Enkele nachten geleden, werd het huidige standbeeld van Julius Caesar in het dorpscentrum gemolesteerd, waarbij delen van de hand afgebroken werd en met graffiti "krapuul" opgeklad. Een ander beeld voor Antonius van Padova moest er ook aan geloven. Het moet even schrikken geweest zijn, voor wie dagdagelijks gewend is om dergelijke beelden als onderdeel van de publieke ruimte te ervaren. Dat deze agressie nu plaats vindt, lijkt bij eerste indruk geen toeval, gezien de recente controverses rond standbeelden zoals dat van Leopold II in eigen land, of die van de slavenhandelaar Edward Colston (1636-1721) in Bristol. Maar daar lijkt de vergelijking ook te stoppen. De laatst genoemde voorbeelden van iconoclasme zijn diep verweven met de internationale protesten tegen structureel geweld en racisme, sinds George Floyd in de VS kwam te overlijden door buitensporig geweld van lokale agenten. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat de belhamels verantwoordelijk voor de schade tegen de Velzeekse standbeelden, vanuit soortgelijke weloverwogen ideologische motieven handelden, omwille van grieven die mensen vandaag nog steeds voelen. Toch geeft het stof tot nadenken.

Collega's zoals Bruno De Wever en Anne-Laure van Bruane hebben reeds hun licht laten schijnen over de controverse rond Leopold II, of vergelijkingen met de vroegmoderne beeldenstorm. Als oudhistoricus, die zelf op Zottegemse schoolbanken heeft gezeten toen het standbeeld voor Caesar geplaatst werd, vind ik het zeer boeiend dit debat te volgen. Het gebruik van standbeelden om mensen te eren is quasi zo oud als de vaste nederzettingen die tot de allereerste steden in Mesopotamië uitgroeiden. Maar het beschadigen of omverwerpen van dergelijke standbeelden als politiek protest is evenmin een modern gegeven.

Heeft de wereld in 2020 een nieuw standbeeld van Julius Caesar nodig?

Wanneer Romeinse keizers ten val kwamen, kon men hun standbeelden vernielen of verminken om hun herinnering te besmeuren. Maar ook zittende keizers konden met hun beleid de toorn van de plaatselijke bevolking opwekken, die haar afkeur toonde door keizerlijke standbeelden neer te halen. Dat was niet zonder risico: in 387 braken er rellen uit in Antiochië tegen nieuwe zware belastingen van Theodosius I. Oproerkraaiers vierden hun ongenoegen bot op zijn standbeelden, waarbij plaatselijke notabelen hun adem in hielden. Een aanval op een keizerlijk standbeeld was een aanslag op de keizerlijke waardigheid, waarbij menig keizer kon beslissen om dit met bloed en staal te bestraffen. Een keizerlijke onderzoekscommissie wist de kwestie te ontzenuwen. Maar het kon ook anders verlopen. Diezelfde keizer liet drie jaar later duizenden burgers in Thessaloniki afslachtten, die een van zijn veldheren gelyncht hadden omwille van obstructie van lokale spelen.

Standbeelden zijn geen statisch gegeven. Wie Rome's Imperium bestudeert, weet dat er ontelbare standbeelden zijn die doorheen de tijd verloren gegaan zijn om redenen die we soms enkel kunnen gissen (verwoesting, natuurrampen, roof etc), maar wier bestaan we nog steeds kennen omwille van de overgeleverde inscripties. De Britse oudhistorica Claire Millington merkt op dat we zelfs in dergelijke gevallen, zoals bij het meisje Clodia Anthianilla, we vaak nauwelijks iets te weten komen over het individu in kwestie. Maar soms geeft het ons wel inzicht in de lokale besturen die in staat waren een dergelijk standbeeld op te richten en haar plaats te bepalen. Daarmee zonden ze immers een boodschap uit, zowel over als naar de leden van hun gemeenschap. Niet alleen het individu dat gevierd wordt met een standbeeld is belangrijk om te onderzoeken, ook diegenen die de mogelijkheid hebben om er een te plaatsen is dat.

Het is mogelijk om het niet eens te zijn met het doelbewust verminken van een standbeeld, zoals dat van Caesar in Velzeke, maar je tegelijkertijd ook vragen te stellen bij wat het daar überhaupt doet. Hierbij is het interessant op te merken dat het oorspronkelijke standbeeld er nog maar amper twintig jaar staat. Caesar heeft geen enkele connectie met de regio van Velzeke. Welke boodschap zenden we dan in 2020 als Vlaamse gemeenschap uit met een standbeeld van Julius Caesar?

De man ging er in zijn eigen geschriften prat op honderden duizenden Galliërs over de kling gejaagd te hebben of tot slaaf gemaakt. Zelfs naar de normen van zijn tijd, ging Caesar zodanig zijn boekje te buiten in zijn oorspronkelijke opdracht om Romeins Zuid-Gallië te beschermen, dat senatoriale rivalen opperden dat hij eigenlijk zou uitgeleverd moeten worden aan de barbaren. Richard Alston concludeert in de allerlaatste paragraaf van 'Rome's Revolution', zijn recent en zeer lezenswaardig boek over de ondergang van de Romeinse Republiek, dat we in elke evaluatie van de verwezenlijkingen van Augustus (en bij uitbreiding ook diens voorganger Caesar), steeds de lijken moeten tellen. Niet alleen de lijken van hun burgeroorlogen, maar ook de lijken van de niet-Romeinse bevolkingsgroepen die ze onderworpen hebben. Moeten we in 2020 nog aan verering van dergelijke mannen doen via een nieuw standbeeld?

Wie vreest dat het verdwijnen van het standbeeld van Caesar uit Velzeke tot een collectieve uitwissing uit het geheugen zou leiden, als ware het George Orwell's '1984', kan op beide oren slapen: dezelfde gemeente huisvest reeds een pracht van een provinciaal archeologisch museum met talrijke lokale vondsten van een Augusteïsch legerkampement. Caesar en Augustus zullen nooit meer uit ons collectief geheugen verdwijnen, gezien ons middelbaar onderwijs en musea zoals dat in Velzeke.

Het gemeentebestuur heeft nu verschillende opties: men kan het beeld restaureren. Men kan het in zijn huidige beschadigde staat laten staan. Of misschien zou het ook van de gelegenheid kunnen gebruik maken om een nieuw standbeeld - en dus een nieuwe boodschap - te plaatsen voor mensen die een werkelijke band met de lokale gemeenschap hadden. Mensen die een boodschap hebben uitgestuurd die we als democratische samenleving in de 21ste eeuw wel nog kunnen uitdragen. Ik denk spontaan aan Velzekenaren zoals Theofiel De Clercq, Robert Van Elsué en Charel Van Wambeke die tijdens de Tweede Wereldoorlogen hun leven hebben gegeven in het verzet tegen Nazi-Duitsland, het meest vileine en onmenselijke regime van de twintigste eeuw. Hoe men het draait of keert, het plaatsen of behouden van een standbeeld zendt steeds een boodschap uit namens het plaatselijke bestuur naar de rest van de gemeenschap. De vraag blijft: welke boodschap zenden we uit?

Enkele nachten geleden, werd het huidige standbeeld van Julius Caesar in het dorpscentrum gemolesteerd, waarbij delen van de hand afgebroken werd en met graffiti "krapuul" opgeklad. Een ander beeld voor Antonius van Padova moest er ook aan geloven. Het moet even schrikken geweest zijn, voor wie dagdagelijks gewend is om dergelijke beelden als onderdeel van de publieke ruimte te ervaren. Dat deze agressie nu plaats vindt, lijkt bij eerste indruk geen toeval, gezien de recente controverses rond standbeelden zoals dat van Leopold II in eigen land, of die van de slavenhandelaar Edward Colston (1636-1721) in Bristol. Maar daar lijkt de vergelijking ook te stoppen. De laatst genoemde voorbeelden van iconoclasme zijn diep verweven met de internationale protesten tegen structureel geweld en racisme, sinds George Floyd in de VS kwam te overlijden door buitensporig geweld van lokale agenten. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat de belhamels verantwoordelijk voor de schade tegen de Velzeekse standbeelden, vanuit soortgelijke weloverwogen ideologische motieven handelden, omwille van grieven die mensen vandaag nog steeds voelen. Toch geeft het stof tot nadenken.Collega's zoals Bruno De Wever en Anne-Laure van Bruane hebben reeds hun licht laten schijnen over de controverse rond Leopold II, of vergelijkingen met de vroegmoderne beeldenstorm. Als oudhistoricus, die zelf op Zottegemse schoolbanken heeft gezeten toen het standbeeld voor Caesar geplaatst werd, vind ik het zeer boeiend dit debat te volgen. Het gebruik van standbeelden om mensen te eren is quasi zo oud als de vaste nederzettingen die tot de allereerste steden in Mesopotamië uitgroeiden. Maar het beschadigen of omverwerpen van dergelijke standbeelden als politiek protest is evenmin een modern gegeven. Wanneer Romeinse keizers ten val kwamen, kon men hun standbeelden vernielen of verminken om hun herinnering te besmeuren. Maar ook zittende keizers konden met hun beleid de toorn van de plaatselijke bevolking opwekken, die haar afkeur toonde door keizerlijke standbeelden neer te halen. Dat was niet zonder risico: in 387 braken er rellen uit in Antiochië tegen nieuwe zware belastingen van Theodosius I. Oproerkraaiers vierden hun ongenoegen bot op zijn standbeelden, waarbij plaatselijke notabelen hun adem in hielden. Een aanval op een keizerlijk standbeeld was een aanslag op de keizerlijke waardigheid, waarbij menig keizer kon beslissen om dit met bloed en staal te bestraffen. Een keizerlijke onderzoekscommissie wist de kwestie te ontzenuwen. Maar het kon ook anders verlopen. Diezelfde keizer liet drie jaar later duizenden burgers in Thessaloniki afslachtten, die een van zijn veldheren gelyncht hadden omwille van obstructie van lokale spelen. Standbeelden zijn geen statisch gegeven. Wie Rome's Imperium bestudeert, weet dat er ontelbare standbeelden zijn die doorheen de tijd verloren gegaan zijn om redenen die we soms enkel kunnen gissen (verwoesting, natuurrampen, roof etc), maar wier bestaan we nog steeds kennen omwille van de overgeleverde inscripties. De Britse oudhistorica Claire Millington merkt op dat we zelfs in dergelijke gevallen, zoals bij het meisje Clodia Anthianilla, we vaak nauwelijks iets te weten komen over het individu in kwestie. Maar soms geeft het ons wel inzicht in de lokale besturen die in staat waren een dergelijk standbeeld op te richten en haar plaats te bepalen. Daarmee zonden ze immers een boodschap uit, zowel over als naar de leden van hun gemeenschap. Niet alleen het individu dat gevierd wordt met een standbeeld is belangrijk om te onderzoeken, ook diegenen die de mogelijkheid hebben om er een te plaatsen is dat. Het is mogelijk om het niet eens te zijn met het doelbewust verminken van een standbeeld, zoals dat van Caesar in Velzeke, maar je tegelijkertijd ook vragen te stellen bij wat het daar überhaupt doet. Hierbij is het interessant op te merken dat het oorspronkelijke standbeeld er nog maar amper twintig jaar staat. Caesar heeft geen enkele connectie met de regio van Velzeke. Welke boodschap zenden we dan in 2020 als Vlaamse gemeenschap uit met een standbeeld van Julius Caesar? De man ging er in zijn eigen geschriften prat op honderden duizenden Galliërs over de kling gejaagd te hebben of tot slaaf gemaakt. Zelfs naar de normen van zijn tijd, ging Caesar zodanig zijn boekje te buiten in zijn oorspronkelijke opdracht om Romeins Zuid-Gallië te beschermen, dat senatoriale rivalen opperden dat hij eigenlijk zou uitgeleverd moeten worden aan de barbaren. Richard Alston concludeert in de allerlaatste paragraaf van 'Rome's Revolution', zijn recent en zeer lezenswaardig boek over de ondergang van de Romeinse Republiek, dat we in elke evaluatie van de verwezenlijkingen van Augustus (en bij uitbreiding ook diens voorganger Caesar), steeds de lijken moeten tellen. Niet alleen de lijken van hun burgeroorlogen, maar ook de lijken van de niet-Romeinse bevolkingsgroepen die ze onderworpen hebben. Moeten we in 2020 nog aan verering van dergelijke mannen doen via een nieuw standbeeld? Wie vreest dat het verdwijnen van het standbeeld van Caesar uit Velzeke tot een collectieve uitwissing uit het geheugen zou leiden, als ware het George Orwell's '1984', kan op beide oren slapen: dezelfde gemeente huisvest reeds een pracht van een provinciaal archeologisch museum met talrijke lokale vondsten van een Augusteïsch legerkampement. Caesar en Augustus zullen nooit meer uit ons collectief geheugen verdwijnen, gezien ons middelbaar onderwijs en musea zoals dat in Velzeke.Het gemeentebestuur heeft nu verschillende opties: men kan het beeld restaureren. Men kan het in zijn huidige beschadigde staat laten staan. Of misschien zou het ook van de gelegenheid kunnen gebruik maken om een nieuw standbeeld - en dus een nieuwe boodschap - te plaatsen voor mensen die een werkelijke band met de lokale gemeenschap hadden. Mensen die een boodschap hebben uitgestuurd die we als democratische samenleving in de 21ste eeuw wel nog kunnen uitdragen. Ik denk spontaan aan Velzekenaren zoals Theofiel De Clercq, Robert Van Elsué en Charel Van Wambeke die tijdens de Tweede Wereldoorlogen hun leven hebben gegeven in het verzet tegen Nazi-Duitsland, het meest vileine en onmenselijke regime van de twintigste eeuw. Hoe men het draait of keert, het plaatsen of behouden van een standbeeld zendt steeds een boodschap uit namens het plaatselijke bestuur naar de rest van de gemeenschap. De vraag blijft: welke boodschap zenden we uit?