor een verdere verengelsing in Vlaanderen. Het is daarbij echter interessant om ook de Europese gegevens na te gaan. Ondanks dat het aantal Engelstalige opleidingen in Europa in absolute cijfers exponentieel stijgt, blijft het procentueel aandeel van Engelstalige opleidingen in Europa beperkt tot zes procent. Dat kwam in 2014 overeen met 1,3 procent van het totaal aantal studenteninschrijvingen. Bovendien zijn er grote regionale verschillen wat verengelsing betreft, en is Nederlands daarbij de grote uitschieter. Louter verwijzen naar de Nederlandse context getuigt aldus van een zekere intellectuele oneerlijkheid.

Maddens haalt enkele argumenten aan tegen verengelsing. Het is daarbij frappant dat hij de elementen om deze argumenten te weerleggen zelf aanhaalt. Zo stelt hij dat Engelstalige vakken de drempel naar de universiteit verhogen voor brede lagen van de bevolking. Als oud-lid van menig diversiteitswerkgroep aan de Universiteit Antwerpen, ligt de democratiseringsgedachte ook mij nauw aan het hart. Niettemin haalt de auteur zelf aan dat slechts zes procent van de bacheloropleidingen in Vlaanderen anderstalig mag zijn. Volgens wiskundige logica kan je aldus vaststellen dat 94 procent van de bacheloropleidingen in Vlaanderen Nederlandstalig is. Bovendien moet voor elke anderstalige opleiding een Nederlandstalig equivalent bestaan. Hoewel we het fenomeen van spookopleidingen moeten erkennen, bestaat er dus voor het overgrote merendeel van anderstalige opleidingen een Nederlandstalig alternatief. Er bestaan dus tout court veel meer Nederlandstalige opleidingen dan Engelstalige.

Vervolgens stellen ze dat het leerproces vlotter loopt in de moedertaal. Ook hier geldt dat als een student aanvoelt dat een opleiding in het Engels minder evident zou zijn, dat er een Nederlandstalig alternatief voorhanden is.

Verdeelsleutel

Als derde argument waarschuwen de professoren voor de 'drastische maatschappelijke gevolgen' van de verengelsing en de bijhorende toename van buitenlandse studenten. Maddens stelt dat door het grote aantal internationale studenten de beschikbare tijd voor individuele begeleiding per student vermindert. Dat probleem wordt echter niet enkel door internationale studenten veroorzaakt. Integendeel geldt dat probleem voor alle studenten door de toegenomen studentenaantallen.

De dieperliggende oorzaak daarvoor is de verdeelsleutel voor de werkingsmiddelen vanuit de Vlaamse overheid. Die gesloten enveloppe, waarbij studentenaantallen één van de factoren is voor meer werkingsmiddelen, is een zero sum game. Enkel als een universiteit een groter marktaandeel heeft in de studentenaantallen ten opzichte van de andere universiteiten, krijgt ze meer werkingsmiddelen. Dat zorgt ervoor dat alle universiteiten meer en meer studenten trachten aan te trekken, waardoor de studentenaantallen harder stijgen dan de eventueel toegenomen werkingsmiddelen.

Opleidingsonderdelen die in het Engels gedoceerd worden, maar waarvan het examen in het Nederlands afgelegd worden, zijn vis noch vlees.

Het is om die reden dat ik als studentenvertegenwoordiger steeds heb geijverd voor een evenredige stijging van de investeringen in studenteninfrastructuur (waaronder ook investeringen in onderwijzend personeel) bij een stijging van de studentenaantallen. Het tekort aan individuele begeleiding voor studenten heeft dus niets te maken met verengelsing, maar wel met de stijging van studentenaantallen (ongeacht hun nationaliteit), aangespoord door het Vlaamse financieringsmechanisme.

Vis noch vlees

Ten slotte stellen beide professoren dat de verengelsing de kloof tussen universiteit en maatschappij verdiept. Dat getuigt van een zekere academische wereldvreemdheid. Ik heb zelf tijdens mijn universitaire opleiding ervaren dat mijn taalgebruik enorm 'geacademiseerd' is. De professoren vergeten dus dat het academisch Nederlands geenszins te vergelijken valt met het dagelijks taalgebruik in de rest van de samenleving. Academisch Nederlands verkleint de kloof tussen universiteit en maatschappij niet, maar integendeel vergroot ze. Als politicoloog zou professor Maddens bijvoorbeeld moeten weten dat het academisch taalgebruik van politici uit traditionele partijen heeft geleid tot de afkeer van de bevolking voor deze partijen en tot de populariteit van meer populistische partijen.

Uiteraard zijn er ook vele voordelen aan anderstalige opleidingen. Zoals hierboven gesteld, kan men door het aanbieden van anders- of Engelstalige opleidingen meer internationale studenten aantrekken. Dat kan leiden tot een zogenaamde brain gain. Daarnaast wordt ook steevast gewezen op de positieve invloed op de internationale competenties van studenten die een anderstalige opleiding volgen. Niet enkel hun taalvaardigheden verbeteren, maar ook de interculturele competenties van studenten gaan er op vooruit. Dat laatste is een element waar werkgevers tegenwoordig veel meer belang aan hechten in een steeds meer geglobaliseerde maatschappij. Doordat het Engels een wereldwijd gebruikte lingua franca is, leidt het gebruik van het Engels in het hoger onderwijs bovendien tot een hogere toegankelijkheid van kennis. Dat komt de kwaliteit van het onderwijs alleen maar ten goede.

Niettemin kan men terecht kritiek uiten op het taalbeleid van universiteiten. Opleidingsonderdelen die in het Engels gedoceerd worden, maar waarvan het examen in het Nederlands afgelegd worden, zijn vis noch vlees. Studenten verliezen dan niet enkel veel tijd door de exacte vertaling van vaktechnische termen op te zoeken, ook verliezen ze een deel van de voordelen van Engelstalig onderwijs, doordat ze het examen niet kunnen afleggen in de doceertaal en zo zelf die taal niet leren beheersen. Consequentie in het universitaire taalbeleid is dus meer dan wenselijk.