Ik ben ongelofelijk trots op mijn echtgenote. Lea heet ze, en samen met meer dan 200.000 collega's in de brede zorgsector, gooit ze gepassioneerd lijf en leden in de strijd tegen dat niets of niemand ontziende coronavirus. Vorige week nog maakten we kort ruzie over de kleur en smaak van tomatensoep, zo gaat dat als je elkaar al lang graag ziet. Denk ik. Zo gaat dat bij iedereen, vermoed ik. De liefde is fantastisch, Lea ook.

Het belang van de zorgsector is omgekeerd evenredig met de centen die ze krijgen.

Ze werkt in een zorghotel waar de bewoners het gemis van familie almaar zwaarder voelen en corona voortdurend om de hoek loert. Al haar collega's rennen, vliegen en smijten zich om de oudere of zieke bewoners van de nodige zorg, comfort en liefde te voorzien. Liefde, alweer ja, want de authentieke verhalen over Georges, Julia, Bea (*) en vele andere bewoners snijden diep, schoon en rauw als ze zijn. Ik luister geboeid, elke avond opnieuw. Ze zijn ook exemplarisch, want niet anders dan het leven in de vele zorgcentra en ziekenhuizen of in de thuiszorg. Liefde voor anderen, in tijden van corona. Het is wat artsen, verpleegkundigen, zorgkundigen en alle andere zorgverleners in het hele land vooruit stuwt.

Ze zijn creatief met tijd en middelen, want die zijn er te weinig.

Ze doen het niet voor het geld, want dat is er amper.

Ze zijn gulzig met zichzelf, hun inzet en engagement, wat die zijn eindeloos.

Hopelijk vinden ze een beetje ruimte om ook even te genieten van de lof en warmte die we hen vandaag massaal toezwaaien.

Het besef is intussen bij iedereen aanwezig: zonder zorg redden we het niet. Enkele weken geleden kwam de brede zorgsector nog massaal op straat, een zoveelste uiting van witte woede. Een zoveelste emotionele schreeuw om meer centen en middelen. Niet voor de aankoop van een groter huis, een mooiere wagen, een duur schilderij of tweede verblijf aan zee. Wél om beter te kunnen doen wat ze vandaag doen: mensen helpen en levens redden. Ze werden niet gehoord, toen. Een voetnoot was het, middenin het geruzie over een afgekeurde goal van Anderlecht en het politiek gekrakeel over de toekomst van ons land.

We weten nu wie en wat die toekomst bepaalt. Dat zijn niet Vincent Kompany of Paul Magnette en hun collega's, dat zijn Lea en àl haar collega's. Ik doe dan ook graag een luide oproep om voortaan altijd naar hen te luisteren. Het belang van deze sector is omgekeerd evenredig met de centen die ze krijgen, individueel én collectief. Laten we dit ook na deze coronacrisis niet vergeten en fundamenteel herzien.

Het is de voorbije dagen wat onderbelicht, maar de lente is in het land. Het groen is mooier, zegt men. Zelf merk ik dat ook een stille stad zachter kleurt. De zon doet haar best en zonder corona wandelden we massaal op het strand of in het bos en zaten de terrasjes overvol. Het kan en mag niet. Nog niet. We hebben allemaal onze rol te spelen in de strijd tegen corona, privé en professioneel. We doen dat trouwens goed, wars van de berichten over die minderheid aan dwaze mensen die de ernst nog altijd niet begrijpen. Aan de overheid om die mensen kordaat te bestraffen, aan ons om hen met verhoogde sociale druk te wijzen op dit onaanvaardbaar gedrag.

Blijft de overheid haar krachtige zelf, de zorgsector zijn fantastische zelf, de wetenschap zijn slimme zelf en wij ons verantwoordelijke en solidaire zelf, dan winnen we van corona. Dat durf ik te hopen, dat wil ik hopen, dat zal ik hopen. Altijd. Het leven lacht ons even niet toe, toch moeten we verder, met af en toe ook een zacht cijfer.

Er genezen steeds meer mensen van corona. We leven op hoop want zonder hoop, ben je al dood terwijl je leeft.

En we willen leven, toch?

Deze column verscheen eerst in De Zondag.

Ik ben ongelofelijk trots op mijn echtgenote. Lea heet ze, en samen met meer dan 200.000 collega's in de brede zorgsector, gooit ze gepassioneerd lijf en leden in de strijd tegen dat niets of niemand ontziende coronavirus. Vorige week nog maakten we kort ruzie over de kleur en smaak van tomatensoep, zo gaat dat als je elkaar al lang graag ziet. Denk ik. Zo gaat dat bij iedereen, vermoed ik. De liefde is fantastisch, Lea ook. Ze werkt in een zorghotel waar de bewoners het gemis van familie almaar zwaarder voelen en corona voortdurend om de hoek loert. Al haar collega's rennen, vliegen en smijten zich om de oudere of zieke bewoners van de nodige zorg, comfort en liefde te voorzien. Liefde, alweer ja, want de authentieke verhalen over Georges, Julia, Bea (*) en vele andere bewoners snijden diep, schoon en rauw als ze zijn. Ik luister geboeid, elke avond opnieuw. Ze zijn ook exemplarisch, want niet anders dan het leven in de vele zorgcentra en ziekenhuizen of in de thuiszorg. Liefde voor anderen, in tijden van corona. Het is wat artsen, verpleegkundigen, zorgkundigen en alle andere zorgverleners in het hele land vooruit stuwt. Ze zijn creatief met tijd en middelen, want die zijn er te weinig.Ze doen het niet voor het geld, want dat is er amper.Ze zijn gulzig met zichzelf, hun inzet en engagement, wat die zijn eindeloos.Hopelijk vinden ze een beetje ruimte om ook even te genieten van de lof en warmte die we hen vandaag massaal toezwaaien. Het besef is intussen bij iedereen aanwezig: zonder zorg redden we het niet. Enkele weken geleden kwam de brede zorgsector nog massaal op straat, een zoveelste uiting van witte woede. Een zoveelste emotionele schreeuw om meer centen en middelen. Niet voor de aankoop van een groter huis, een mooiere wagen, een duur schilderij of tweede verblijf aan zee. Wél om beter te kunnen doen wat ze vandaag doen: mensen helpen en levens redden. Ze werden niet gehoord, toen. Een voetnoot was het, middenin het geruzie over een afgekeurde goal van Anderlecht en het politiek gekrakeel over de toekomst van ons land. We weten nu wie en wat die toekomst bepaalt. Dat zijn niet Vincent Kompany of Paul Magnette en hun collega's, dat zijn Lea en àl haar collega's. Ik doe dan ook graag een luide oproep om voortaan altijd naar hen te luisteren. Het belang van deze sector is omgekeerd evenredig met de centen die ze krijgen, individueel én collectief. Laten we dit ook na deze coronacrisis niet vergeten en fundamenteel herzien.Het is de voorbije dagen wat onderbelicht, maar de lente is in het land. Het groen is mooier, zegt men. Zelf merk ik dat ook een stille stad zachter kleurt. De zon doet haar best en zonder corona wandelden we massaal op het strand of in het bos en zaten de terrasjes overvol. Het kan en mag niet. Nog niet. We hebben allemaal onze rol te spelen in de strijd tegen corona, privé en professioneel. We doen dat trouwens goed, wars van de berichten over die minderheid aan dwaze mensen die de ernst nog altijd niet begrijpen. Aan de overheid om die mensen kordaat te bestraffen, aan ons om hen met verhoogde sociale druk te wijzen op dit onaanvaardbaar gedrag. Blijft de overheid haar krachtige zelf, de zorgsector zijn fantastische zelf, de wetenschap zijn slimme zelf en wij ons verantwoordelijke en solidaire zelf, dan winnen we van corona. Dat durf ik te hopen, dat wil ik hopen, dat zal ik hopen. Altijd. Het leven lacht ons even niet toe, toch moeten we verder, met af en toe ook een zacht cijfer. Er genezen steeds meer mensen van corona. We leven op hoop want zonder hoop, ben je al dood terwijl je leeft. En we willen leven, toch?