Tenzij Elke Decruynaere (Groen) en haar Gentse collega's de komende dagen of weken voor een grote verrassing zorgen, worden alle dertien Vlaamse centrumsteden straks bestuurd door een man.
...

Tenzij Elke Decruynaere (Groen) en haar Gentse collega's de komende dagen of weken voor een grote verrassing zorgen, worden alle dertien Vlaamse centrumsteden straks bestuurd door een man. Dat is geen toeval volgens politicologe Karen Celis, een autoriteit als het gaat over diversiteit en gendergelijkheid in de politiek. Ondanks de wettelijke verplichting om vrouwen bovenaan de lijst te zetten, is in Vlaanderen maar 38 procent van de verkozenen een vrouw. Dat is een bescheiden vooruitgang tegenover 2012, toen het aantal verkozenen 36 procent bedroeg. 'Ik had eerlijk gezegd geen grote sprong voorwaarts verwacht', vertelt Celis. 'Oké, er is een wet die zegt dat er bovenaan op de lijst geritst moet worden. Maar in de praktijk wordt er meestal voor een mannelijke lijsttrekker geopteerd en staat er dus maar één vrouw in de top drie. De prominente plaatsen worden meestal ingenomen door mannen, de vrouwen vind je toch nog vaker op strijdplaatsen of onverkiesbare plaatsen. En ook de lijstduwer is vaker een man.' Hoe komt dat? Karen Celis: Dat heeft vooral te maken met het proces van de lijstvorming. Wanneer een partij een lijst samenstelt, kijkt ze eerst naar de vaste waarden: kandidaten die al een mandaat hadden, die bekend zijn en waarvan de lijstvormers verwachten dat ze veel stemmen kunnen behalen. Wij noemen dat de incumbents, de gevestigde waarden. Vaak zijn dat mannen, om de eenvoudige reden dat het mannelijk overwicht in de politiek er altijd geweest is. Het is ook logisch dat lijsten op die manier worden samengesteld: het is makkelijkste en veiligste weg naar electoraal succes. Het is dus - en dat vind ik wel belangrijk om te benadrukken - níét zo dat vrouwen vaak op minder prominente plaatsen staan omdat er een complot zou bestaan van een groep machtige mannen die vrouwen wil onderdrukken. Het gaat hier in wezen om een perfect rationele strategie, die, onzichtbaar, als een soort zwaartekracht werkt op de gelijkwaardige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de politiek. Dat effect wordt nog eens versterkt door de manier waarop politiek wordt gemediatiseerd. Denk aan de kopstukkendebatten op televisie. Ook die worden gedomineerd door mannen en bepalen zo het beeld dat mensen van de politiek hebben. Is er een manier om aan die zwaartekracht te ontsnappen? Celis: Jazeker. In Brussel is 49 procent van de verkozenen een vrouw. Ongetwijfeld is dat mede te danken aan het feit dat je daar over de hele lijst moet ritsen. Bovendien moeten de Brusselse schepencolleges voor een derde uit vrouwen bestaan. Die maatregel helpt om het mechanisme van de incumbents te doorbreken. Hij zorgt ervoor dat meer vrouwen een zichtbare rol spelen in het bestuur, waardoor ze meestal ook een hoger electoraal kapitaal opbouwen. In Vlaanderen is maar 14 procent van de burgemeesters en schepenen een vrouw. Als je dat wilt optrekken tot een derde, moet je wellicht schepenposten geven aan vrouwen die veel minder stemmen hebben behaald dan mannen. Celis: Is dat zo vreemd? Het aantal stemmen is nu toch ook niet altijd beslissend voor wie al dan niet een post krijgt? Het zijn in de eerste plaats de politieke partijen die komaf moeten maken met het mechanisme dat ertoe leidt dat mannen telkens opnieuw de beste plaatsen op de lijst krijgen. De kans dat ze dat zonder dwang zullen doen, is eerder klein. Celis: Je krijgt geen genderevenwicht zonder dwingende maatregelen. Niemand is een voorstander van quota, maar ze zijn wel noodzakelijk. Zelfs vrouwelijke kopstukken van partijen die officieel geen voorstander zijn, zeggen me in vertrouwelijke gesprekken dat ze op de barricades zullen staan als er aan de bestaande quota wordt geraakt. Schaf genderquota af en je krijgt meteen een terugval. Zijn zulke quota wel democratisch? We kunnen het wel betreuren dat de dertien Vlaamse centrumsteden zullen worden bestuurd door een man, maar het is wel de kiezer die het zo heeft beslist. Celis: Ook politieke gelijkheid is een belangrijke democratische waarde. In een volwaardige democratie kan het niet dat één groep de politieke besluitvorming bepaalt. Als je besluitvorming grotendeels wordt bepaald door mannen, komt maar een beperkt aantal perspectieven aan bod en blijven andere problemen of oplossingen buiten beeld. Genderquota tasten de vrijheid van de kiezer ook niet aan. Die heeft nog steeds de keuze om enkel voor mannen te stemmen. Is het vrouwelijke perspectief zo anders dan het mannelijke? Celis: U en ik hebben veel met elkaar gemeen. Net als ik bent u een witte, hogeropgeleide heteroseksueel, zonder zichtbare fysieke beperkingen. Maar ondanks die belangrijke gelijkenissen leid ik als vrouw een heel ander leven. Onze samenleving is gigantisch gendered. #MeToo is een goed voorbeeld. Het wederzijdse onbegrip dat hier vaak speelt, wijst op een zeker onvermogen om zich te verplaatsen in de ander. Daarbij komt nog dat net de geprivilegieerde groepen de meeste moeite hebben om zich te verplaatsen in de ervaring van de andere. Vooral zij hebben het moeilijk om te begrijpen wat achterstelling is, wat discriminatie betekent en wat die ervaring met je doet. Dat verklaart ook waarom mannen minder goed uitgerust zijn om een aantal vrouwenbelangen te vertegenwoordigen. Denk, om een wat ouder voorbeeld te nemen, aan het abortusthema. De liberalisering van abortus is decennialang een strijdpunt van de vrouwenbeweging geweest. Maar het parlement dat daarover moest beslissen bestond voor negentig procent uit mannen, die nooit in de precaire situatie hadden gezeten van een ongewenste zwangerschap en zich veel moeilijker in die situatie konden inleven. Ik zeg niet dat mannelijke redeneringen daarover per definitie fout waren. Ik zeg wel dat ze onvolledig waren. In het parlement was het debat ontdaan van empathie of ervaringsdeskundigheid. Het politieke klimaat is ook niet meteen vrouwvriendelijk: overal duiken populisten op en dat zijn opvallend vaak autoritaire mannen.Celis: ( glimlacht) Grappig dat u dat zegt, want als je even gaat zoeken, zul je merken dat er best veel vrouwen aan het hoofd staan van rechts-populistische partijen. In Denemarken was Pia Kjaersgaard lang het boegbeeld van de Deense Volkspartij, in Noorwegen wordt de neoliberale Vooruitgangspartij geleid door Siv Jensen, en uiteraard is er ook Marine Le Pen van het Front National. Het is geen toeval dat u niet onmiddellijk aan vrouwen dacht. Onderzoek heeft laten zien dat we, als we denken aan grote charismatische leiders van populistische partijen, als vanzelf aan mannen denken. Sterk en charismatisch leiderschap beschouwen we als iets mannelijks. Terwijl iemand als Le Pen het leiderschap niet minder strak invult dan de mannelijke voorzitters van vergelijkbare partijen. Rechts-populistische partijen worden vaak Männerparteien genoemd. Men gaat ervan uit dat het partijen van en voor mannen zijn. De werkelijkheid is anders. Donald Trump is ook aan de macht gebracht door vrouwen. Er wordt weleens gedacht dat de politiek met meer vrouwen minder hard zou worden. Dat is niet zo. Vrouwen stemmen gemiddeld wel iets linkser. Celis: Ja, maar ook dat is geen algemene wet. De eerste generatie Belgische vrouwen die stemrecht had, stemde rechtser dan mannen en had een uitgesproken voorkeur voor conservatieve, katholieke partijen. Dat is pas omgeslagen toen vrouwen de arbeidsmarkt betraden en gelijke arbeidsrechten wilden. In dezelfde periode zag je het aantal echtscheidingen toenemen, waardoor vrouwen soms afhankelijk werden van vervangingsinkomens. Omdat linkse partijen gelijkheidsthema's altijd al hoger op de agenda hebben gezet, is er ook nog eens een historische band gegroeid met de vrouwenbeweging. Dat vrouwen vandaag iets linkser stemmen, heeft dus minder met vermeende zachtaardigheid dan met welbegrepen eigenbelang te maken. In Vlaanderen is met enige verbazing gekeken naar de verkiezingsresultaten in Brussel. Daar hebben de kiezers opvallend links gestemd, ook de eerder conservatieve moslimgemeenschap. Celis: Hier zie je een duidelijke parallel met de vrouwelijke stem. Linkse partijen leggen sterk de nadruk op gelijke rechten, ook voor etnische minderheden. Daarom rekruteren linkse partijen zorgvuldiger kandidaten in de allochtone gemeenschap. Andere partijen slagen daar minder goed in. Alain Courtois, de lijsttrekker voor de MR in Brussel, vertelde daags na de verkiezing dat zijn partij verloren had vanwege 'de veranderde demografie'. Hij had ook kunnen zeggen dat hij vergeten had zijn overwegend blanke lijst aan te passen aan die demografie. Celis: Eigenlijk is zo'n lijst een paternalistisch, bijna kolonialistisch statement. 'Wij autochtonen weten wel wat goed is voor de gekleurde medemens.' In een stad als Brussel ben je dan gedoemd te verliezen. 'Brussel heeft heel etnisch gestemd', verklaarde Cieltje Van Achter, kandidate voor de N-VA in Schaarbeek. 'Afkomst telt meer dan toekomst.' Celis: Stemmen op kandidaten waarin je je herkent opdat ze mee de gemeente gaan besturen, is toekomstgericht, lijkt me. En zo'n etnische stem is ook perfect legitiem. Iedereen stemt voor kandidaten van wie hij hoopt dat die zijn belangen goed zal vertegenwoordigen. De ironie is dat je evenzeer kunt stellen dat mevrouw Van Achter ook gaat voor de etnische stem, namelijk die van de etnische meerderheid. In haar uitspraak weerklinkt een zekere angst dat 'ze' het in de toekomst van 'ons' gaan overnemen. Ook in Antwerpen verandert de demografie snel. Moet Bart De Wever vrezen voor een Borgerhouts scenario in heel de stad? Celis: Het is moeilijk in te schatten of etnische minderheden op langere termijn op etnische minderheden zullen blijven stemmen. Vandaag is dat zo omdat etnische kiezers niet ten onrechte de noodzaak zien van een politieke vertegenwoordiging. Zodra die vertegenwoordiging is verworven, is die noodzaak niet meer zo groot, en zou je kunnen verwachten dat andere motivaties een rol gaan spelen. Hetzelfde geldt voor de vertegenwoordiging van vrouwen. Mohamed Ridouani (SP.A) wordt straks de eerste burgemeester met een migratieachtergrond die een centrumstad mag besturen. Heeft zijn mooie persoonlijke score u verrast? Celis: Toch wel. Het verraste me dat de SP.A zo goed standhield in Leuven. En het verraste me nog meer dat ze dat deed met een kandidaat met zijn achtergrond. Dat is een hoge horde. Je zou toch eerder verwachten dat die horde voor het eerst genomen zou worden in een superdiverse stad, en dat is Leuven natuurlijk niet. Dat hij meer dan 10.000 kiezers heeft overtuigd, betekent dat hij ook veel stemmen heeft behaald bij 'de etnische meerderheid'. Wat het belang van de 'etnische stem' in de Belgische politiek meteen weer relativeert. Ook Ridouani zelf was zich bewust van het gevaar. In interviews heeft hij meer dan eens gezegd dat zijn voornaam bepaald geen troef is. Celis: Dat klopt, denk ik. Zijn partij heeft zeker een risico genomen door hem als kandidaat naar voren te schuiven. Maar ik denk wel dat het een berekend risico was. Ridouani was al jaren schepen. Hij heeft zo bestuurservaring kunnen opdoen, zich als een bekwame bestuurder kunnen tonen aan de kiezer, en deel kunnen worden van de incumbents. Zoals ik in het begin van ons gesprek al zei: alleen op die manier kun je als vrouw of als lid van een etnische minderheid een prominente plaats verwerven in de politiek. De Leuvense SP.A heeft met andere woorden goed begrepen hoe het werkt. Ze hebben de tijd genomen om de Leuvenaar te laten wennen aan het idee dat iemand van een etnische minderheid de burgervader wordt van hun stad. Ridouani heeft de tijd gekregen om de Leuvenaar ervan te overtuigen dat hij niet de belangen van zijn etnische groep maar die van alle inwoners zal dienen. Ridouani is een soort 'cultuurmoslim'. Is de Vlaming klaar voor een praktiserende moslim als burgemeester? Celis: Dat denk ik niet. In het kader van mijn onderzoek heb ik een gelovige politica geïnterviewd, een moslima die geen hoofddoek draagt. Ze vertelde me dat ze, op de dag dat haar moeder zou overlijden, misschien wel een hoofddoek zou willen dragen om haar rouw te uiten. Maar ze was zich er ook duidelijk van bewust dat de politieke implicaties immens zouden zijn. Het zal nog wel even duren voor we klaar zijn om die volgende horde te nemen. U hebt een doctoraatsonderzoek begeleid waaruit blijkt dat moslimjongeren zich niet vertegenwoordigd voelen door de politiek. Waar loopt het fout? Celis: Wij zijn geneigd die mate van vertegenwoordiging uit de drukken in cijfers. Hoeveel moslims zitten er in het parlement, en hoeveel zitten er in de gemeenteraad, en zijn dat er niet veel te weinig? Wat die jongeren evenwel als een groter probleem ervaren, is dat ze zich zelden op de juiste manier vertegenwoordigd voelen. Als positieve uitzondering werd Meyrem Almaci vaak genoemd. Ze komt op voor belangen van etnische minderheden als dat nodig is en stopt haar roots niet weg. Tegelijk is ze ook de politica die zich op de financiële crisis heeft geprofileerd. Je kunt haar, met andere woorden, niet reduceren tot dat ene thema. Op dezelfde manier willen die jongeren zich niet gereduceerd zien tot dat ene aspect van hun identiteit. Verklaart dat waarom migrantenpartijen als Be.One niet van de grond komen? Celis: Wellicht wel. Migrantenpartijen worden als te eendimensionaal ervaren. One-issuepartijen doen het trouwens meestal niet goed. Ook hier zie je weer de parallel met de vrouwenkwestie. Vrouwenpartijen zijn zelden een lang leven beschoren. Vrouwen willen namelijk, net als etnische minderheden, ook graag iets vertellen over alle andere belangrijke kwesties.