Weet u wie de Vlaming zo intolerant heeft gemaakt voor migranten? N-VA-voorzitter Bart De Wever in elk geval wel. In een recent interview met De Tijd legde hij de schuld voor onze onverdraagzaamheid bij 'de gutmenschen'. Volgens De Wever hebben zij 'het draagvlak voor migratie' kapotgemaakt, en in één beweging door ook 'de intolerantie op een ongeziene manier gevoed'.
...

Weet u wie de Vlaming zo intolerant heeft gemaakt voor migranten? N-VA-voorzitter Bart De Wever in elk geval wel. In een recent interview met De Tijd legde hij de schuld voor onze onverdraagzaamheid bij 'de gutmenschen'. Volgens De Wever hebben zij 'het draagvlak voor migratie' kapotgemaakt, en in één beweging door ook 'de intolerantie op een ongeziene manier gevoed'. De aanval van De Wever bleef niet onopgemerkt, ook en niet in de laatste plaats vanwege dat vreemde woord. Gutmensch. Een repliek kwam er onder meer van voormalig VRT-journalist Walter Zinzen. Is het niet verschrikkelijk, zo sakkerde Zinzen in De Morgen, dat De Wever het nodig vindt om mensen uit te lachen die meevoelen met vluchtelingen? En is het niet minstens zo verschrikkelijk dat hij daarvoor 'het door de nazi's uitgevonden gutmenschen' mag gebruiken'? Prangende vragen, al hoort er wel een niet onbelangrijke rechtzetting bij. Dat de nazi's het begrip gutmensch hebben uitgevonden, is een vaak herhaalde, maar meer dan waarschijnlijk onjuiste bewering. Over de herkomst van het woord gutmensch publiceerden Duitse filologen zes jaar geleden een stevig artikel in het tijdschrift van het Duisburger Institut für Sprach-und Sozialforschung. Een eerste conclusie van het artikel: het begrip gutmensch komt in de naziliteratuur nergens voor. Veel aannemelijker is de hypothese dat het begrip in zijn huidige, denigrerende betekenis geboren werd in de jaren negentig. In 1994 publiceerden de Duitse schrijvers Klaus Bittermann en Gerhard Henschel Das Wörterbuch der Gutmenschen. Het woordenboek was satirisch bedoeld. Ironiserende zelfkritiek van links, die de moralistische, vaak betekenisloze taal -'die Schaumsprache' (schuimtaal) - van de eigen groep wou ontmaskeren. Al meteen na publicatie van het woordenboek ging het begrip een ander leven leiden. De gutmensch werd geadopteerd door de radicale rechterzijde, die er een geliefkoosde schietschijf van maakte in haar strijd tegen alles wat naar politieke correctheid rook. Een early adopter was Jörg Haider (1950-2008), de hoofdman van de rechts-populistische FPÖ in Oostenrijk, die de critici van zijn harde migratiestandpunten graag ridiculiseerde door ze 'fanatische Gutmenschen' te noemen. De gutmensch als naïeve migrantenvriend en 'wegkijker'. Als aan het begin van deze eeuw het islamdebat losbarst, zou het begrip nog veel meer die ene betekenis krijgen. En het zou zich nog veel wijder gaan verspreiden, ook buiten de grenzen van het Duitse taalgebied. Wie de gutmensch in ons taalgebied introduceerde, is niet met zekerheid te zeggen, al is er wel een serieuze aanwijzing. Begin 2009 interviewde schrijver Benno Barnard voor Knack de notoire islamcriticus Wim Van Rooy. In dat interview zegt Van Rooy, de vader van Vlaams Belang-politicus Sam Van Rooy, dat Filip Dewinter gelijk heeft als hij zegt dat de islam 'een veroveringsgodsdienst' is. 'De jihad wordt op verschillende manieren gevoerd,' aldus Van Rooy, 'maar de oerchristelijke gutmensch is zich daar niet van bewust. Hij kan zich het haatzaaiende karakter van de Koran eenvoudig niet voorstellen.' Een zoekopdracht in de mediadatabank Gopress doet vermoeden dat het de eerste keer is dat het woord 'gutmensch' in de Nederlandstalige media wordt gebruikt. Pas een halfjaar later valt het woord een tweede keer, nu in een column van schrijver Tom Naegels in De Standaard. Naegels citeert hier uit een van de vele mails die hij dagelijks ontvangt van Wim Van Rooy, 'de man achter de recente bekering van Benno Barnard en Geert Van Istendael tot het anti-islamitische verzet'. Het spoor laat er weinig twijfel over bestaan. Als Wim Van Rooy het begrip gutmensch al niet naar de Lage Landen heeft geïmporteerd, dan heeft hij toch minstens een belangrijk aandeel gehad in de verspreiding ervan. Van Rooy zelf zegt dat hij niet precies weet waar hij het woord heeft opgepikt. 'Mogelijk heb ik het ontleend aan de Jiddische literatuur,' zegt hij, 'maar dat durf ik niet met zekerheid te zeggen. Ik heb er eigenlijk nog nooit bij stilgestaan. Het begrip is spontaan uit mijn pen gevloeid.' Wat hij met het begrip precies bedoelt? 'Een gutmensch is voor mij een gedachteloos iemand', vertelt Van Rooy. 'Iemand die de feiten die hem onder de neus worden geschoven niet kan of wil zien.' Voor alle duidelijkheid: met die feiten doelt Van Rooy op de volgens hem 'kwaadaardige inborst' van de islam. Van Rooy maakt het onderscheid tussen twee soorten van gutmensch. Een eerste type is de argeloze naïeveling. 'Zij verdedigen de islam omdat ze niet beter weten en gehersenspoeld zijn. Als ik na de aanslag in Manchester een jong veulen hoor vertellen dat we nog meer moeten verbinden, kan ik haar dat moeilijk kwalijk nemen. Ze weet niet beter, dus reproduceert ze alleen maar de clichés die politici na zo'n aanslag telkens opnieuw debiteren.' Minder mild is Van Rooy voor de tweede groep, voornamelijk bevolkt door leden van de elite. Van Rooy noemt politici als Merkel en Obama, staatslieden die weigeren om de islam te verketteren en door de linkerzijde vaak geprezen worden om hun morele standvastigheid. 'Wellicht beseffen die politici inmiddels ook wel dat de islam helemaal geen vredelievende godsdienst is', zegt Van Rooy. 'Alleen kunnen ze dat niet zeggen omdat het kwaad al is geschied. Ze hebben het probleem niet tijdig onder ogen gezien, en de grenzen wijd opengezet. Daarom kunnen ze nu niet anders dan wegkijken, en doen alsof het probleem niet bestaat. Als terreur al in verband wordt gebracht met religie, dan wordt gewezen naar het islamisme. Dat het kwaad in de islam zelf zit, wordt verzwegen.' Van Rooy twijfelt er niet aan. Het verbindende discours van de gutmensch is vandaag nog altijd het dominante. 'Lees de opinies in De Standaard en De Morgen van de afgelopen tien jaar. Minstens negentig procent is pro-islam en promigratie. Het zijn altijd dezelfde stemmen, die elkaar eindeloos feliciteren en bevestigen. Zelden of nooit denken ze out of the box. Het zorgt voor een grote kloof met de gewone man, die veel beter begrijpt waar het over gaat. Ik heb de afgelopen jaren meer dan 170 lezingen gegeven. Telkens opnieuw hoor ik de klachten van mensen die dagelijks met de problemen worden geconfronteerd, maar niet worden gehoord door de elites. Ik vind dat schrijnend.' Tijd voor wat tegengas. Zoals gezegd: Van Rooy is er heilig van overtuigd dat de gutmensch het migratiedebat domineert. Die stelling is betwistbaar. Zo valt ze maar moeilijk te rijmen met de vaststelling dat de belangrijkste politicus van het land zopas nog een aanval op die gutmensch lanceerde. 'Waarover men niet spreekt', luidt de titel van Van Rooys jongste boek. Maar klopt de in de titel vervatte stelling wel? 'Waarover men niet spreekt' werd onder meer geprezen door Etienne Vermeersch, volgens velen nog altijd de belangrijkste intellectueel van het land en een filosoof die de islamkritiek bepaald niet spaart. Noteer ook dat Van Rooy naar aanleiding van dat boek uitgebreid geïnterviewd werd door De Morgen - een krant die in veel kringen toch nog altijd te boek staat als het lijfblad van de Vlaamse gutmensch. Islamkritiek een intellectuele en politieke no-gozone? Van Rooy heeft blijkbaar niet goed opgelet, zegt filosoof Ignaas Devisch (UGent). 'Het is hem kennelijk ontgaan dat er de laatste vijftien jaar een grote omslag heeft plaatsgevonden. Islamkritiek zorgt vandaag helemaal niet meer voor de grote verontwaardiging. Het is zelfs eerder omgekeerd: je zal vandaag sneller verontwaardiging oogsten als je de islam verdedigt. Mij lijkt hier sprake van een soort calimerocomplex, iets wat je ter rechterzijde wel vaker ziet. Rechts bepaalt overduidelijk de toon, zowel politiek als maatschappelijk. Niettemin blijven veel rechtse politici en denkers verkondigen dat hun waarden en normen in de verdrukking zijn.' De gutmensch die, als ijverige agent van de gedachtepolitie, bepaalt wat mag gezegd worden en wat niet: schrijver en opiniemaker Tom Naegels noemt het een even hardnekkige als fascinerende mythe. 'Als de gutmenschen er inderdaad in waren geslaagd om hun denken op te leggen aan de anderen, dan was er over migratie en islam een consensus ontstaan zoals die er inmiddels bijvoorbeeld gekomen is over holebirechten. Wie holebirechten ter discussie stelt, bekijken we vandaag als een rariteit. Dat is niet het geval voor islamcritici. Het feit dat we er al dertig jaar ambras over maken, toont aan dat het politiek-correcte denken maar een van de bestaande stromingen is binnen het denken over migratie en islam. Dominant is dat denken hoogstens binnen een bepaalde subgroep. Binnen de artistieke wereld is stevige kritiek op de islam nog altijd vloeken in de kerk. Maar dat is zeker niet zo in de zakenwereld of de politiek. In de politiek lijkt me de invloed van het politiek-correcte denken zelfs bijna verwaarloosbaar. Je vindt het enkel nog bij de kleinere oppositiepartijen PVDA en Groen. Iemand als Luckas Vander Taelen roept vaak dat zijn islamkritische houding hem isoleert, en dat hij een roepende is in de woestijn. Maar is dat werkelijk zo? Wat Vander Taelen volgens mij vooral frustreert, is dat hij zijn vrienden van Groen niet van z'n standpunt kan overtuigen. Binnen die subgroep ligt islamkritiek inderdaad zeer gevoelig. Maar in de samenleving is hij absoluut geen buitenstaander. Wat Vander Taelen over migratie en islam zegt, zeggen veel Open VLD'ers al jaren.' 'Liever gutmenschen dan cynici.' Het is de titel van een column die Ignaas Devisch vorige week publiceerde in De Standaard. Naar aanleiding van De Wevers kritiek schreef de filosoof een pleidooi om minder cynisch met de term om te gaan. 'Het stoorde mij dat De Wever het nodig vond om nog maar eens smalend te doen over mensen die naar het goede streven', zegt Devisch. 'Uiteraard kun je geen samenleving besturen met alleen maar zachte morele principes. Ik denk dat ongeveer iedereen het er wel over eens is dat Europa niet alle vluchtelingen van de wereld kan opvangen. Maar wil dat zeggen dat we dan ook maar meteen aan de humane opdracht moeten verzaken? De Wever zegt in dat interview dat hij in het geval van Merkel de deur op slot had gedaan. Ongetwijfeld oogst hij daar applaus mee bij een aanzienlijk deel van de bevolking. Maar heeft hij ook iets te vertellen over het lot van miljoenen oorlogsvluchtelingen? Wat is hier het verhaal van rechts? Is ervan wegkijken de enig mogelijke oplossing? Is het dat wat we bedoelen, als we het hebben over de Europese normen en waarden?' In zijn column vraagt Devisch zich af waarom die aanval van De Wever nu nog nodig was. Is de gutmensch immers geen uitstervende soort? Was het geen trap in de ribben van iemand die al op de grond ligt? 'Twintig jaar geleden was zo'n aanval misschien nog wel nuttig', zegt Devisch. 'Je kunt niet ontkennen dat links een aantal problemen in verband met migratie heeft verzwegen of verbloemd, en dat het debat mee daarom is gaan veretteren. Maar die analyse is niet nieuw. Ze is al ontelbare keren gemaakt, niet het minst door links zelf. Vandaag is links zo kritisch voor haar fouten uit het verleden dat het zelf een heel eind naar rechts is opgeschoven. En opgeschoven zijn we bijna allemaal, in die mate zelfs dat we een zuivere realpoliticus als Angela Merkel al links zijn gaan noemen. Politici die nog zonder veel mitsen en maren durven te zeggen dat het onze morele plicht is om vluchtelingen op te vangen, zijn een zeldzaamheid geworden. En als ze het doen, worden ze als domme en naïeve gutmenschen weggezet. Ik vind dat Merkel-bashen behalve intellectueel gemakzuchtig ook vreselijk cynisch. Ik begrijp niet waarom sommigen dat blijven doen. Is dat inhakken op de gutmensch misschien een manier om te verbergen dat je, geconfronteerd met een probleem als de vluchtelingencrisis, niet verder raakt dan: grenzen dicht?' Met het begrip gutmensch is nog iets merkwaardigs aan de hand. Was het in den beginne nog bedoeld om alle vormen van politiek-correct denken te hekelen, dan richt het zich tegenwoordig nog bijna uitsluitend op stemmen die de multiculturele samenleving omarmen als een verrijking en de islam niet per definitie als een probleem beschouwen. Zo is het tegenwoordig perfect mogelijk om te militeren voor de rechten van holebi's, vrouwen of dieren zonder het etiket gutmensch te moeten vrezen. Sterker nog. Als het over dierenrechten of holebi's gaat, lijken sommige rechtse of conservatieve stemmen de gutmensch in morele superioriteit nog te willen overtreffen. 'Het is een rare sprong,' zegt Tom Naegels, 'maar de afkeer van moslims heeft als neveneffect dat de gevoeligheid voor homorechten of dierenleed sterk is vergroot. Cynisch gezegd: de winst van de islamofobie zit in de afgenomen homofobie.' Naegels vindt die toegenomen gevoeligheid voor holebirechten op zich geen negatieve evolutie, al wijst hij wel op een paradox. 'Rechtse mensen verwijten links au fond dat het hen waarden heeft willen opdringen die niet de hunne zijn. Ze hebben een brandende hekel aan de air van morele superioriteit die gutmenschen uitstralen. Ze beweren zelfs dat die arrogantie de hele integratie heeft doen mislukken. Is het dan niet ironisch dat uitgerekend die mensen, die aan den lijve hebben ondervonden hoeveel weerstand het oproept als iemand je komt vertellen dat zijn waarden beter zijn dan de jouwe, er vandaag op hameren dat "we moeten durven te zeggen dat onze waarden superieur zijn aan die van de islam?" Waarom denken ze dat moslims anders zullen reageren dan zijzelf, namelijk met een welgemeende fuck off.' Wim Van Rooy spreekt het niet tegen. Op sommige vlakken is rechts inderdaad een stuk progressiever geworden. Maar minder dan met de afkeer van moslims heeft het volgens hem te maken met 'voortschrijdend inzicht', voortgekomen uit 'humanistische overwegingen'. Van Rooy zegt dat hij die toegenomen tolerantie en openheid toejuicht. Ook al zorgt die volgens hem voor een wezenlijk probleem. 'Ik vind het goed dat ook rechts vandaag voor gelijke rechten van vrouwen en holebi's pleit. Maar tegelijk vrees ik dat dat gelijkheidsdenken ons zeer kwetsbaar maakt. Het zorgt ervoor dat onze maatschappij feminiseert. Ik keur die feminisering niet af, maar ze is in de gegeven context wel problematisch. Tegenover testosterongedreven systemen als het nazisme in de jaren dertig of de islam vandaag staat een gefeminiseerde samenleving compleet weerloos.'